Ik weet het niet

Hoewel ik mijn vakanties tegenwoordig aan zee pleeg door te brengen, ben ik niet zo iemand die wegloopt met de zee, die al zijn vrije tijd op het water doorbrengt en vis vangt om te eten.

Omdat alles in de genen zit, tot aan deze syntax toe (men zegt dat de mogelijkheid tot zinsvorming niet wordt aangeleerd, maar dat die aanwezig is in de genen) moet ik in mijn familie terugblikken om mezelf in perspectief te zien en dan zie ik een aantal deels boerse, deels stadse mensen, die zich onledig hielden met schetsen, voordragen, spelletjes en het schrijven van boeken. Ik moet daarvoor redelijk ver terug, want mijn vader was de enige versjesschrijver van elf kinderen, de anderen deden aan jagen en vissen, en daar was hij, mijn vader, ook niet vies van, hoewel hij niet zo ver ging als mijn oom Henk, die Hein Bloed genoemd werd. Mijn beide grootmoeders kwamen uit, wat toen heette, de heffe, maar hadden wel een uitzonderlijke schoonheid, waardoor ze beiden een partner ver boven hun stand troffen. De ene verwekte een onecht kind, mijn moeder, maar van trouwen was geen sprake daar hij een edelman en zij het dienstmeisje was. Aan mijn vaderskant kwam het wel tot een huwelijk, met het bovengeschetste kinderrijke gezin. Van die beide vrouwelijke lijnen is me dus verder niets bekend, maar ook daar vermoed ik geen zeelieden. Alles woonde veilig achter de duinenrij en men schoot vogels en men keek ernaar. Mijn vaders grootste vriend was de houtsnip, die in zigzag-koers vliegt en derhalve slecht te raken is. Dat verhoogde het sportieve element.

Verder was de familie weliswaar niet geïnteresseerd in boeken, maar mijn overgrootmoeder bracht vogelkennis mee uit een literair gezin. Toen haar broer Jacob in het midden van de negentiende eeuw de Keukenhof bezocht, wees hij de boswachter, die een rondleiding verzorgde, op een zeldzame vogel. 'Dan ben je of de duvel zelf”, zei de man getroffen door die kennis bij een stads iemand, “of Kootje van Lennep zelf.”

Het is dus niet verwonderlijk, wil ik maar zeggen, dat ik de landzijde koos en me af en toe tot vogels richt, en me afvraag wat zij vinden.

Ik weet heus wel dat het toekennen van menselijke eigenschappen aan dieren een voor de hand liggende maar riskante bezigheid is. Het sprekende dier uit de sprookjes bestaat niet, zo leert men ons. Maar de laatste tijd tonen onderzoekingen toch aan dat de dieren wel degelijk nadenken en zelfs abstract kunnen denken. Dat een school vissen of een mierenvolk een gezamenlijk brein hebben, in grootte te vergelijken met dat van een middelgrote vogel. Dat een octopus buitengewoon intelligent is en bij kwaadheid rood wordt, zelfs een kwaad gedeelte kan hebben, een kwade helft. Dat bomen bij de komst van rupsen op àndere bomen, rupsafwerende stof gaan produceren, op voorhand. Kortom, dat er het een en ander aan de hand is in het dierenrijk wat ons in het hiernamaals, zo leert de moederkerk, geopenbaard zal worden.

Net als alle andere mysteries (je had vroeger in Franse bioscopen een ijsje dat 'Mystère' heette. De naam diende lispelend te worden uitgesproken).

Op dit moment zijn er in tal van plaatsen (Wales, België, Miami, Los Angeles) experimenten gaande waarbij autistische kinderen en zwakbegaafden in contact worden gebracht, fysiek dan, met dolfijnen, die zoals we weten een naar verhouding groot brein hebben en een vocale communicatie die voor ons volstrekt onbegrijpelijk is. De resultaten zijn interessant. De patiënten gaan vooruit. Ze hebben er baat bij. Hoe zit dat?

Ik geef toe dat een dolfijn er leuk uitziet, naar menselijke maatstaven dan, net als het koalabeertje, waarvan we geleerd hebben dat het een scheppingsfout is (dit beertje is namelijk tegen heug en meug overgegaan op de consumptie van suikerriet, waar zijn maag niet op berekend is. Hij moet de hele dag door eten om aan zijn calorieën te komen en trekt een spoor van diarree door de rietvelden), in tegenstelling tot de intelligente inktvis die in het geheel geen schattige indruk maakt, maar het misschien best is.

Niemand kan zich onttrekken aan de gedachte dat de zo menselijke gorilla iets denkt als hij ons peinzend vanachter de tralies observeert. Het is pijnlijk en unheimisch om er voorlangs te lopen.

En wat denkt uw kat of hond van u?

Er is een vlinder in Brazilië die op zijn vleugels, aan de binnenzijde dan, een tekening heeft, in kleur, van een aanvallende uil. De tekening is nogal gedetailleerd en het effect ervan wordt vergroot doordat de vlinder de vleugels snel laat trillen. Hiermee schrikt de vlinder 's nachts vogels af.

Als je goed kijkt zie je dat de getekende ogen van de uil twee witte puntjes hebben, alsof het maanlicht op de iris weerkaatst wordt. Nu is mijn vraag: die verfijning is een keer in de evolutie aangebracht. Maar door wie? De vlinder kan zichzelf niet zien, noch het effect. Er waren eens vlinders zonder die vlekjes. Die werden dus eerder opgegeten door vogels die dachten: Hé, die maan weerspiegelt niet, het is een fake-uil. Terwijl het soort-met-de-vlekjes overleefde.

En mag ik ten slotte opmerken dat de hele tekening op zijn kop is aangebracht, daar de vlinder ondersteboven aan een tak hangt des nachts. Waren er ook vlinders die per ongeluk een prachtige tekening hadden maar waarbij de vogels dachten: Waarom valt die uil eigenlijk ondersteboven aan?

Er valt mij in het hiernamaals veel uit te leggen.