Heer, laat mijn zoon geen beroemheid worden; Na het vertrek uit Sarajevo

De bewoners die erin slagen Sarajevo te verlaten, worden benijd maar ook veracht door de achterblijvers, schrijft de Bosnische schrijfster Dragana Tomasevic. “Steeds wanneer iemand weggaat vatten zij die achterblijven dat op als een vorm van verraad en als een zwaar vergrijp.” Toch besloot ook Tomasevic de stad te verlaten.

Sarajevo is, zoals de Bosnische auteur Dzevad Karahasan het formuleert “op tweeërlei wijze van de wereld afgesloten, namelijk door de bergen die de stad omringen en door de wijken die om de stadskern heen liggen (ze worden met een Turks woord mahala genoemd) en die functioneren als een soort pantser dat het stadscentrum rondom zichzelf heeft gevormd als bescherming tegen alles wat van buiten komt”. Tot een jaar geleden sloten de bergen en de wijken Sarajevo van de buitenwereld af, ze sloten de stad vooral af voor een milder klimaat en voor een frisse wind die de luchtvervuiling zou kunnen verdrijven. Toen begon de oorlog en de bewoners van Sarajevo ontdekten dat de stad op een nieuwe en nog veel gevaarlijker wijze van de buitenwereld werd afgesloten - ze werd namelijk volledig omsingeld door de cetniks die vier (sommigen zeggen zelfs: zeven) afzonderlijke kordons rondom de stad hebben gelegd. Hoe het ook zij, zelfs wanneer het er 'slechts' vier zijn, zijn het er meer dan voldoende om alle toegangswegen naar Sarajevo te blokkeren en de hele stad al meer dan een jaar volledig van de buitenwereld te isoleren.

De aldus in mechanisch opzicht afgesloten stad keerde zich noodgedwongen in zichzelf, en de mensen die er woonden en die zich met elkaar verbonden voelden door een gemeenschappelijke dreiging en de gemeenschappelijke behoefte hun stad, Sarajevo, te behouden als een essentieel onderdeel van hun eigen identiteit, ontdekten een volkomen nieuwe manier om het leven te ervaren en schiepen een nieuw systeem van (zowel ethische als andere) waarden en een nieuwe indeling van de realiteit. Deze indeling was gebaseerd op de tegenstelling tussen ons eigen leven hier in Sarajevo en het gewone leven van de anderen, daar buiten...

's Nachts, in het donker (want kaarsen zijn er allang niet meer), krijgen al deze nieuwe dingen hun vorm, ze worden gedefinieerd tijdens de lange gesprekken tussen de buren na een dag die werd besteed aan het zoeken naar water en voedsel of aan het bedenken van een manier om vuur aan te leggen en brood te bakken, kortom: om te overleven.

Het belangrijkste onderwerp van al die gesprekken vormen de mensen die de stad hebben verlaten. Het is moeilijk, buitengewoon moeilijk uit de belegerde stad weg te komen en slechts weinigen slagen daar werkelijk in. Over degenen wie het uiteindelijk is gelukt wordt in de stad lang gepraat en er wordt druk gespeculeerd over hoe en waarom iemand dat deed of wie al dan niet met wie mee kon... Men laat hier niet alleen dierbare zaken en herinneringen achter: een huis, tapijten en boeken, maar ook een vrouw, een moeder, een vader of een echtgenoot... De mensen vertrekken in het diepste geheim en op goed geluk langs smalle paadjes (de buitenwereld of de dood tegemoet), of ze reizen mee met een officiële delegatie en met een reservering voor de terugreis op zak. (Dan wordt er gewoonlijk een lijstje gemaakt van de belangrijkste maar kleine en lichte dingen die men in de buitenwereld moet kopen.) Die gelukkige (of liever gezegd: die beroemde, gerespecteerde en belangrijke) mensen brengen uit de buitenwereld ook de meest uiteenlopende verhalen mee over de manier waarop men ons daar al dan niet begrijpt, ze vertellen dat er mensen zijn die niet eens weten waar dat ligt, Bosnië of Sarajevo. Er zijn echter ook mensen die niets van hun lijstje meenemen, geen kranten en geen verhalen. Ze brengen niets mee om de doodeenvoudige reden dat ze niet naar de stad terugkeren, en ze staan de voor hen gereserveerde plaats in het vliegtuig grootmoedig af aan iemand anders die (soms al maanden) wacht om terug te kunnen gaan.

Hoogleraar

Op deze manier vertrok er een bekende, alom gerespecteerde en belangrijke hoogleraar. Vorig jaar, tegen het einde van de zomer, reisde deze gerespecteerde hoogleraar in het internationaal recht af met een officiële onderhandelingsdelegatie. Toen de delegatie terugkeerde was de hoogleraar er niet bij. Hij was daarginds gebleven, in de buitenwereld, bij zijn vrouw en kinderen die daar al waren gearriveerd, helemaal aan het begin van de oorlog (of misschien zelfs nog iets eerder). Hij liet in Sarajevo al zijn herinneringen achter, zijn huis, zijn boeken, zijn studenten en zijn bejaarde ouders.

Natuurlijk was het vertrek van die hoogleraar een gebeurtenis waarover in Sarajevo veel werd gesproken, vooral onder zijn studenten en zijn buren, die nu de 'ware' betekenis van hun gesprekken en de verborgen betekenis van bepaalde uitlatingen van de hoogleraar onthulden. Ze begrepen dat die man toch niet zó slim was (zoals ze tot dan toe hadden gedacht), en vooral dat het geen 'echte' (dat wil zeggen: ethische) mens was (zoals ze tot dusver ook hadden gedacht). “Zomaar weggaan en je ouders in die belegerde stad achterlaten zonder eten, zonder water en zonder stroom, dat kan niet zomaar iedereen. Je moet als wetenschapper wel een internationale beroemdheid zijn, wil je zoiets kunnen doen”, zeiden de mensen in de stad, en er ontstond een nieuw gebed waarvan de tekst luidt: 'Heer, laat mijn zoon (of man) geen internationale beroemdheid worden'. Luxe

Zodra de winter inviel, verloren de mensen hun belangstelling voor dit verhaal. Men praatte niet langer over die belangrijke en beroemde hoogleraar, het was nu tijd om te proberen zonder hout en zonder houtskool een vuur aan te krijgen en brandende te houden. Maar toen het voorjaar kwam, kwamen ook weer de gesprekken op gang over de mensen die waren weggegaan en wat er van hen geworden was. De achtergebleven, bejaarde ouders van de hoogleraar waren in hun koude woning gestorven. Door iedereen verlaten en vergeten. Hun enige zoon was ver, veel te ver weg (aan de andere kant van die vier of zeven kordons), en hun buren waren op zoek naar voedsel, water of een stukje hout voor het vuur. Waren ze doodgevroren, waren ze gestorven van honger of dorst, of misschien van verdriet of schaamte? Of gewoon van ouderdom? Niemand zal ooit precies weten wat er met hen is gebeurd, maar iedereen weet dat die hoogleraar in het internationaal recht in ieders herinnering zal blijven, maar dan wel als iemand die uit de belegerde stad wist weg te komen.

Iemand anders die door de manier waarop ze vertrok in ieders herinnering zal blijven, is een vriendin van mij, een gynaecologe. Op de dag voordat de beschietingen op Sarajevo begonnen zat ik ter gelegenheid van de bayram baklava te eten in haar prachtige en luxueus ingerichte villa. We wisten dat de oorlog elke dag kon uitbreken (want Karadzic had ons een bloedige bayram beloofd), maar we deden alsof alles normaal was, we hadden bepaalde dingen toch ook zelf in de hand, we hoefden ons bijvoorbeeld niet te laten meeslepen door angst of paniek. Mijn vriendin liet me een zijden hemd zien dat ze die dag voor zichzelf had gekocht, terwijl haar medeburgers in paniek op zoek waren naar meel en blikjes conserven om een voorraad aan te leggen voor de komende moeilijke dagen. “Het belangrijkste is dat je ze niet toestaat in te grijpen in je dagelijkse leefpatroon, de kleine luxe dingen waar je als vrouw recht op hebt af te pakken of je plezier in het leven te vergallen”, zei die praktische en (naar ik dacht) zo dappere vrouw.

Ik heb die woorden vaak in mezelf herhaald, terwijl ik probeerde in mijn dagelijks leven een bepaalde vorm van regelmaat in stand te houden en mezelf het recht bleef gunnen op een zekere vrouwelijke luxe (overigens bleek, naarmate de oorlog voortduurde, hoe betrekkelijk het begrip luxe was, eerst was het een duur parfum uit mijn geheime voorraad en na verloop van tijd was het dat je je tanden kon poetsen). Ik vertelde dit natuurlijk ook aan andere vrouwen en probeerde hen ervan te overtuigen dat luxe iets heel belangrijks was en dat je je die in de oorlog onder geen beding mocht ontzeggen, en het feit dat luxe nu iets anders was dan vroeger, deed daar niets aan af.

Maar toen hoorde ik dat mijn 'leermeesteres' daar heel anders over dacht. Zij was gewend geraakt aan een bepaalde levensstijl, en was niet bereid die op te geven om een nieuwe, andere manier van leven te proberen. Ze pakte haar kleren en sieraden in, nam al het geld mee dat zij en haar man in de twintig jaar van hun huwelijk hadden gespaard en vertrok. Ze liet haar huis achter met de modern ingerichte spreekkamer, de dure tapijten en de schilderijen. Ze liet haar man en haar zoontje van tien achter, zonder enige reservevoorraad in de vorm van blikjes conserven of meel, want zij wilde zich niet door paniek of door angst voor de oorlog laten meeslepen. Zij had een andere manier bedacht om aan de vijand weerstand te bieden.

Er zijn nog veel meer van dit soort verhalen over hoe en waarom sommige mensen de stad verlieten, en iedereen kent ze uit het hoofd. 's Nachts worden in de donkere huiskamers, tijdens de gesprekken waarmee de mensen zich proberen te warmen, heel wat van dergelijke verhalen verteld. Objectief, statistisch en numeriek gezien overheersen de verhalen als de twee die ik hierboven heb geschetst, want de overgrote meerderheid van hen die zijn vertrokken lieten iemand (of iets) achter die voor hen oneindig dierbaar, belangrijk en vertrouwd was (iemand die je onder andere omstandigheden onder geen beding zou kunnen of mogen achterlaten), zodat niemand van hen echt helemaal weg is. Dat betekent dat men deze stad, die zo volkomen van de buitenwereld is afgesloten, in feite nooit volledig en definitief kan verlaten.

Nieuwe logica

Deze twee verhalen zijn ook zo typerend omdat daarin twee waarden een rol spelen die in Sarajevo tegenwoordig als uitgesproken negatief worden ervaren en daarom verworpen. De mensen besluiten de gesprekken die ze 's nachts voeren en die meestal gaan over het onderwerp 'weggaan', doorgaans met de uitspraak dat ze God danken dat ze niet rijk of beroemd zijn. Hoe kan men deze omslag in het denken, deze nieuwe logica, het best verklaren? Wat is er toch gebeurd dat men in een bepaalde stad rijkdom, roem en aanzien als iets heel negatiefs is gaan beschouwen? Dat komt doordat rijkdom, roem en aanzien het iemand mogelijk maken weg te gaan uit Sarajevo, waar de levensomstandigheden zó verschrikkelijk moeilijk zijn dat men in feite nauwelijks nog van leven kan spreken. Men houdt zich hier in leven op een niveau dat is gedaald tot het absolute bestaansminimum, of misschien zelfs daaronder, hier bestaat geen morgen meer, hier durft men geen afspraken te maken of beloften te doen, hier bestaat slechts het heden . . . Al het andere valt onder 'Als ik dan nog leef (en nog heel ben, en als . . .' en nog oneindig veel meer keren 'als'). Het is werkelijk onvoorstelbaar moeilijk dit leven vol te houden. Aanzien of rijkdom kunnen iemand te vluchten voor de noodzaak het eigen uithoudingsvermogen (uiteraard zowel psychisch als fysiek) tot het uiterste op de proef te stellen, om zo al die verschrikkelijke beelden te vergeten (vergeten!?) van al het bloed dat vergoten wordt. Roem, aanzien en rijkdom werken als het toverstafje van een sprookjesfee, en opeens en volkomen onverwacht komt het moment waarop - schijnbaar toevallig - de toverformule wordt uitgesproken. En dan gaat iemand weg.

Door weg te gaan verliest iemand echter een belangrijk deel van zijn of haar eigen identiteit, iets kostbaars, iets dat met iemands hele leven verbonden is. Steeds wanneer iemand weggaat vatten zij die achterblijven dat op als een vorm van verraad en, vanuit ethisch standpunt, als een zwaar vergrijp. Dat hoeft natuurlijk niet nader uitgelegd te worden. Sarajevo is het doelwit van een meedogenloze en brutale vorm van agressie, en wanneer je iemand in de steek laat die wordt bedreigd (want in het geval van Sarajevo kun je werkelijk spreken van iemand die, en niet van iets dat) en doet alsof je er niets meer mee te maken hebt, beschouwt men dat als een zwaar ethisch vergrijp.

Aangezien de meeste bewoners van deze stad geen bijzondere sociale status bezitten en ook niet beschikken over een vaardigheid of kwaliteit (zoals rijkdom), die men bereiken kan binnen een gevestigd sociaal waardensysteem, kunnen ze niet in de verleiding komen weg te gaan. Deze mensen, die nimmer en op geen enkele wijze in staat zullen zijn de stad te verlaten, zullen hun ontologische eigenschappen niet prijsgeven (een van de pijlers waarop hun bestaan rust is het feit dat ze deel uitmaken van Sarajevo), of ze zullen hun oude ethische normen, die dieper zijn geworteld dan de huidige maatschappelijke waarden, niet opgeven. Deze strakke ethische denkwijze wordt hun echter ook opgelegd door de omstandigheden, zodat in hun existentiële situatie de droom van de klassieke moralisten wordt bewaarheid: de ethische plicht is tegelijk een ontologisch dictaat, het ethische heeft zijn grondslag in het ontologische. Hierdoor is tussen de twee soorten bewoners van Sarajevo - tussen hen die weggaan en hen die achterblijven - een paradoxale verhouding ontstaan van wederzijdse afgunst: zij die weggaan hebben medelijden met hen die achterblijven en koesteren tegelijk een grote afgunst jegens hen; zij die achterblijven koesteren een diepe minachting jegens degenen die weggaan, terwijl ze hen daarom tevens benijden. Groot en sterk

Toen ik er zelf voor het eerst serieus over begon te denken uit Sarajevo weg te gaan, zocht ik een vertrouwde en dierbare vriend op om er met hem over te praten. Hij was de enige die me kon begrijpen, want hij alleen kon in mijn ogen de angst en de doorgemaakte verschrikkingen, het verdriet en de totale ontreddering lezen. Tegenover hem hoefde ik niet te doen alsof ik 'groot en sterk' was en alles kon.

Hij ontving me met een geheimzinnige glimlach om zijn lippen, toen vertelde hij me vol trots dat hij een kostbaar geschenk voor me had. En inderdaad: het was een echte, onvervalste reep chocolade, in een glimmende en kleurige wikkel. 'Hier, dit is voor jou, een reep logistieke chocolade, tegen je verdriet en je tranen.'

Ik wist dat ik het hem meteen moest vertellen, ik wist dat ik dit schitterende moment van kameraadschappelijke liefde en steun moest bederven, want ik wist dat ik weg moest, ik kon de angst en de wanhoop niet meer aan, ik was niet meer in staat mezelf uit deze wereld terug te trekken in die van de literatuur, want ik zou niet meer naar deze wereld terugkeren, ik kon het verdriet van de kinderen om me heen niet langer aanzien...

Vanaf dat moment ontstond tussen ons een steeds diepere kloof. Hij probeerde me zo ver te krijgen dat ik zou vertrekken om zo te proberen weer een normaal leven op te bouwen. Hij probeerde me duidelijk te maken dat hij jaloers op me was, maar ik wist dat hij me nog veel meer verachtte. Hij was jaloers op me omdat ik wegging en daarom verachtte hij mij. Ik was jaloers op hem omdat hij bleef en het deed me pijn alles achter te moeten laten: mijn dierbaarste herinneringen, mijn huis, mijn boeken en mijn vrienden . . . Toch ontmoetten we elkaar elke dag en we praatten met elkaar, terwijl we steeds verder van elkaar wegdreven en uiteindelijk leek het alsof we twee wezens uit twee totaal verschillende werelden waren. Ik bevond me nog steeds hier, omringd door inslaande granaten en sluipschutters, in deze belegerde stad zonder water en zonder stroom. Voor hem was ik echter iemand anders geworden, een vreemde, mijlenver van hem verwijderd.

Iedere dag herhaalde zich deze absurde situatie: hij probeerde me te troosten en drong erop aan dat ik weg zou gaan. We wisten beiden dat mijn vertrek in feite reeds een uitgemaakte zaak was, dat mijn besluit al was genomen en dat ik hoe dan ook zou vertrekken. We wisten echter ook dat hij mij, evenals ikzelf trouwens, deze stap nooit zou vergeven. Het 'enige' dat ons nog restte was afscheid van elkaar nemen, maar dan wel op een enigszins normale manier, want alleen dan zouden we in staat zijn onze wederzijdse afgunst voor elkaar te verbergen, alleen dan zouden zijn gevoelens van verachting en mijn pijn en wanhoop kunnen worden verzacht.

Op een keer, het was toen we in een gebouw zaten waaromheen juist een paar granaten insloegen, herinnerde mijn vriend zich opeens de eigenlijke reden van mijn vertrek, en hij citeerde voor mij de woorden van een gemeenschappelijke vriend, de journalist en fotograaf Zoran Filipovic: 'Ga en vergeet. Dit is een stad waarheen zelfs de vogels niet meer zullen terugkeren'.

We overleefden de mortieraanval. En we vergaten hem zodra hij voorbij was. Maar hoe kun je het beeld overleven en vergeten van je eigen stad, waar de vogels niet meer terug zullen keren? Zullen ze echt niet meer terugkomen? Ik weet het niet, van de vogels weet ik het niet. Maar van de mensen weet ik het wel. De mensen zullen terugkeren. Ze zullen vast en zeker terugkeren. Ze zullen er naar verlangen en ertoe in staat zijn naar hun stad terug te keren. Ik kan dat nu en van hieruit niet zeggen tegen mijn vriend die in Sarajevo achterbleef (ik bid tot God dat hij nog leeft), maar toch herhaal ik iedere dag en iedere nacht, steeds weer opnieuw, deze woorden. Ik herhaal ze als een smeekbede, als een innige wens, als een uiting van hoop, als een gebed, als een eed - wanneer de mensen maar terugkeren, dan keren met hen ook de vogels weer terug.

(Mijn kostbare reep 'logistieke chocolade' in die glimmende en kleurige papieren wikkel bewaar ik voor de dag waarop ik mijn vriend weer zal ontmoeten. In Sarajevo.)

1) Bayram: het feest na afloop van de islamitische vastenmaand ramadan. (Vert.)

De Bosnische schrijver Dragana Tomasevic (1958) woonde tot de afgelopen zomer in Sarajevo, waar ze filosofie, sociologie en vergelijkende literatuurwetenschap studeerde. Ze was criticus voor de bladen Oslobodjenje, Dnevnik, Dijalog en Delo. Voor ze naar Duitsland vertrok, was ze enige tijd hoofd van een hulporganisatie voor kinderen. 'Ik wil terug naar mijn Sarajevo,' schrijft ze, 'maar ik weet niet wanneer en hoe.'