Het jaar zonder Europa

ER IS GENOEG rampspoed voorhanden om 1993 met een negatieve karakteristiek te gedenken. De Britse vorstin heeft het weliswaar bij haar 'annus horribilis' voor 1992 gelaten, maar achteraf was 1993 een nog geschiktere kandidaat voor die kwalificatie geweest. De economische stagnatie in Europa heeft zich gedurende de achterliggende twaalf maanden verdiept, de massawerkloosheid blijkt chronisch, aan de Bosnische gruwelen is geen eind gekomen, Rusland beweegt zich andermaal langs de afgrond van de zwartste reactie.

Nederland is zich in toenemende mate 'Europees' gaan gedragen: ook hier opnieuw een reeks van bedrijfssluitingen en -saneringen gepaard gaande met grootscheepse ontslagen, in het algemeen van personeel dat niet eenvoudig elders aan de slag komt. Het no-nonsensebeleid waarmee Lubbers I zoveel jaar geleden aantrad heeft het land niet, zoals beloofd, de middelen verstrekt waarmee een crisis kan worden afgeslagen. Integendeel, Nederland kampt nog steeds met de gevolgen van de verspilling die het zich sinds de jaren zeventig heeft veroorloofd. Het vangnet is ten langen leste onbetaalbaar geworden en moet nu worden dichtgeklapt op het moment dat de trapeze het wegens achterstallig onderhoud begeeft.

HET DEBAT OVER wat er moet gebeuren, beweegt zich intussen op de vertrouwde hoogte van het maaiveld, en kan het ook anders in een land dat zichzelf meer dan een decennium lang 'minder meer' als bezuiniging heeft verkocht. Noodzakelijke verbeteringen aan de nationale luchthaven, wenselijke nieuwe spoorverbindingen met Zuid en Oost, zaken die in de verte herinneren aan het elan van Uiver en de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij, stuiten op verzet en onbegrip. Provinciale bestuurderen beloven zoveel mogelijk obstakels om uitvoering van de plannen te verhinderen en slechts weinigen die ze daarop aanspreken. De vooruitgang moet maar ondergronds worden beleefd. De bovengrond is aan de bossen, de 'wetlands' en al het gedierte dat daar nu zo node wordt gemist. Nederland toont hier de behoudzucht van een samenleving op scharrelniveau.

Tegelijkertijd weigert die samenleving de tering naar de nering te zetten. Zo heeft het scheiden van afval geen vanzelfsprekende relatie tot de omvang van de consumptie, zomin als 'loodvrij' de autombilist met zorgen over luchtvervuiling vervult. In zekere zin werkt de 'groene' regelgeving als aflaat en dus averechts. Wie zijn etensresten getrouw apart opslaat, ervaart de emotie met dit offer het vaderland van de ondergang te redden. Het schetst het dilemma van een overheid die wordt geacht de paradox op te heffen van rijk blijven en groen worden.

IN HET 'NABIJE buitenland' heeft men andere prioriteiten. België staat voor het faillissement, financieel èn politiek. Nederland weifelt tussen voortzetting van de traditioneel hoofse omgang met wat er aan Belgisch rudiment over is dan wel te beginnen aan een ongebonden vrijage met het nieuwe Vlaanderen dat bezig is zijn emancipatie te voltooien. Om tot zijn schade te herontdekken dat het evenzeer aan Wallonië als aan Vlaanderen grenst, en dat het ene landsdeel niet straffeloos kan worden achtergesteld bij het andere. Een teloorgaan van België dreigt daarom wat Nederland betreft een nadelig saldo op te leveren.

De Nederlandse 'oriëntatie' op Duitsland laat zich het eenvoudigst als 'natuurlijk' omschrijven. Economisch is die oriëntatie een gegeven, en tussen 1963 - de permanente legering van Nederlandse troepen in de Bondsrepubliek - en 1989 is het op het gebied van veiligheid feitelijk niet anders geweest. Regeringsadviseurs hebben desondanks in het voorbije jaar het belang van die oriëntatie nog eens onderstreept. Dat had overigens meer te maken met een gewijzigde kijk van die adviseurs op de Atlantische verhoudingen dan op Duitsland als zodanig.

DUITSLAND zelf vertoont inmiddels steeds minder de vertrouwde trekken van de oude Bondsrepubliek waar het voor atlantici zo goed toeven was. Duitsland is bezig zich te hervinden als een Middeneuropese staat van betekenis, weliswaar verbonden geraakt met het Westen, maar nog lang niet daarin geïntegreerd. De Duitse nieuwsgierigheid richt zich op het Oosten en het zijn de binnenlandse problemen die Duitsland ervan weerhouden nu al de daad bij de gedachte te voegen. Die problemen zijn immens en komen maar voor een deel voort uit de hereniging. Met de nieuwe rijkdom ging zelfgenoegzaamheid hand in hand, en deze wordt nu als de voornaamste boosdoener beschouwd. Angst dat het onverwachte verval in politiek extremisme zal ontaarden, is de belangrijkste raadgever geworden.

In zekere zin behoort ook Frankrijk voor Den Haag nog tot het 'nabije buitenland', zij het dat de onderlinge betrekkingen door langdurige kiltes worden gekenmerkt. Het door premier Lubbers achteraf geopenbaarde bondgenootschap in de agrarische GATT-onderhandelingen scheen een incident, maar wellicht was er sprake van een poging tot duurzamere toenadering. Aan Lubbers zal het niet liggen, de uitval van de minister van landbouw naar de Fransen paste daarentegen beter in het gangbare patroon.

MEER DAN IN EEN nog maar net voorbij verleden lijkt Nederland zijn internationale relaties bilateraal te waarderen. Wie België zegt denkt niet aan Benelux, mogelijk een moment aan de spelling van het Nederlands, maar toch vooral aan de vervuiling van Maas en Schelde, aan de waterhuishouding in het algemeen, zeker na de recente zondvloed, en aan de gecombineerde havenbelangen van Rotterdam, Antwerpen en Zeebrugge. De relatie met Duitsland stond het afgelopen jaar in het teken van de doorbraak van Nederlandse schrijvers op de Duitse boekenmarkt, de reddingsoperatie voor Fokker, de nieuwe Duitse asielpolitiek die een verlegging van de stroom vluchtelingen naar Nederland veroorzaakte en, minder belicht maar niet minder belangrijk, de langzamerhand unieke koppeling van de gulden aan de mark.

Het tijdperk-Lubbers loopt ten einde. Het was vooral de tijd van voor de val van de Muur, van orde-op-zaken-stellen om in het zich verenigende Europa als de betrouwbare partner te worden aanvaard die Nederland uiteindelijk zo graag wilde zijn. In het nieuwe Europa van de losse einden richt Nederland zich noodgedwongen weer meer op de onderdelen dan op het geheel. De crisis heeft de Europese landen op zichzelf teruggeworpen. Het partnerschap is vervangen door competitie. Dat heeft zo zijn gevolgen.