'Onze hobby wordt gecriminaliseerd'; Vuurwerkmakers ergeren zich aan waarschuwingen

ROTTERDAM, 31 DEC. De Nederlandse Pyrotechnische Vereniging Barbara ergert zich aan de campagnes die dezer dagen tegen vuurwerk worden gevoerd. “Het vuurwerk wordt in een kwaad daglicht gesteld”, zegt voorzitter René Pützfeld van de veertig leden tellende hobbyclub. Hij klaagt over de “terreur” van een “anti-vuurwerklobby” die heeft geleid tot affiches en televisiespots van de Stichting Ideële Reclame (SIRE) met de slogan 'Je bent een rund als je met vuurwerk stunt', tot een harde campagne van de stichting Consument en Veiligheid en aandacht van de media voor een zeventienjarig schoolmeisje dat zich als tegenstander van het knallen heeft opgeworpen.

Ook het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) en TNO treft volgens de vereniging blaam. Deze zouden elkaar proberen te overtroeven in pseudo-wetenschappelijke uitspraken en stemmingmakerij. “Het vuurwerk wordt gecriminaliseerd”, aldus Pützfeld. De vereniging wil volgend jaar, mits financieel haalbaar, eveneens een vuurwerkcampagne voeren. “Maar dan eentje uit een iets ander oogpunt, gevoerd vanuit een stukje idealisme.”

De in mei vorig jaar opgerichte vereniging Barbara, vernoemd naar de beschermheilige van de vuurgevaarlijke beroepen, heeft tot doel het bevorderen en stimuleren van de studie van de pyrotechniek, het beleven van vuurwerk in de meest ruime zin des woords en het behartigen van de belangen van de leden in de meest algemene zin, met inachtneming van de terzake uitgevaardigde wetten en voorschriften. Tot voor kort werden er op de maandelijkse bijeenkomsten niet al te grote pyrotechnische experimenten getoond. Illegaal, want vergunningen worden alleen afgegeven aan handelaren. Wegens de risico's van overlast is aan de demonstraties een einde gemaakt.

Ondeskundig zijn de leden van Barbara echter allerminst. “Branieschoppers die strijkerskruit in een glazen pot stoppen, komen er bij ons niet in”, aldus de 37-jarige scheikundeleraar. Het ledenbestand vormt “een goede doorsnee van de hoger opgeleide Nederlandse samenleving”. Zelf maakt Pützfeld al sinds zijn tiende jaar vuurwerk. “Alle jongens krijgen er rond hun achtste jaar belangstelling voor. Bij de meesten ebt dat na hun achttiende jaar weg, bij mij is het gebleven. In zoverre kun je van een afwijking spreken. Een prettige afwijking.”

De bezwaren tegen het afsteken van vuurwerk zijn bekend: gevaarlijk, verkwistend en slecht voor het milieu. Dat zijn vooroordelen, meent Pützfeld. “Wie tijdens het afsteken met zijn hoofd boven een vuurpijl gaat hangen, krijgt hem in zijn oog”, beaamt hij. “En wie op oudjaarsavond om negen uur begint te drinken en om twaalf uur met een met alcohol volgeladen hoofd vuurwerk gaat afsteken, loopt risico. Iedereen wijst er het hele jaar op dat alcohol en verkeer niet samengaan, maar niemand heeft het erover dat vuurwerk en alcohol niet samengaan.” Dat vuurwerk verkwistend zou zijn, ontkent Pützfeld niet. “Er is pas een Duits boek over vuurwerk verschenen met als titel 'Die schöne Kunst der Verschwendung'. Dat zegt genoeg. De mensheid is altijd gefascineerd door vuur. Lees er het boek van de socioloog Goudsblom maar op na. Vroeger ging het de mensheid alleen om het nut van vuur, later zijn wij het genieten van vuur gaan cultiveren.”

Met pyromanie heeft het genieten van vuur niets te maken. “Dat is ziekelijk, daar bemoei ik me niet mee”, zegt Pützfeld. “Pyromanie heeft met mij totaal geen aanrakingsvlakken. Er zijn mensen die urenlang naar een brandend huis staan te kijken. Ik ga daar mijn huis niet voor uit. Voor mij bestaat het genot uit de moeilijkheid om vuurwerk te maken. Het is namelijk verdraaid moeilijk.”