Kanovaarder op een wilde stroom; J. Bernlef over jazz

J .Bernlef: Schiet niet op de pianist - Over jazz. Uitg. Querido, 220 blz. Prijs ƒ 39.90.

Als sportjournalisten meer literaire boeken zouden lezen, zouden hun stukken dan leesbaarder worden? Het valt te betwijfelen; veel sportverslagen staan vaak nu al zo boordevol beeldspraak dat je er met moeite achterkomt wie nu eigenlijk de wedstrijd won. Toch wordt het lezen van literatuur door J. Bernlef aanbevolen aan hen die schrijven over jazzmuziek. Nietszeggende clichés als 'keihard swingend' en 'knetterende en spetterende soli' zouden dan plaats kunnen maken voor de 'adequate transpositie van het, in wezen niet in woorden te vangen, tijd/ruimte-moment waarin het jazzgebeuren zich afspeelt, in overdrachtelijke beelden die het onherhaalbare muzikale moment in ieder geval op indirecte wijze kunnen oproepen'.

Oef en oei. Wat Bernlef hier voorstelt, is niet alleen idealistisch maar ook tamelijk onredelijk. Aan journalistieke verslagen literaire eisen stellen is net zoiets als een jazz-improvisatie beoordelen naar compositie-normen. 'De essentie van de jazz is dat zij van voorbijgaande aard is' schrijft Bernlef in hetzelfde essay. Zou voor de verslagen over die muziek dan niet hetzelfde gelden? Hoe moeilijk het is zowel snel als mooi over (jazz)muziek te schrijven, blijkt als Bernlef in 1990 voor de kunstpagina van de Volkskrant zelf een paar dagen de loopgraaf in mag. In een verslag van een concert van Cecil Taylor wordt deze pianist vergeleken met een boom, waaraan tijdens het spelen takken en ritselende bladeren groeien. Een alinea verder wordt gemeld dat saxofonist Peter van Bergen zijn 'hoekige verhaal' op 'de golven van Taylors pianospel (-) overeind hield.' Een boom die golven veroorzaakt, het lijkt heel bijzonder maar het is niks bij het wonder aan het eind van het stuk, wanneer Taylor terugkeert als een vulkaan die elke dag weer anders uitbarst. Geen wonder dat je je als lezer net zo gaat voelen als de luisteraar van destijds in de woorden van Bernlef: 'als een kanovaarder op een wilde stroom'. Dit is geen jazzverslag maar een mirakels verhaal over natuurverschijnselen.

Veel beter is Bernlef op dreef als hij van een afstand zijn favoriete musici beschrijft die - het kan geen toeval zijn - van introvertie en isolement aan elkaar hangen. Lennie Tristano leefde als een kluizenaar, zijn leerling Warne Marsh woonde en werkte in een 'watten doos' en had een toon alsof hij zat 'opgesloten in een pressure-cooker', de muziek van Thelonious Monk is 'ongemeubileerd' en heeft 'kale muren', Lester Young was een 'saxofonist in een kast' en Paul Bley speelt 'lijstjes rond stilte'. De muziek van Bernlefs anti-helden is wars van gezelligheid, en gaat uit van goede verstaanders. Voor Bernlefs teksten geldt ongeveer hetzelfde.

Nostalgisch is het stukje over Hoagy Carmichael, heel helder het interview met Theo Loevendie. In dit laatste stuk, dat vorig jaar in het Cultureel Supplement verscheen, wordt de verhouding tussen improvisatie en compositie behandeld, een belangrijk en aanhoudend thema. Ook de vraag waar het in de jazz om gaat, duikt telkens weer op: proces of produkt, levende concerten of dooie registraties. Bernlef wantrouwt fans die alleen maar platen beluisteren omdat opnamen slechts een 'uitsnede uit een veel groter geheel zijn'. Toch probeert ook hij klanken op de vergetelheid buit te maken. 'Het is die obsessie die mij iedere keer weer met verlangen en hoop naar de platenwinkel drijft.' Jazzliefhebbers die met eenzelfde gevoel naar boekwinkels rennen moeten wel weten dat de kafttekst van Querido nogal verhullend is. Bijna alle opgenomen stukken verschenen eerder, een deel zelfs gebundeld. Vier lange artikelen in de Jazzjaarboeken van Van Gennep (met zoeke in de ramsj), die over Dodo Marmarosa, Serge Chaloff, Lennie Tristano, Lee Konitz en Warne Marsh in kortere vorm in de bundel Perfectie met een gaatje uit 1981 en De Nadagen van Oom Agent in het in 1991 verschenen jazzfotoboek van Ed van der Elsken (uitgeverij Fragment). Voor jazzomanen is dat natuurlijk geen enkel bezwaar, omdat die, net als Bernlef zelf, gedreven worden door een kwellend gevoel: 'De gedachte dat er meer moet zijn.'