RO-theater en TGA trekken zich niet terug

Gerrit Korthals Alters is zakelijk leider van de Toneelgroep Amsterdam. Freek van Duijn is zakelijk leider van het RO-theater.

Pim van Klink, algemeen directeur Kunst & cultuur te Groningen en scheidend voorzitter van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecteuren (VSCD) mengt zicht in de discussie over cultuurbeleid en signaleert een nieuwe ontwikkeling in het podiumkunstenbestel: na de opera en het ballet zouden ook twee van de drie grote gesubsidieerde toneelgezelschappen zich terugtrekken op hun standplaats en dat nog wel in - o gruwel - een 'zwarte doos' (NRC Handelsblad, 20 december).

RO-theater en Toneelgroep Amsterdam (TGA), want om deze gezelschappen gaat het, zouden daarmee "hun toch al niet te grote ambitie om voorstellingen buiten hun standplaats te spelen tot een absoluut nulpunt" terugbrengen. TGA zou voor het volgend seizoen slecht een produktie hebben aangeboden aan de schouwburgen.

Jammer dat Pim van Klink in zijn gretigheid om de minister te adviseren, zich niet de moeite getroost de feiten waarop hij zijn adviezen baseert op waarheidsgehalte te toetsen. Zo wil TGA zich helemaal niet terugtrekken in de zo begeerde 'zwarte doos', maar verlegt zij haar werkterrein van Stadsschouwburg en Theater Belevue voor een groot deel naar het Transformatorhuis op het terrein van de Westergasfabriek. Dat wil zeggen: TGA zal op die drie plaatsen premieres uitbrengen. Dit in afwachting van het eigen theater, waaraan in het Kunstenplan van de Gemeente Amsterdam een derde prioriteit is toegekend. Daarnaast zal TGA blijven reizen met daarvoor in aanmerking komende produkties. In het seizoen 1994/95 zullen dat er vijf zijn , en niet een zoals Van Klink suggereert.

Wat Van Klink het RO-theater verwijt is onduidelijk. Het RO speelde tot nu toe namelijk circa zestig procent van zijn voorstellingen door het gehele land en in de grote zalen. Het rijksaandeel in de subsidie van het RO is 40 procent. Men kan dus zonder overdrijving stellen dat Rotterdam jarenlang het toneel in onder andere Groningen mede- subsidieerde.

Het RO heeft nu een plan gemaakt, dat aan deze absurditeit een einde maakt. Een eigen huis. Want in de Rotterdamse Schouwburg kan het RO niet meer voorstellingen geven dan de 70 van nu. En natuurlijk wordt die ontwikkeling ook gestimuleerd door een artistieke behoefte aan een eigen huis. Theater als publieke arena, als ontmoetingsplek van mensen in je eigen stad.

Met ingang van volgend seizoen worden er in dat nieuwe theater in Rotterdam met circa driehonderdvijftg plaatsen ongeveer honderd voorstellingen gegeven, vijfenvijftig in de Rotterdamse Schouwburg en tachtig in het land.

Dat is geen terugtrekken, zoals Van Klink stelt, dat is aanzienlijk meer en gevarieerder werk bieden voor dezelfde subsidie. De wereld verandert, zelfs de toneelwereld. Maar de landelijk spreiding blijft gehandhaafd, ondanks het feit dat acteurs tegenwoordig vaak langer in de file staan dan op het toneel.

Een verder toenemende concentratie van speelplaatsen in het land lijkt ons overigens onontkoombaar. Wij zijn het met Van Klink eens dat de minister "er goed aan zou doen ook bestuursovereenkomsten af te sluiten met een achttal steden buiten de Randstad, die een eigen, hoogwaardige, culturele infrastructuur hebben." Deze steden kunnen als ze willen de reisvoorstellingen van TGA en het RO-theater afnemen.

Een nieuw reisgezelschap dat de Nederlandse schouwburgen voorziet van "hoogwaardige, toegankelijk stukken" lijkt ons niet nodig. Waar zijn trouwens die acteurs en actrices die dit hoogwaardige en toegankelijke repertoire moeten spelen in al die hoogwaardige en toegankelijke schouwburgen in Nederland?