Het wonder van Drees en Zijlstra

Het contrast met het afgelopen jaar 1993 kan nauwelijks groter zijn. 1953, iedereen was aan het werk. Omvangrijke emigratie omdat Nederland vol was. De christelijke partijen verzetten zich in het parlement tegen de staatsloterij. De wet op de zondagsrust werd aangenomen. Industrialisatie als hoeksteen van het economisch beleid. Overeenstemming over een centrale loonmaatregel. Een kabinetsnota beval televisie aan voor maximaal twaalf uur per week.

Het was een buitengewoon rustig jaar waarin Nederland tevreden groeide en dr. W. Drees met strakke hand het in 1952 aangetreden kabinet van PvdA, KVP, ARP en CHU leidde. Het jaar van de watersnoodramp en van de dood op oudejaarsavond van Albert Plesman, oprichter van de KLM.

“Het was een ongelooflijk jaar”, zegt dr. Jelle Zijlstra, die in 1952 als 34-jarige minister van economische zaken namens de Anti-Revolutionaire Partij de politiek was ingerold. “Ik herinner me het nog goed, een heel plezierig jaar om te regeren. Het zat tussen de uitloop van het succesvolle herstel na de oorlog en het begin van de normale spanningen die zich enkele jaren later voordeden.” 1953, zegt Zijlstra, was “een jaar waarin het beter ging dan de mensen verwachtten. De werkelijkheid overtrof de verwachtingen keer op keer.”

“Je kon in die tijd de economie met de pink sturen. Toen ik net op het ministerie van economische zaken zat, dacht ik wel eens: is dit nou alles?” vertelt de oud-minister, oud-premier en oud-president van De Nederlandsche Bank.

De Nederlandse economie had zich in de jaren na 1945 dank zij de Marshall-hulp behoorlijk hersteld van de oorlogsschade en het verlies van Indië. Tegen 1950 leek de zaak redelijk op orde. Maar toen brak de Korea-oorlog uit met als gevolg dat de grondstoffenprijzen op de wereldmarkt met vijftig procent stegen. Dat onderbrak het Nederlandse herstelbeleid, want de importen werden duurder, de betalingsbalans sloeg uit het lood en de moeizaam aangevulde goud- en deviezenvoorraad begon weer te slinken. En deviezen waren onmisbaar om grondstoffen en machines te importeren. In 1951 besloot het eerste kabinet-Drees om de bestedingen af te knijpen door de prijsstijgingen slechts voor de helft te compenseren in de lonen. Ook de investeringen werden ontmoedigd.

De versobering werkte: halverwege 1951 sloeg het tekort op de betalingsbalans weer om in een overschot. En in 1953 liep de economie als een trein: de werkloosheid - exclusief de werkverschaffing van 15.500 banen bij de DUW, de Dienst Uitvoering Werken - daalde van 176.000 eind 1952 tot 61.000 personen midden 1953, nog geen 2,5 procent van de beroepsbevolking. Er was sprake van toenemende schaarste op de arbeidsmarkt. De industriële produktie nam met tien procent toe, de lopende rekening van de betalingsbalans (Zijlstra: “daaraan werd het wel en wee van de economie afgemeten”) vertoonde een overschot van 1,2 miljard gulden en de deviezenvoorraad groeide aan tot 4,5 miljard.

Alom was er bewondering voor het 'Nederlandse wonder'. Het gerespecteerde Britse weekblad The Economist schreef lovend over Nederland: “Holland's transformation from one of the most chronic deficit countries in Europe to its present position of strenght has been achieved within the space of two years”.

Het muziekblad Tuney Tunes van 1953 bevatte namen van sterren die lang zijn vergeten en liedjes van vóór de Rock & Roll-manie. Seven lonely days van Bonnie Lou, in de Nederlandse versie Zeven dagen lang uitgevoerd door het Orkest Zonder Naam. Veel Eddie Christianie: de Rosemary Polka, Strand van mooi Havana en Wil jij een beetje van me houden. Frankie Lane en Eddie Fisher waren populair, de eerste met Answer me, I believe en Hey Joe, de tweede met Downhearted, I'm walking behind you en Lady of Spain. En natuurlijk How much is that doggie in the window door Patti Page.

In de nacht van 31 januari op 1 februari joeg de razende noordwesterstorm het opgestuwde water door de dijken van de Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden. In de watersnoodramp vonden 1.835 mensen de dood, ruim 72.000 mensen werden geëvacueerd, 2.600 woningen vernietigd, 20.000 hectate grond kwam onder water. De produktiederving werd geschat op 200 miljoen gulden. Naar het aantal slachtoffers gemeten was de watersnoodramp in 1953 de derde natuurramp ter wereld - na een hittegolf in Pakistan en een wervelstorm in Japan.

Schoolkinderen verzamelden speelgoed voor kinderen in het rampgebied, familieleden schoten elkaar te hulp. Op 2 februari 's avonds hield premier Drees een radiorede: “Groot zijn helaas de verliezen aan mensenlevens. Er is veel geleden, ook door die ontsnapt zijn aan de dood in de golven.” En ook: “Prachtig is de geestdriftige bereidwilligheid van zeer velen om zich persoonlijk voor alle arbeid en alle steunverlening beschikbaar te stellen... De betrokkenen kunnen rekenen op een krachtige aanpak, waarbij de regering zich gesteund weet door U allen.”

Er kwam een Delta-commissie die al op 9 juli met adviezen kwam: verhoging van de dijken op Schouwen Duiveland en de bouw van een stormvloedkering bij Krimpen aan de Lek. Binnen een jaar kwam het Delta-plan met het voorstel de zeegaten van zuidwest-Nederland af te sluiten. In de nacht van 6 op 7 november 1953 was het laatste dijkgat gedicht. De kosten van de noodhulp voor de watersnoodramp, 860 miljoen gulden, werden moeiteloos uit de rijksbegroting gefinancierd. Zijlstra: “De belastingontvangsten vielen enorm mee, de noodhulp was makkelijk te betalen.” In de troonrede op Prinsjesdag sprak koningin Juliana over de watersnood, “die zoveel leed bracht en zoveel schade aanrichtte. Onafscheidelijk zal daarmede verbonden blijven de heugenis aan het ontroerend medeleven in binnen- en buitenland, aan de warme spontaniteit waarmede hulp werd geboden en aan de betoonde offervaardigheid.”

De bioscopen vertoonden dat jaar Roman Holiday met Audrey Hepburn - die toch een beetje van Nederland was - en Gregory Peck. Jacque Tati's Les vacances de monsieur Hulot beleefde zijn première, in How to marry a millionaire waren Marily Monroe, Betty Grable en Lauren Becall te bewonderen. Of anders Doris Day in Calamity Jane. En de Nederlandse speelfilm maakte zijn na-oorlogse rentree op het witte doek: Sterren stralen overal met Guus Oster, Hans Kaart en Leo de Hartogh en met muziek van Bert van Dongen.

In 1953 telde Nederland 10,4 miljoen inwoners, tweederde van het huidige aantal inwoners. Toch werd Nederland als 'vol' ervaren en werd een actief emigratiebeleid gevoerd. Van de 49.000 Nederlanders die in 1953 emigreerden, ging de helft naar Canada, de rest naar Australië, Zuid-Afrika en in mindere mate Zuid-Amerika. Begin 1953 sloot Nederland een emigratie-akkoord met Argentinië; Brazilië stelde geld beschikbaar om bij te dragen aan de kosten van de overtocht van Nederlanders.

De emigratie werd niet alleen gevoed door de onzekere toekomst van Nederland en de Russische dreiging in de Koude oorlog. De 'overbevolking' waarover toen geschreven werd, had te maken met de na-oorlogse bevolkingsgroei en met de economische structuur. Nederland leunde direct na de oorlog zwaar op de landbouw: een kwart van de bevolking werkte in de landbouw. Dat percentage begon onder invloed van de wederopbouw te verschuiven, maar in 1953 woonde nog 43 procent van de bevolking in plattelandsgemeenten met minder dan 20.000 inwoners. De armoede op de zandgronden, het gebrek aan land voor grote boerengezinnen en de modernisering van de landbouw zouden tot een ontvolking van het platteland leiden. Daarom, schreef de socioloog prof. Sj. Groenman in 1955 in de bundel Tien jaar economisch leven in Nederland 1945-1955, heeft Nederland na de oorlog twee prioriteiten: industrialisatie en emigratie.

“De primaire verantwoordelijkheid voor welvaart en werkgelegenheid rust op de schouders van de industrie”, schreef prof. G. Brouwers, secretaris-generaal van Economische Zaken in dezelfde bundel.

Aan de dienstensector werd geen aandacht besteed. Rokende schoorstenen, verspreid over het land, moesten nieuwe banen leveren. Veel ophef werd dan ook gemaakt van de opening van de Breedband-walserij van Hoogovens in IJmuiden en van de Sodafabriek in Delfzijl. De steenkolenmijnen van Limburg produceerden nog volop, 12,3 miljoen ton kolen. Ter versterking van de technische kennis werd het besluit werd genomen om in Eindhoven een tweede Technische Hogeschool te vestigen. In de buurt van Philips, natuurlijk. En: niets werktijdverkorting, de zesdaagse werkweek duurde van maandagochtend tot en met zaterdagmiddag.

Internationaal was 1953 een bewogen jaar. Op 5 maart overleed Jozef Stalin, de eerste partijsecretaris van de communistische partij van de Sovjet-Unie. In de machtsstrijd om de opvolging van Stalin viel Beria, de chef van de KGB, in juli in ongenade. Na een proces achter gesloten deuren werd hij in december terecht gesteld. Ook Malenkov verdween van het toneel. De opkomende machthebber in de Sovjet-Unie was Nikita Chroestsjov, na Stalins dood benoemd tot partijsecretaris.

Op 17 juni kwamen de arbeiders in Oost-Berlijn in opstand, met Sovjet-hulp werd de opstand neergeslagen. In Korea sleepte de rechtstreekse confrontatie met het communisme zich al drie jaar voort. Op 27 juli 1953 werd de wapenstilstand van Panmunjon gesloten en kwam een einde aan de oorlog. Korea werd langs de 38-ste breedtegraad verdeeld.

In Europa was de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal aan zijn eerste volledige jaar begonnen en werd onderhandeld over een Europese Defensiegemeenschap, die een jaar later zou vastlopen op Frankrijk.

De Zweed Dag Hammerskjoeld volgde de Noor Trygve Lie op als secretaris-generaal van de Verenigde Naties. De wereld volgde geroerd de kroning van de jonge Elisabeth II tot koningin van Groot-Brittannië en het Gemenebest. In Perzië werd met hulp van de oliemaatschappijen en de CIA de linkse Mossadeq afgezet en kwam shah Reza Pavlevi terug op de troon. De Nobelprijs voor de vrede werd in 1953 gedeeld door Albert Schweitzer, de dokter van Lambarene, en George Marshall, die in 1948 het Amerikaanse plan voor hulp aan het verwoeste Europa had gelanceerd. De Nederlandse geleerde Frits Zernike won de Nobelprijs voor natuurkunde voor zijn uitvinding van de fase-contrastmicroscoop.

Onder Zijlstra's voorganger op Economische zaken, Van den Brink, was besloten jaarlijks een Industrialisatienota uit te geven. In 1953 kwam de vierde nota uit, een kernachtig pleidooi voor planning van de economie. Zijlstra zelf besloot een afdeling Algemene Economische Politiek aan het departement toe te voegen, om te beschikken over een paar economen met wie hij in debat kon gaan. De eerste chef was (toen nog) drs. Jan Pen, de latere populaire hoogleraar. “Het was 'meneer Pen' en 'excellentie' in die tijd”, herinnert Zijlstra zich.

Zodra de Europese conjunctuur aantrok, profiteerde Nederland enorm, vertelt Zijlstra. Dat was te danken aan de lage loonkosten, ook al gaven die problemen met België. De Benelux - in 1944 opgezet als eerste stap naar Europese samenwerking - stelde veel voor in die jaren. Op een Benelux-conferentie in Knokke beklaagden de Belgen zich bij Drees over het lage Nederlandse loonniveau, dat de helft van het Belgische bedroeg. 'Zij de luxe en wij de benen', beweerde België. Drees was niet onder de indruk, vertelt Zijlstra. De Nederlandse lonen zouden pas omhoog gaan als we het verdienen, betoogde de premier.

De loonvorming was een kwestie van centrale sturing. Het Centraal Planbureau - opgericht in 1945 door prof. Jan Tinbergen - kwam ieder jaar met een centraal economisch plan. Dat regelde “een rigoreuze verdeling van produktie- en consumptiegoederen, gaf de in- en uitvoerpolitiek en de prijs- en loonpolitiek aan”. Het werd besproken in de Stichting van de Arbeid (1945), vanaf 1950 ook in de Sociaal-Economische Raad. Vervolgens gingen de instructies naar het Collge van Rijksbemiddelaars (een adviesorgaan voor de loonpolitiek dat van 1945 tot 1970 bestond), die de hoogte van de loonstijging vaststelden. Voor 1953 was er niets beschikbaar, op 1 januari 1954 gingen alle lonen met vijf procent omhoog. Het was een compensatie voor huurverhogingen, die altijd gedonder in het parlement gaven, en voor de afschaffingen van de laatste consumentensubsidies, op melk en brood.

Het harmoniemodel van werkgevers, werknemers en overheid paste het Keynesiaanse economische sturingsmodel perfect. De jaren vijftig waren het tijdperk van “opgaan, blinken en verzinken van het harmoniemodel als instrument van effectieve economische politiek”, schrijft Zijlstra in zijn memoires. De consensus was groot, de 'leidende figuren' uit het bedrijfsleven, de vakbeweging en de overheid ontmoetten elkaar geregeld en bepaalden wat er moest gebeuren. “Soms namen we moeilijke beslissingen bij mij thuis onder het genot van een kopje thee”, vertelt Zijlstra.

Op sportgebied was het een mager jaar. Het Nederlandse amateurvoetbal stelde internationaal niets voor, Faas Wilkes speelde bij Inter Milan als beroepsvoetballer en ook enkele andere Nederlanders waren voor het geld naar het buitenland gegaan. RCH uit Heemstede werd in 1953 kampioen van Nederland. In de Tour de France eindigde Wout Wagtmans als best geplaatste Nederlander op de vijfde plaats en won de ploeg van Kees Pellenaars het ploegenklassement. En er waren nog wat Nederlandse winnaars: Maus Gatsonides won in een Ford Zephyr de Ralley van Monte Carlo en Kees Broekman werd Europees schaatskampioen.

Op de rijksbegroting vielen zowel de uitgaven als de inkomsten in 1953 hoger uit dan was geraamd. De hogere uitgaven waren het gevolg van de noodhulp voor de watersnoodramp, dank zij de groei vielen de belastinginkomsten mee. Uiteindelijk werd het jaar afgesloten met een tekort van 596 miljoen gulden, minder dan drie procent van het nationale inkomen dat 21 miljard gulden bedroeg. In 1953 werden twee staatsleningen uitgegeven, tegen 3 procent rente, en de staatsschuld bedroeg 11,3 miljard gulden (de helft van het bnp). Op Prinsjesdag 1953 presenteerde minister van financiën Van der Kieft (KVP) de miljoenennota voor 1954 met 5,5 miljard inkomsten, 6,5 miljard uitgaven en een tekort van bijna een miljard gulden. Dat wel.

Tegen het einde van het jaar kwam de jonge minister van O&W, Jo Cals, met een nota over het televisiebestel. Twaalf uur televisie in de week, te verzorgen door de bestaande omroepverenigingen. Geen uitzendingen op zondag, uiteraard, daarvoor had de wet op de zondagsrust juist bepaald dat het “verwekken van gerucht in de nabijheid van kerken” verboden was. Cals schreef dat televisie “een waardevol instrument tot bevordering van de culturele ontwikkeling en tot verbetering van de ontspanning is. De betekenis als medium ter informatie mag niet worden onderschat.”

Nederland telde in 1953 nog geen tienduizend tv-toestellen en er werd geëxperimenteerd met proefuitzendingen. “Drees vond het maar niets”, herinnert Zijlstra zich. “Hij vroeg zich af wat je met die rommel op de televisie moest. Maar Philips drukte het door. Het wilde een thuismarkt en exporteren. Philips is toen nog bij me geweest om protectie op de invoer van tv-toestellen te vragen maar ik heb ze gezegd dat ik daar niet aan begon.”

De sociale zekerheid was mager, de grote hausse van sociale zekerheidswetten moest nog komen. Wel werd een wetsvoorstel aangekondigd op het verbod van arbeid in de industrie voor 14-jarige meisjes. Het reële inkomen per hoofd van de bevolking steeg en lag in 1953 17,5 procent boven dat van 1948. De bruto-lonen waren vijfentwintig (administratief personeel), dertig (nijverheidsarbeiders) tot veertig (landarbeiders) procent hoger dan midden 1947. Het 'gemiddelde loon plus kinderbijslag per week van nijverheidsarbeiders van 25 jaar en ouder met twee kinderen beneden 16 jaar' bedroeg in 1953 bruto 68 gulden per week. Daar ging zes gulden aan belastingen en sociale premies van af, zodat netto 62 gulden in de week overbleef. Welvarend was Nederland nog niet, maar de materiële verbetering was overduidelijk. In de Troonrede kon koningin Juliana dan ook aankondigden dat de hulp die Nederland vanaf 1949 van de Verenigde Staten had ontvangen, in 1953 kon worden beëindigd.

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van het geheugen van dr. J. Zijlstra. Verder zijn de volgende bronnen geraadpleegd: J. Zijlstra: Per slot van rekening; Herstelbank 1945-1955, Tien jaar economisch leven in Nederland; CBS Statistisch zakboek 1954; Keesings Historisch archief; Ach ja, de jaren vijftig. Gegevens over films en muziek zijn verstrekt door het Nederlands filmmuseum en de NOB Muziekbibliotheek.