Het jaar van de ommekeer

Zal volgend jaar blijken of van de economische lessen uit het verleden is geleerd? Na de Eerste Wereldoorlog was er geen economisch leiderschap in de wereld en volgden jaren van stagnatie. Na de Tweede Wereldoorlog nam Amerika het roer in handen en bloeide de economie veertig jaar lang. Nu de Koude Oorlog is afgelopen lijkt 1993 een keerpunt; een jaar waarin wellicht de basis is gelegd voor een nieuwe economische wereldorde. Vooralsnog leidden de economische moeilijkheden in de rijke landen vooral tot een louterend zelfonderzoek.

Zelden hebben gezaghebbende instellingen als het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zich zo vergist. Keer op keer moesten ze hun voorspelling over de economische groei in 1993 neerwaarts bijstellen. Precies een jaar geleden hield de OESO een economische groei van bijna drie procent in de industrielanden nog voor mogelijk. Enkele weken geleden moest zij vaststellen dat de groei nauwelijks één procent bedraagt. De economie van de Europese Unie zal dit jaar zelfs krimpen en die van Japan mogelijk ook.

Bij het IMF nam de ongerustheid over de ontwikkeling van de wereldeconomie iedere maand toe. Dit voorjaar riep het Interim Comité, het hoogste IMF-orgaan, op tot een global cooperative effort om het vertrouwen in de economie en de groeivooruitzichten te versterken. De oproep tot wereldomvattende samenwerking had weinig concrete inhoud. Zij weerspiegelde veeleer de toenemende ongerustheid over een dreigend afglijden van de economieën in de belangrijkste industrielanden.

De invloedrijke Amerikaanse onderminister van financiën, Lawrence Summers, formuleerde een jaar geleden tijdens de veelbesproken ronde-tafelconferentie van Little Rock, die president Bill Clinton had belegd aan de vooravond van zijn inauguratie, op kernachtige wijze de keuze waar de wereld voor stond: na de Eerste Wereldoorlog was er geen leiderschap, naties waren naar binnengekeerd en er volgden twintig jaar van stagnatie en depressie. Na de Tweede Wereldoorlog namen de Verenigde Staten het roer in handen en met hulp van het Marshall-plan werd de uiteengevallen wereldeconomie weer aaneengesmeed. Er volgden veertig jaar van de beste economische groei in de geschiedenis. Nu de Koude Oorlog voorbij is, moet volgens Summers blijken of van de ervaring uit het verleden is geleerd.

Zal 1993 worden beschouwd als het jaar van de ommekeer? Naarmate de groeiprognoses somberder werden, namen in elk geval de inspanningen van de industrielanden om tot meer onderlinge samenwerking te komen toe. Doorslaggevend was misschien wel de steun die president Clinton in het voorjaar van het Congres kreeg voor zijn plannen om het Amerikaanse overheidstekort binnen enkele jaren tot meer aanvaardbare proporties terug te brengen. De Verenigde Staten werden hierdoor een geloofwaardiger partner in de internationale economische fora. Dit verklaart mede de opleving van de G-7, het forum van de zeven grootste industrielanden, dat door het jarenlang uitblijven van een wereldhandelsakkoord in het kader van de GATT (Algemene Overeenkomst over Tarieven en Handel) veel van zijn gezag had verloren. Die opleving werd afgelopen zomer gesymboliseerd door het akkoord van Tokio, waar de belangrijkste handelsblokken in de marge van de G-7 overeenstemming bereikten over een aanzienlijke verlaging van importtarieven voor een reeks goederen. Het was de opmaat naar de succesvolle afronding van de Uruguay-ronde twee weken geleden in Genève.

Van daadwerkelijke economische coördinatie tussen de industrielanden is het afgelopen jaar nauwelijks sprake geweest. Dat kon ook moeilijk, omdat de situatie van land tot land sterker dan ooit verschilt. Elk land probeert op eigen wijze de economie op de rails te krijgen. De afgelopen jaren is dit enigszins badinerend aangeduid als het Sinatra-scenario (I did it my way). Wel lijkt nu het onderlinge begrip toegenomen voor het recept dat door ieder afzonderlijk wordt gevolgd.

Een van de centrale kenmerken van de wereldeconomie in 1993 was de a-synchrone internationale economische ontwikkeling. In het verleden belandde de geïndustrialiseerde wereld vrijwel gelijktijdig in een recessie of hoogconjunctuur. De recessie in de Verenigde Staten en Groot-Britannië zette al in 1989 in. Continentaal Europa ontsprong aanvankelijk de dans. De extra uitgaven voor de financiering van de Duitse eenwording zorgden voor een zodanige extra vraag dat de hoogconjunctuur langer voortduurde en de structurele economische problemen konden worden verdoezeld. Pas halverwege 1992, toen de Angelsaksische landen uit het economische dal kropen, werd met een schok duidelijk dat in continentaal Europa de recessie intrad. Naar het zich nu laat aanzien is in dit jaar het dieptepunt bereikt.

In Duitsland kwam de klap het hardst aan. De economie is er dit jaar met anderhalf procent gekrompen. Bovendien trad de structurele zwakte van de Duitse economie pijnlijk aan het licht: de industrie kampt met te hoge arbeidskosten en een achterlopende technologie. De positie van Standort Deutschland werd hét onderwerp van maatschappelijke discussie, zeker toen gaandeweg het jaar bleek dat de Duitse export dramatisch inzakte. Ook Frankrijk, Spanje en België kenden een economische terugval van rond één procent. Nederland ontsprong de dans. Met een krimp van in totaal 0,2 procent, die zich gedurende één kwartaal voordeed, mag 1993 officieel geen recessiejaar worden genoemd.

Het is nog niet zo lang geleden dat Europa door de Verenigde Staten met een jaloerse blik werd gezien als hét schoolvoorbeeld van een geslaagd economisch blok. 'Europa 1992' zou de ene welvarende interne markt inluiden. Drie jaar later krijgt juist het 'Rijnlandse model' de wind van voren. Het Angelsakische model, met een beperkt sociaal vangnet, een flexibele arbeidsmarkt en een grotere invloed van de markt, inspireert nu het denken.

Uit het Angelsaksische kamp werd ook aangedrongen op stimulering van de Europese economie door middel van renteverlagingen. Dat recept leek in de loop van de voorgaande jaren immers in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten goed te hebben gewerkt. De landen van de Europese Unie - met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk - hielden ondanks aansporingen van Nobelprijswinnaars en dreigementen van beleggingsgoeroes als George Soros vast aan de politiek van hoge rente die de koppeling van de nationale munten in het Europese Monetaire Stelsel moest waarborgen. De sterke Duitse mark werd door de Bundesbank geschraagd met een hoog rentetarief, om de inflatie als gevolg van de uitgaven voor de Duitse eenwording de kop in te drukken. De andere EMS-landen moesten de hoge rente volgen, terwijl daar de inflatiedreiging veel geringer was.

De strijd tussen de 'Europese' politieke economie en de 'Angelsaksische' markteconomie werd uiteindelijk beslecht op de valutamarkten. Het beslissende offensief, dat in augustus resulteerde in het effectief opschorten van de koppeling tussen de munten, was geen aanval op de afzonderlijke munten maar op het systeem zelf: toen de munten eenmaal losgekoppeld waren, kropen ze tegen het jaareinde vanzelf weer naar elkaar toe. De vergroting van de monetaire speelruimte resulteerde alsnog in renteverlagingen, al blijven de Europese landen met het oog op inflatie een voorzichtig beleid voeren. De Amerikaanse regering geeft op dit punt intussen blijk van wat meer begrip.

Voor Europa belooft 1994 een jaar van voorzichtig economisch herstel te worden. De OESO voorziet een groei van 1,4 procent, tegen een krimp van 0,3 procent in 1993. Maar enige kanttekeningen zijn wel op hun plaats. Het sterke groeicijfer wordt vertekend door een verwachte groei van 3 procent in het Verenigd Koninkrijk, dat de recessiefase al langer achter de rug heeft. Bovendien zijn beleggers en banken in hun prognoses heel wat terughoudender dan de OESO. Wat volgens hen in 1994 nodig zal zijn is een voorzichtige begeleiding van de economische opleving. De meeste commerciële banken hebben al gewaarschuwd voor het gevaar van een double-dip in Duitsland, waarbij de voorzichtige opleving zou worden gevolgd door een nieuwe terugval. En dat zal zijn weerslag hebben op het herstel van de rest van de EU.

De overheden in de EU hebben slechts beperkte manoeuvreerruimte. De begrotingstekorten zijn in het afgelopen jaar gegroeid en geven dus weinig mogelijkheden voor een fiscale ontlasting of extra overheidsinvesteringen. Dat laat volgens de meeste deskundigen slechts één weg open. Door een verdere verlaging van de rentetarieven moeten de investeringen door het bedrijfsleven worden aangemoedigd en de consumptieve kredieten goedkoper worden gemaakt.

De voorspellingen voor de Duitse rentetarieven gaan dan ook unaniem uit van een daling van de korte rente van 6 procent tot minder dan 5 of zelfs 4 procent aan het eind van volgend jaar waarvoor door de (ook elders) gedaalde inflatie voldoende ruimte zal zijn.

In Japan, dat nog steeds de gevolgen ondervindt van het leeglopen van de 'luchtbel-economie' hebben forse renteverlagingen onvoldoende geholpen, maar staat de financiële positie van de overheid wel fiscale prikkels en extra investeringen toe. Tot tweemaal toe werden al maatregelen in die sfeer genomen. Maar het effect was minimaal. Nieuwe belastingmaatregelen staan nu op stapel. De vooruitzichten voor de Japanse economie in 1994 zijn nog somber: een groei van een half procent is volgens de OESO het hoogst haalbare.

Bij het verwachte herstel in Europa blijft het probleem van de almaar stijgende werkloosheid nog onopgelost. De term jobless growth is in dit werelddeel nog het meest van toepassing. Terwijl de Europese economieën de afgelopen twintig jaar met 70 procent groeiden, nam het aantal banen met slechts 9 procent toe. De werkloosheid loopt bij elke recessie sterk op en keert bij het economisch herstel nooit weer tot het oude niveau terug. In 1993 overschreed de werkloosheid in de EU met 11,3 procent het vorige record uit 1986. En voor volgend jaar ziet het er nog slechter uit: van de Europese beroepsbevolking zit dan 12 procent zonder werk.

Toch kan ook op dit punt 1993 mogelijk als een keerpunt worden gezien. De grote industrielanden hebben bestrijding van de werkloosheid tot topprioriteit verheven. De wereldwerkgelegenheids-top van de G-7 die president Clinton voor volgend jaar op de agenda heeft gezet, staat daarvoor symbool. Op de valreep van het oude jaar presenteerde de voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Delors, zijn Europees Witboek met aanbevelingen voor bestrijding van recessie en werkloosheid. Of hij ook werkelijk een brug naar de toekomst heeft geslagen? Feit is dat in een aantal Europese landen maatregelen zijn getroffen om de kosten van arbeid in te perken, ingrepen die tot voor kort nauwelijks bespreekbaar waren. Ook is een voorzichtig begin gemaakt met de flexibilisering van de arbeid.

En op de valreep van 1993 drukten de onderhandelaars van de Europese Unie en de Verenigde Staten elkaar in Genève de hand. Zij bezegelden daarmee de al zeven jaar slepende Uruguay-ronde over liberisering van de wereldhandel. De global cooperative effort die het IMF aan het begin van het jaar zo nadrukkelijk bepleitte, heeft uiteindelijk toch inhoud gekregen. Het GATT-akkoord valt samen met de eerste voorzichtige tekenen van economisch herstel in Europa. De vrees voor handelsoorlogen en recessie, die 1993 lange tijd beheerste, is vervlogen. Bovendien heeft het gevoel van politieke verlamming in de Europese Unie met als hoogtepunt de valutacrisis, plaats gemaakt voor een opflakkerend elan, dat werd onderstreept door het eensgezinde optreden in de finale van de Uruguay-ronde.

De naargeestige prognose van een protectionistische wereld is sindsdien verruild voor enthousiaste berekeningen over de vruchten die de wereld plukt van een vrijere handel. De economie van de Europese Unie zou volgens de OESO op termijn jaarlijks 1,5 procent extra groeien. De verbetering van het handelsklimaat wakkert de investeringen nu al aan.

Met de aarzelende opleving in Europa en Japan in het vooruitzicht zullen de economieën van de geïndustrialiseerde landen spoedig weer met elkaar in de pas kunnen lopen. Een gezamenlijke conjuncturele opleving maakt het klimaat voor het versterken van de internationale economische samenwerking er alleen maar beter op.

Betekent dit alles dat de industrielanden in 1993 de basis hebben gelegd voor een nieuwe economische wereldorde voor de periode na de Koude Oorlog? Vooralsnog leidden de economische moeilijkheden in de geïndustrialiseerde wereld voornamelijk tot een louterend zelfonderzoek. Voor de problemen van de buitenwereld was minder plaats, terwijl juist nu een record aantal wereldburgers toetreedt tot het kapitalistische systeem, met alle overgangsproblemen vandien. Nu de OESO-landen zelf met elkaar in het reine lijken te komen, zullen die netelige kwesties buiten de eigen welvaartszone zich des te scherper aftekenen.