Gedrag Rusland bepaalt toekomst Navo

De NAVO-top zal volgende maand het Partnership for Peace-initiatief goedkeuren dat streeft naar samenwerking tussen de NAVO en alle geïnteresseerde niet-NAVO-landen in Europa. Volgens de Amerikaanse senator Sam Nunn geeft dit Partnership de NAVO de tijd om haar eigen toekomstige karakter als bondgenootschap en haar relatie tot Rusland te bepalen.

Uit vrees voor een heropleving van het Russische imperialisme zoeken de Oosteuropese landen bescherming als NAVO-lidstaten. Die vrees is nog eens versterkt door de onverwacht hoge ogen die de ultranationalistische - volgens sommigen fascistische - Vladimir Zjirinovski en zijn Liberaal Democratische Partij hebben gegooid bij de Russische parlementsverkiezingen.

Het belangrijkste onderwerp op de NAVO-topconferentie van januari zal de relatie van het bondgenootschap tot republieken uit de voormalige Sovjet-Unie en het Warschaupact zijn. De NAVO heeft toetreding van Oosteuropese landen op korte termijn uitgesloten. Wel is in 1991 de Noordatlantische Samenwerkingsraad (NASR) opgericht, een overlegorgaan waarin ex-communistische landen werd gevraagd zitting te nemen met het doel een dialoog over veiligheidskwesties met NAVO-lidstaten op gang te brengen.

De NAVO-top zal voortbouwen op het werk van de Raad door formeel in te stemmen met een door de VS gesteund initiatief, Partnership for Peace, dat streeft naar militaire samenwerking tussen de NAVO en alle geïnteresseerde niet-NAVO-landen in Europa. Hoewel het Partnership geen onmiddellijke veiligheidsgaranties buiten het grondgebied van de huidige 16 NAVO-lidstaten inhoudt, beoogt het wel gezamenlijke militaire activiteiten zoals hulpverlening bij rampen en vredesoperaties, oefeningen en militaire planning. Daarnaast verplicht het de NAVO tot overleg met NASR-lidstaten die zich bedreigd voelen door een derde mogendheid, en impliceert het de uiteindelijke toetreding tot de NAVO van landen die voldoen aan nog te definiëren politieke en militaire criteria.

Polen, Hongarije, Tsjechië en andere gewezen communistische landen die streven naar volledig NAVO-lidmaatschap hopen dat het Partnership een overbrugging vormt naar officiële toetreding. Anderen zien het Partnership echter als een kunstgreep om lidstaten-in-spe aan het lijntje te houden, in elk geval totdat er helderheid komt in de zeer onbestendige veiligheidssituatie ten oosten en zuidoosten van Duitsland.

Mijn opinie is dat de Partnership for Peace-constructie zowel de NAVO als de lidstaten-in-spe wat meer tijd gunt om eerst een aantal lastige kwesties aangaande de toekomstige inrichting en omvang van het Atlantisch bondgenootschap op te lossen, en om af te wachten waar de ontwikkelingen in Rusland op uitlopen. Rusland is nog altijd Europa's meest geduchte militaire mogendheid. Het is mijn overtuiging dat de NAVO de komende maanden en jaren vóór alles moet proberen Rusland en de andere onafhankelijk geworden ex-communistische landen te bewegen tot een op samenwerking en niet op confrontatie gerichte houding in hun buitenlandse politiek.

Velen die de spoedige toetreding van Polen, Hongarije en Tsjechië voorstaan, doen dat omdat volgens hen een heropleving van het Russische imperialisme historisch onvermijdelijk is. Wellicht hebben ze gelijk. Maar toekomstige generaties zullen het de Verenigde Staten en het Westen niet vergeven wanneer ze niet alles doen om de terugkeer van tirannie en militarisme in Rusland tegen te gaan.

De NAVO zal moeten beslissen hoe ze de door het Partnership geboden tijd en flexibiliteit het best kan benutten om haar eigen toekomstige karakter als bondgenootschap en haar relatie tot Rusland te bepalen. Daar beide kwesties onlosmakelijk verbonden zijn, meen ik dat een gecombineerde aanpak raadzaam is.

Ten eerste moet het bondgenootschap, totdat duidelijk wordt welke kant het in Rusland opgaat, het Partnership voorzien van een kader dat Oosteuropese landen die naar het NAVO-lidmaatschap streven realistische politieke en militaire richtlijnen biedt. Ten tweede moet de NAVO aan de imperialisten in Rusland duidelijk maken dat de keus tussen samenwerking en confrontatie in de relatie tot de VS en de NAVO zal afhangen van de politieke koers in Rusland.

Dit moet niet alleen de Russische regering maar ook, en vooral, het Russische volk worden meegedeeld: een coöperatief Rusland zal leiden tot een bloeiend, wederzijds gunstig strategisch samenwerkingsverband met de Verenigde Staten; zou Rusland echter naar een nieuw imperium streven, dan zou dat de prompte toetreding als volwaardig NAVO-lid van een aantal voormalige Oosteuropese Warschaupact-leden tot gevolg hebben.

Men moet met nieuwe verplichtingen op veiligheidsgebied nooit lichtvaardig aangaan. De meeste discussies over uitbreiding van de NAVO zijn tot dusver grotendeels voorbijgegaan aan de militaire consequenties daarvan. En hoewel het NAVO-lidmaatschap belangrijke politieke en economische voordelen met zich meebrengt, vormt het veiligheidsbeleid de kern van de NAVO.

Wil het Partnership for Peace meer zijn dan een vage conceptie en een wezenlijk richtsnoer bieden, dan zullen de regeringsleiders op de NAVO-top een aantal realiteiten op veiligheidsgebied onder ogen moeten zien.

Ten eerste mag een uitbreiding oostwaarts van de NAVO niet geschieden zonder voorafgaande, serieuze discussie over strategie en militaire middelen. Het NAVO-lidmaatschap maakt de grenzen en het luchtruim van een land niet automatisch onkwetsbaar. Uitbreiding in een context van een sterk afnemend militair vermogen aan NAVO-zijde en zonder een defensieve strategie kan de dreiging waartegen die uitbreiding gericht is juist vergroten en uiteindelijk leiden tot desillusie en gevaar.

Ten tweede moeten we, samen met landen die zich bij de NAVO willen aansluiten, beginnen aan een stapsgewijs programma van gezamenlijke opleiding en oefening, ontwikkeling van een gezamenlijke operationele doctrine en het gebruik van onderling aansluitende technologieën en wapen- en communicatiesystemen. Er zal onder meer gepraat moeten worden over frontstationering van NAVO-troepen op het grondgebied van lidstaten-in-spe, en over de vraag of nieuwe leden ook nucleaire garanties krijgen.

Ten derde omvat de lijst van potentiële nieuwe NAVO-leden zoals die nu begrijpelijkerwijs is geformuleerd ook Rusland en de Oekraïne, om Rusland niet voor het hoofd te stoten. Maar het gaat om een nog zo globale invitatie dat die nauwelijks enige betekenis heeft. De dag waarop de NAVO Rusland als lid toelaat, zal de dag zijn waarop de NAVO overbodig wordt. Zodra er een stabiel, democratisch, marktgericht Rusland is dat zich aan de beginselen van het internationale recht houdt en de grenzen van zijn buurlanden respecteert, zal de behoefte aan de NAVO zoals we die kennen verdwijnen. Het Partnership for Peace zal geen impliciete erkenning mogen inhouden dat dit op korte termijn werkelijkheid kan worden.

Ten vierde moeten wij onze NAVO-bondgenoten en onze Oosteuropese vrienden duidelijk maken dat het lidmaatschap van de NAVO nauwelijks snelle of concrete verlichting kan brengen van binnenlandse economische problemen, politieke moeilijkheden of etnische strubbelingen. In economisch opzicht biedt de NAVO geen alternatief voor toegang tot de Westeuropese markt. Het huidige 'ijzeren gordijn' van handelsbarrières rond West-Europa vormt een grotere bedreiging voor de hoop op democratie en een vrije markt in Oost-Europa dan een ver, verzwakt en gedemoraliseerd Russisch leger.

Vier decennia lang stonden de troepen van de NAVO in Duitsland tegenover grote aantallen Russische en Oosteuropese tanks. Tegenwoordig is de linie oostwaarts opgeschoven en zijn de vervoermiddelen veranderd van tanks met kanonnen, in vrachtwagens met goederen, maar de boodschap aan de nieuwe oost-west-grens is nog dezelfde: 'Tot hier en niet verder.'

Rusland hebben we reeds de hand gereikt in de vorm van strategische samenwerking. Zo'n samenwerkingsverband valt uit te breiden tot de wederzijdse erkenning van de primaire nationale veiligheidsbelangen; verdergaande samenwerking inzake non-proliferatie en conversie van militaire tot civiele industrieën; gezamenlijke planning voor optreden bij eventuele kernrampen; het opheffen van de staat van alarm voor de meeste resterende internationale kernraketten; een verbeterde uitwisseling van militaire gegevens; samenwerking bij vredesoperaties; en de verdere ontwikkeling van gezamenlijke crisisbeheersings-centra die het gevaar van nucleaire of chemische aanvallen door derde mogendheden of terroristische groeperingen moeten tegengaan.

Dat een post-communistisch Rusland een houding van onverzoenlijke vijandigheid jegens het Westen zal blijven aannemen is naar mijn overtuiging geenszins een uitgemaakte zaak. Wie dat wel zo ziet, dreigt daarmee het gevreesde onheil over zichzelf en de wereld af te roepen. Wel hebben we de plicht om degenen in Rusland die van een imperium spreken te verstaan te geven dat wij een niet-communistisch Russisch imperialisme even verfoeilijk vinden als zijn communistische voorganger.De auteur is Democratisch senator voor Georgia en voorzitter van de Senaatscomissie voor de Strijdkrachten.

© The Washington Post/NRC Handelsblad