Kippevel

Het klassieke mysterie is dat van het Monster van Loch Ness. Iedereen weet dat het niet bestaat, iedereen kent dat fotootje uit 1930, 's nachts genomen, waarop een zwarte brontosaurus met oostindische inkt op een zwarte watervlakte is gepenseeld, en toch worden telkens weer expedities uitgerust, met sonar, netten en duikerklokken om het meer af te zoeken. Het mysterie van het Monster is dat van de mysteriemonkelaars, Engelsen en anglofielen, die verenigd zijn in clubs, de spookhuizen beschermen, hun jaarvergadering op een kerkhof houden, enz. Oscar Wilde heeft een verhaal over deze liefhebberij geschreven, over een spook dat iedere nacht een vlek op het tapijt maakte. Die 'manifestatie' - een spook 'manifesteert' zich - werd iedere ochtend door het gezin opgetogen ontdekt en verwijderd met Pinkerton's Wonderbare Vlekkenverdrijver. Dit spook van Wilde is het enige van de soort dat me aanspreekt.

Het echte mysterie is geen uitnodiging tot ingewijd monkelen; je krijgt er een ogenblik, onwillekeurig, kippevel van op je benen. Omstreeks een half jaar geleden stond er een verhaaltje in The New Yorker over iemand die op het station Union Square van de ondergrondse een kleine portefeuille had gevonden. Hij keek erin om vast te stellen wie de eigenaar was. Het bleek een vrouw te zijn, Catherine Clapman, 33 jaar, adres en telefoonnummer stonden erbij. Hij stak de portefeuille in zijn zak en verheugde zich erop, haar die avond te bellen met de opluchtende mededeling. De hele dag was hij in een uitstekend humeur. Hij stelde zich voor hoe blij ze zou zijn, hoe hij zijn vondst zou terugbrengen, hij maakte zich een voorstelling van Catherine Clapman, een interessante, levendige vrouw met wie hij in haar huiskamer (moderne kunst waaronder een reproductie van Mondriaan) nog een kop koffie zou drinken. Dan zou hij weer zijns weegs gaan, haar waarschijnlijk nooit meer zien maar zijn leven lang deze herinnering aan zijn eigen eerlijkheid met dit aangename gevolg bewaren. Of ze wilde het verloren voorwerp bij hem komen halen. Toen hij die avond thuis kwam inspecteerde hij eerst de woonkamer. Voor ze kwam zou hij in ieder geval moeten stofzuigen.

Hij draaide haar nummer en hoorde een mannenstem die hallo zei.

'Mag ik mevrouw Catherine Clapman spreken?''

De stem aan de andere kant werd koud van wantrouwen. 'Wie bent u? Wat wilt u?''

'Ik heb een aangename mededeling voor haar.''

'Bent u gek geworden?''

'Ik spreek toch met het huis van Catherine Clapman?''

'Catherine Clapman is vandaag tien jaar geleden gestorven.''

Doodsbleek van schrik stotterde de eerlijke vinder zijn excuus, en daarbij was hij blijkbaar zo geloofwaardig dat de man aan de andere kant hem zijn nadere verklaring toestond. In het daarop volgend gesprek bleek dat precies tien jaar geleden in de ochtendspits Catherine Clapman zich op het station Union Square voor de trein had gegooid.

Dit bedoel ik met het ware mysterie dat ons kippevel bezorgt, ook al omdat het niet in een onzinblaadje is afgedrukt maar gepubliceerd door een betrouwbaar weekblad als The New Yorker. Waarschijnlijk heb ik bij het navertellen de feiten niet helemaal goed weergegeven, maar het gaat om de strekking. Sommigen onder ons worden plotseling geconfronteerd met een volstrekt onoplosbaar raadsel waaraan - laten we dat niet vergeten - nog een raadsel is toegevoegd. Waarom, in het hierboven beschreven geval, moest juist deze man de portefeuille van Catherine Clapman vinden? Dat zal hem pas veel later duidelijk worden. Ieder mysterie dat die naam mag hebben, dient zich in volstrekt eigen vorm aan en heeft zijn eigen innerlijke logica die zichzelf langzaam maar zeker ontrafelt. Het kan u vandaag nog overkomen, of mij, iedere sterveling. Bedenk dat de oplossing (als die er al is) zich nooit laat forceren.

Een heel ander mysterie is dat van de tapijtkever. Daarmee is het enigszins gesteld als met het Monster van Loch Ness, met dit verschil dat de tapijtkever werkelijk bestaat - al is hij niet met het blote oog waar te nemen. Zoals het Monster heeft de tapijtkever in de media zijn conjunctuur. Het zal nu ongeveer anderhalf jaar geleden zijn dat de kranten vol stonden met nieuws over de tapijtkever. We herinneren ons in de eerste plaats de foto's: bleke, kreeftachtige diertjes met poten als garnalen en een vervaarlijke kaakstructuur. In de door de wetenschapsredacteuren geschreven artikelen stond dat er geen tapijt in huis was of daar woonden wel een paar honderd kevers. In tegenstelling tot de mot voedde de kever zich niet met textielvezels maar met allerlei andere zaken die in het tapijt voorkomen. Toen anderhalf jaar geleden de conjunctuur zijn hoogtepunt bereikte begonnen de kinderen expres te morsen: voor de tapijtkevers. Dierenliefhebbers kropen met een vergrootglas over het tapijt in de hoop er een te spotten.

Opeens was het met de publiciteit afgelopen. De kevers waren niet verdwenen maar andere zaken vroegen de aandacht. Niettemin, in deze dagen is het tapijt voor de kevers weer een Luilekkerland. Terwijl u dit stukje zit te lezen worden er onder uw zolen feestmalen gehouden. Ook dat is een mysterie waarover we niet vlug uitgedacht raken.