Requiem

Water in de huizen, water in de ogen, het jaar van de elleboog eindigt in gepaste mineur. 1993: toch wel een jaar van interieure ballingschap, van te veel sociale verspilling, van bravoure met een rouwrandje. Te weinig zon, te veel nacht. Het aanzetjaar van de eindtijd, zou het? Waar je ook ging of stond, om de hoek wenkte het kerkhof van de niet-ingeloste verwachtingen. Nederland in een soort permanente staat van epilepsie, dat was 1993.

Het hoge kwakkelgehalte werd nog het best geïllustreerd door Gert-Jan Theunisse. De wond op het zitvlak wilde niet dicht. Trivialer kan ongerief niet zijn. Alle karakterwoede ten spijt, geen Tour. Dan maar hopen op Erik Breukink. Hij fietste met sissende zwavel in de benen, zo werd reeds vroeg in het seizoen gesignaleerd. De genade van zijn Spaanse ploegleider die meer verstand had van psychologie dan van bedorven intralipid. Erik was een andere man geworden: eindelijk besprongen door begeerte. Het was Gea ook opgevallen dat haar timide en gepolijste echtgenoot ineens, op de fiets, iets van de kracht der zotheid wilde demonstreren. Dat had ze nooit eerder meegemaakt. Haar moeder vond het ook suspect. De Drentse vamp, die de mannenwereld van het peloton als geen ander kent, begreep dat ze deze metamorfose van nabij moest bewaken. Na iedere etappe krulde ze, spinnend met haar warme weelde, op uit de dodelijke leegte van een Frans plattelandshotelletje. En ja hoor, het werkte: kort na de eerste rustdag verliet Breukink de Tour. “Thuis is het veel gezelliger”, kreunde de marmeren engel de verslaggever nog na.

Nog miserabeler was de commotie rondom Erik de Bruin. Discuswerper bij de gratie van een of ander groeihormoontje. De gesprongen testosteronspiegel en de zwangerschapssignalen logen er niet om. Maar De Bruin keek de schaamte in de bek en vocht terug, gesteund door de nationale zielsindustrie. De KNAU, altijd al een gezelschap van onnozele beslotenheid, plooide. De atleet werd behangen met de onschuld van een rietwortel en mocht weer werpen. Theo Reitsma juichte, Ria Stalman pinkte een traan weg en De Bruin zelf schaterde tegen de maan. God houdt inderdaad van iedereen.

Zou dat misschien nog een troost kunnen zijn voor René Eijer en Monique Velzeboer? Ik wil graag aan de hand van een muffe prelaat op mijn blote knieën iets van een gebed prevelen als de Almachtige deze sporters met hun gekraakt lichaam een teken zou willen geven dat niets nutteloos is. Zelfs ben ik bereid om van mijn hart een moordkuil te maken en straks voor Brinkman te stemmen als Eijer en Velzeboer de nakende rituelen van geluk en voorspoed toch nog met een hemelse glimlach kunnen doorstaan. Ik beloof het opperwezen dat ik nooit meer zal drinken als vannacht de wolken als messen openscheuren om Zijn balsem in witte sneeuw te laten neerdwarrelen over de gebroken droom van de Vitesse-speler en de shorttrack-schaatster. Maar eerlijk gezegd, het liefst zou ik God een elleboogstoot geven.

1993 was het jaar van de zachte vernieling. Ellen van Langen, Ivan Lendl, Marco van Basten, Jacques Ruts, zelfs Krajicek kennen nu de ascese van verdriet. Laatst nog zag ik Van Basten in Las Vegas: een kind tussen veteranen. Hij stond daar, bleek en onhandig, protocollair te doen naast Platini, Eusebio en Blatter. Het gezicht zo gesloten als een kolenschop. Zijn hele lichaam schreeuwde om parmantige gebaren: handjes in de heupen, opgestoken middelvinger, kortom het perpetuum mobile van een killer. Het kon en mocht niet. Marco schuifelde als een houten pop over het podium. De caromboles, de fluwelen touch, de fonkeling uit de wreef leken ineens van een andere eeuw. De stoïcijn als reserve van zichzelf met de geur van een ouwe ruïne, zo keek hij de wereld in. Een dansende derwisj geveld door een paar rondvliegende kraakbeensplinters, begin dan maar aan de vergeestelijking van het noodlot! Een lijflustige god die het moet afleggen tegen een ziek enkeltje... absurder kan een ontluistering niet zijn. Ik wil Marco in brons laten gieten voor het te laat is.

Gelukkig, niet alles ging stuk. Achter de versplintering van oude zekerheden en antieke heroïek slingerde het voorbije sportjaar zich toch weer binnen de cultuurbaan van het Nederlandse volk naar een nieuwe dageraad: Feyenoord werd kampioen en MVV bleef in het feodale landschap van corruptie ruisen als een klank van liefde. De Utrechtse doelman Van Ede had, na een lichtvoetige bekentenis, voor een keer voetballer van het jaar kunnen worden. Verblind door de wellust van een extra-zakje drop liet hij de eer aan Jacques Glassmann, de Monsieur Propre van Valenciennes. De eeuwige doem van de gemiste kans, zou dat niet de hel van deze moerasdelta zijn? Hoewel: misschien ligt juist daarin de grootste charme van Oranje, de laatste vertedering.