Geen recessie, maar wel angst voor banen

De groei van de Nederlandse economie in 1993 is de laagste van de afgelopen elf jaar geweest. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) schat de groei van het bruto binnenlands produkt (bbp) op 0,1 procent; het is dus vrijwel op het niveau van 1992 gebleven. Het (zo goed als) achterwege blijven van economische groei is het afgelopen decennium niet eerder vertoond; na de Tweede Wereldoorlog is het in dit opzicht slechts vier keer slechter gegaan dan in 1993. Dat was in 1958, 1975, 1981 en 1982.

Voor het derde achtereenvolgende jaar is de economische groei gedaald; toch kon het Centraal Planbureau (CPB) deze maand constateren dat in Nederland een recessie is uitgebleven, in tegenstelling tot in de meeste andere Westerse landen. Het voor de Nederlandse economie zo belangrijke Duitsland bij voorbeeld kampt met een daling van 2,7 procent. In West-Europa kent Groot-Brittanië een significante groei (1,8 procent), maar dat heeft net twee jaren van daling achter de rug. De Verenigde Staten hadden dit jaar een economische groei van 3,1 procent; Japan leverde daarentegen 0,3 procent in. Veelzeggender is de vergelijking over een langere termijn. Dan valt op dat in de periode 1981-1993 Westeuropese economiën als Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland en Nederland een gemiddelde jaarlijkse groei kenden van 1,9 of 1,8 procent; de Verenigde Staten en Japan scoren hoger: respectievelijk 2,3 en 3,6 procent.

Geen recessie dus in Nederland, anders dan in de eerste jaren tachtig toen er wel enkele keren sprake was van een daling van het bbp. Nu is de vraag of er een recessie was vooral een kwestie van definitie; eigenlijk gaat de zorg van politici en sociale partners veel meer uit naar de situatie straks, na de huidige periode van stagnatie. Het CPB verwacht voor 1994 een groei met één procent in Nederland en ook in de andere geïndustrialiseerde landen worden de vooruitzichten voor volgend jaar gunstiger beoordeeld. Maar de vraag is wat dit aan werkgelegenheid oplevert. De grote angst is dat na de tijdelijke conjuncturele neergang de structurele werkloosheid opnieuw op een hoger peil zal liggen, zoals eigenlijk steeds gebeurt na een economische terugval.

Dat de werkloosheid in 1994 een na-oorlogse recordhoogte (625.000 personen, 715.000 uitkeringen) bereikt, is een tij dat al niet meer te keren lijkt. Het CPB heeft zijn prognoses zelfs nog verder versomberd, als gevolg van lagere verwachtingen bij export en investeringen en van het feit dat bij de bedrijven “het beperkte winstherstel dat eerder voor 1994 werd verwacht als sneeuw voor de zon is verdwenen”. Gemeten in volledige banen over een heel jaar voorziet het planbureau in 1994 een terugval van de werkgelegenheid met nog eens 23.000, na de daling met 37.000 die zich dit jaar al voordeed.

Economen verwachten in het algemeen dat de economische groei in de Westerse landen de komende jaren allerminst gepaard zal gaan met een evenredige stijging van het aantal banen. Waar in Nederland het gebruik van sociale-zekerheidsregelingen al op een hoog niveau ligt, hoger dan in de omringende landen, neemt het perspectief van banenloze groei een dreigend karakter aan. Het sociaal-economische debat concentreert zich daarom vooral op de vraag hoe dat gebruik van de sociale zekerheid kan worden teruggedrongen.

“Nederland is ziek”, was eerder deze kabinetsperiode een daarna nog dikwijls geciteerde one-liner van premier Lubbers. Welnu, 1993 in elk geval is niet het jaar geworden waarin Nederland beter werd. Aan uitkeringen krachtens de Ziektewet wordt dit jaar, volgens een raming van de Sociale Verzekeringsraad, 13,7 miljard gulden uitgegeven (600 miljoen meer dan vorig jaar), van de 94,6 miljard die de sociale verzekeringen in totaal vergen. De uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid (AAW en WAO) komen uit op 26,6 miljard, iets meer (200 miljoen) dan vorig jaar. Het uitgekeerde ziekengeld zal volgend jaar drastisch dalen, omdat werkgevers dan voor de eerste weken waarin een werknemer ziek is de verplichting krijgen het loon zelf door te betalen. Dat moet leiden tot een lager ziekteverzuim; zo niet dan is er slechts sprake van een kosmetische operatie (wel lagere ziektewetpremies, maar geen lagere loonkosten).

De maatregelen die kabinet en parlement dit jaar hebben getroffen om de toeloop naar de WAO te beperken, hebben dat effect (nog) niet gehad. De laatst bekende cijfers betroffen oktober, toen het aantal (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten op 919.500 was gekomen, 10.500 meer dan een jaar eerder. Uitgedrukt in volledige uitkeringen was er een stijging van 791.300 naar 793.100. Dat is dus nog lang niet de beoogde daling naar 758.000 waarvoor het kabinet zich een paar jaar geleden sterk hoopte te maken.

Een troost is wellicht dat als percentage van de beroepsbevolking het aandeel van de arbeidsongeschikten van 9,9 naar 9,8 is afgenomen. Bovendien put het kabinet hoop uit het feit dat de keuringsartsen en arbeidskundigen nog maar sinds kort op grond van de nieuwe, veel strengere keuringseisen hun conclusies trekken. Interessant wordt het om te zien waar dat volgend jaar toe leidt. Dan begint namelijk ook de herkeuring van de bestaande WAO'ers onder de 50 jaar, een proces waarmee bijna vijf jaar gemoeid zal zijn en waarvoor de jongste leeftijdsgroep het eerst aan de beurt is.

De voormalige of gedeeltelijke arbeidsongeschikte die weer aan het werk moet, treft het dus niet dat juist nu de werkgelegenheid afneemt. Dat geldt trouwens ook voor werklozen met weinig 'dienstjaren' achter de rug; de eisen om voor de WW (waaraan dit jaar 9,6 miljard wordt uitgegeven) in aanmerking te komen worden volgend jaar strenger. Zonder banengroei zal de inactieve Nederlander de komende jaren meer dan vroeger op de laagste uitkering, de bijstand, zijn aangewezen.