Een vaudeville met horizontaal vuurwerk; Antwerpen 93 voor Hollanders verklaard

Antwerpen, metropool voor provincialen, was dit jaar Culturele Hoofdstad van Europa. Er was een Jordaens-tentoonstelling, een ambitieus literair programma en een mislukt vuurwerk op de Schelde. Maar het boeiendste spektakel was het geruzie tussen de populistische burgemeester en zijn esthetisch intendant.

Aantekeningen uit mijn dagboek, de dato 4 maart van dit jaar:

'Vanmorgen de NRC aan de lijn. Verkeerde ik niet in de kringen rond Tom Lanoye? Eigenaardig. Ik ben nu toch al jaren met Lanoye bevriend, maar ik heb nog nooit kringen rond hem gezien, laat staan dat ik daarin verkeren zou. Klaarblijkelijk projecteren Hollandse journalisten die amusante grachtengordel van ze, met alle bijbehorende inteelt, achterklap, haat en gewring van ellebogen, pardoes op het argeloze Antwerpen, met een onverschilligheid voor de werkelijke situatie hier die ze zich ten aanzien van Parijs of New York nooit zouden durven permitteren. Of ik, vroeg de redacteur in kwestie, soms geen stuk over Antwerpen 93 voor ze wilde schrijven? Honderd regels was genoeg. En vooral ook iets over het Vlaams Blok, graag... (Of ik, Stephen Hawking zijnde, niet even het zonnestelsel voor buitenstaanders wil verklaren, aangezien ik toch regelmatig in de ringen rond Jupiter vertoef. En of ik dan vooral ook iets over de Big Bang wil zeggen...)'

Ik wil hier alsnog aan dat verzoek voldoen. Inmiddels is het december, het slotfeest is verregend en in De Morgen polemiseert Eric Antonis, de intendant van het festival, met Bob Cools, de burgemeester van Antwerpen. Dit lijkt me een geschikt moment om terug te blikken.

Laat ik eerst de constituerende delen van het begrip 'Antwerpen 93' belichten, de stad en het jaartal dus.

Om met de stad te beginnen: Antwerpen is een metropool voor provincialen. Als zodanig leent het zich wel voor een vergelijking met Amsterdam, dat in 1987 de Culturele Hoofdstad van Europa was en waarmee het trouwens sinds de dagen van Parma een bijzondere historische band heeft. Kenmerkend voor de autochtone bevolking van dit soort grote provinciesteden is dat zij haar woonplaats per definitie als het middelpunt van de wereld beschouwt, ongeacht de toekenning van grote internationale evenementen - de titel van Culturele Hoofdstad was voor de modale Antwerpenaar eenvoudig de bevestiging van een bestaande toestand. Ook Economische of Politieke Hoofdstad zou voor hem niet meer dan logisch zijn geweest.

De modale Antwerpenaar duidt Antwerpen afwisselend als 'Aantwerpen', 'het stad' en 'de metropool' aan. Die Aa is louter lucht en dient om de stad op te blazen tot iets groters dan zij is. De beide andere namen laten zich verklaren als uitingen van een pathologische verwaandheid, die ook maakt dat de modale Antwerpenaar zijn modderige dialect voor beschaafd Nederlands houdt en bij het opgeven van zijn telefoonnummer nooit het netnummer vermeldt, alsof hij meent dat er buiten de zone 03 geen communicatie mogelijk is.

Die onzijdige stad fascineert me. Het stad... misschien zegt het ook iets over het Antwerpse onderbewustzijn, misschien verzet dat onderbewustzijn zich tegen de verstikkende matriarchale gezelligheid van de moederstad door haar het vrouwelijke geslacht te misgunnen.

Plezant

'Gezelligheid' is een sleutelbegrip in verband met Antwerpen. Ontwikkelde Hollanders omschrijven de sfeer in de stad steevast als 'Bourgondisch', het woord waarin ze ten zuiden van de landsgrens 'gezellig' vertalen. De Antwerpenaar gebruikt geen van beide kwalificaties (in plaats daarvan zegt hij 'plezant'), tenzij hij de kraaiende, licht overspannen toon van Hollandse toeristen imiteert. Antwerpen is namelijk wel erg populair in Holland, maar de liefde is niet wederzijds: De Antwerpenaar verafschuwt het noordelijke broedervolk, dat met zijn massale aanwezigheid tijdens de weekends diezelfde mythische gezelligheid zo rücksichtlos om zeep helpt. 'Bourgondisch' betekent voor de Antwerpenaar zoveel als 'gênant luidruchtig'.

Dit wat betreft Antwerpen.

En dan het jaartal, 1993. De belangrijkste slogan van Antwerpen 93 luidde: 'Kan kunst de wereld redden?' Vanwaar die retorische wanhoopskreet? Wie weet dat 'Antwerpen' en 'de wereld' in lokaal perspectief vrijwel samenvallen, wie weet dat het Vlaams Blok, waarin deze krant tien maanden geleden zo geïnteresseerd was, over nog eens tien maanden de gemeenteraadsverkiezingen dreigt te gaan winnen - wie dat weet zal die slogan niet meer als een vrijblijvende aardigheid interpreteren. Anders gezegd: Antwerpen ontleende in 1993 zijn belang aan 1994, het jaar waarin (zoals iemand het formuleerde) Europa zal moeten kiezen tussen Sarajevo en het humanisme. Eerlijkheidshalve moet ik hieraan toevoegen dat ook Sarajevo zelf zijn schaduw over Antwerpen wierp, en dat de burgemeester in de herfst heeft voorgesteld Sarajevo tot Culturele Winterhoofdstad uit te roepen, om het vacuüm tussen Antwerpen en Lissabon op te vullen en Europa op zijn verdomde plicht te wijzen. Dat was een goed, respectabel idee. De Europese bureaucratie kauwde er een tijdje op en spuugde het toen weer uit.

Het Vlaams Blok is één keer zo dom geweest zich over Sarajevo uit te laten. Voor het openingsweekend was het toneelstuk Sarajevo van Haris Pasovic aangekondigd, met de première waarvan de heropening van de gerestaureerde Bourlaschouwburg luister zou worden bijgezet. De kunstminnende bourgeoisie popelde om zich in het pluche te vlijen, maar dat multiculturele Bosnische drama (dat artistiek helaas waardeloos zou blijken te zijn) was het Vlaams Blok een doorn in het oog. Een eeuw geleden was de Bourla al eens in het Frans ingewijd en nu dit weer, dit Sarajevo, dit gecursiveerde protest tegen de noodzakelijke schifting der volkeren...

En dus eiste het Vlaams Blok dat de welgestelde burgerij haar pantheon weer in gebruik nam op de tonen van Wagners Lohengrin. Was de zwaanridder volgens die sage immers niet de stamvader van de hertogen van Brabant? En lag Antwerpen soms niet in dat aloude hertogdom? Om geheel te doorgronden waarom dit volksverbonden alternatief op Bourgondisch hoongelach onthaald werd, moet de Hollandse lezer ook nog weten dat de partij van de kleine man haar congressen pleegt te openen met een uit alle luidsprekers donderende opname van het Walkürelied.

Freudiaans

En wat wàs Antwerpen 93 nu eigenlijk precies? Een kunstenfestival, zo herhaalde de intendant het hele jaar door. Dat impliceerde beeldende kunst, podiumkunst, muzikale kunst, kunst om de kunst, kunst als tautologische kunstvorm, ku... als men het woord maar vaak genoeg herhaalt, voelt men zich vanzelf onwel worden. 'Wat is mooi, wat is lelijk?' was nog zo'n retorische slogan, die her en der in de stad tot overpeinzing aanzette - maar deze had een freudiaans aspect, want hij maakte duidelijk dat ook de brave, politiek correcte achtenzestiger Antonis zich diep in zijn hart afvroeg bij welke dosis schoonheid het publiek vergiftigingsverschijnselen zou gaan vertonen. Zuivere esthetiek is namelijk onverdraaglijk. Daar komt nog bij dat de esthetiek sinds een decennium of wat ook niet mooi meer hoeft te zijn om zichzelf 'kunst' te mogen noemen (vandaar die slogan). In Antwerpen is een Museum van Schone Kunsten en een Museum voor Hedendaagse Kunst. Uit de meeste exposities van hedendaagse kunst tijdens het voorbije jaar bleek onomstotelijk dat de begrippen 'schoon' en 'hedendaags' absoluut niet identiek zijn. (Uiteraard koester ik de reactionaire opvatting dat schilders verf moeten gebruiken bij de uitoefening van hun beroep. Aan 'concepten' heb ik geen boodschap, die kan ik zelf ook wel bedenken. Arme verf, arme geminachte substantie! Ik probeer me een schrijver voor te stellen die zijn neus ophaalt voor woorden...)

Natuurlijk, Antwerpen pronkte met Jacob Jordaens. Maar ook deze grootverbruiker van verf zou de wereld niet redden, Sarajevo ontzetten of de kleine man van zijn racisme genezen. Om de kleine man te behagen, organiseerde Antwerpen 93 (vooral op aandringen van de burgemeester) enkele zeer volksvriendelijke manifestaties: zeilboten op de Schelde, vuurwerk, honderdvijftig jaar dierentuin, nog meer vuurwerk, een slotfeest. Over dat vuurwerk valt veel te vertellen, evenals over het telkens weer oplaaiende conflict tussen Bob Cools en Eric Antonis, de populistische burgemeester, prominent lid van de Antwerpse Snorrenclub, en zijn esthetische intendant. Deze klucht was een succes in de media en vormde volgens mij het onbetwiste hoogtepunt van Antwerpen 93, maar daar kom ik dadelijk wel op terug. Eerst wil ik iets kwijt over de Antwerpse literatuur, die mijn enige bemoeienis met het festival uitlokte.

Erbarmelijk

Begin dit jaar werd bekend dat er ook literatuur op het programma stond, of althans dat een onderdeel daarvan Vertoog en literatuur zou gaan heten. Hiervoor was een budget beschikbaar, ongeveer 0,02 procent van de totale begroting, dat werd toevertrouwd aan Bart Verschaffel, een filosoof uit Leuven, die enige bekendheid in de literaire wereld genoot dankzij een paar erbarmelijk geschreven essays. De reden van zijn benoeming was een mysterie, dat in de loop van het jaar alleen maar groter zou worden. Want wat deed onze tot letterkundige opgewaardeerde wijsgeer?

Ondanks zijn provincialisme telt Antwerpen een paar grote schrijvers, onder wie Paul van Ostaijen en Willem Elsschot. Het buitenland kent die niet, sterker nog, het meent dat literatuur van enige betekenis hier non-existent is. Om het in dat vooroordeel te bevestigen, nodigde Verschaffel zo veel mogelijk buitenlandse schrijvers, sociologen en collega-wijsgeren uit, met het verzoek een aantal 'cahiers' te vullen met 'teksten' over onderwerpen als Orthodoxie (-) Applaus en Zoölogie. Over (post)moderne dieren. Zes cahiers, gevolgd door twee bundelingen van kunstkritieken. En een doos, ontworpen door Panamarenko (de Antwerpse Tingueley), bevattende een collage van teksten, een cd met stadsgeluiden, een plattegrond met de lokatie van zestig wasserettes, alsmede een film over Parijs als 'de mythische moeder van alle metropolen'. En dan nog een Franse vertaling van Bezette Stad, hier uitgegeven en dus ook gedoemd hier te blijven, zoals iedereen begreep die iets van uitgeven en Frankrijk wist.

Wij, schrijvertjes in Vlaanderen, dachten aan een grap. Het postmoderne dier! De Vlaamse leeuw, voorzien van een gebitsprothese en met gemanicuurde nagels! De vrouw, het 'zogende huisdier' van de neofascisten! Maar het was geen grap. Het was de allereerste keer dat Antwerpen blijk gaf van angst voor zijn eigen bekrompenheid, en van de weeromstuit in een wazig internationalisme verviel - die typische vergissing van alle provincialen.

Tom Lanoye stelde een petitie op, die iedere schrijvende Vlaming ondertekende, Hugo Claus inbegrepen. Mijn bemoeienis bestond erin dat ik Lanoye assisteerde bij het postzegels plakken en telefoneren, Verschaffel reageerde, en wel met het geestige verwijt dat wij provincialen waren, dat wij ons gepasseerd voelden, dat wij op zijn kosten een standbeeld wilden voor onszelf. Maar zo was het geenszins! Alles wat we vroegen was dat hij zijn 0,02 procent, die paar armzalige miljoenen franken, zou spenderen aan één grote dode, Van Ostaijen, Elsschot, Anna Bijns desnoods: vertalingen bij belangrijke buitenlandse uitgevers, symposia, een biografie... en alles wat we kregen was een audiëntie bij Bart Verschaffel, die ons in zijn kantoor opwachtte, gekweld, zuchtend, veel vermoeide Leuvense arrogantie, die later in ongecontroleerde woede omsloeg. Bart Verschaffel, met zijn baard, zijn pauwestaart en de gemankeerde essayist daartussenin - dat was Vertoog en literatuur dus voor ons.

Impressioneren

In 1968 was het volk er voor de partij, in 1993 was het publiek er voor de kunst. In De Morgen van 21 december jongstleden, drie dagen na het verregende slotfeest, schreef Eric Antonis, in 1968 politiek bewust geworden, in 1993 als intendant omringd door postmoderne jongeren:

'De burgemeester stelt, aan het eind van het jaar, het kunstenproject nu openlijk voor als een tamelijk marginaal, elitair festival met behoorlijk wat mislukkingen, dat gelukkig gecompenseerd werd door de restauraties en door enkele succesvolle mega-evenementen. (-) Antwerpen 93 wordt (-) gemeten aan de politieke bruikbaarheid van zijn resultaten - hoofdzakelijk het impressioneren van de bevolking.'

Ja, het boeiendste spektakel van Antwerpen 93 was niet Sarajevo, zoals ik al zei, maar het beschaafde geruzie tussen Cools en Antonis. De laatste signeerde zijn stuk in De Morgen als 'Team van Antwerpen 93', terwijl de kwaliteit ervan toch duidelijk bewees dat dit proza onmogelijk uit de pen van Verschaffel kon zijn gevloeid. Niettemin viel Antonis, zich verschuilend achter zijn team, uitsluitend de burgemeester aan, niet de hele gemeenteraad. Daarom neem ik hier de verdediging van Bob Cools op me. De waarheid is dat de eerste burger, een generatie ouder dan Antonis, niet zonder enige ervaring, niet zonder enige cultuur, door de feiten wel gedwongen wordt tot populisme: het Vlaams Blok woekert als een gifzwam op de rottende, gistende, borrelende Socialistische Partij van Bob Cools. Een socialisme in ontbinding vormt de ideale voedingsbodem voor nationaal-socialisme, dat is nooit anders geweest. Maar Cools zelf is integer, dus wat moet hij doen? Neem nu de vuurwerkkwestie.

Het openingsweekend zou worden opgeluisterd met een reusachtig vuurwerk op de Schelde, waarvan de choreografie was uitgedacht door een Parijse pyrotechnicus. Die had het verbluffende idee gehad om de pijlen horizontaal af te laten vuren, wat weliswaar fraaie reflecties in het Scheldewater opleverde, maar tevens een kleine driehonderdduizend toeschouwers het zicht op de festiviteit benam. De metropool murmureerde. Daags nadien haastte Cools zich om de schuld op Antonis af te wentelen, die het bestaan van de beroemde Antwerpse vuurwerkmakersfamilie N.N. zo hooghartig genegeerd had. De intendant snauwde terug dat deze kritiek hem sterk aan het Eigen volk eerst herinnerde, op een toon alsof de burgemeester Adolf Hitler als postuum erelid van de Snorrenclub had voorgedragen. Antwerpen schoof dichter bij de televisie en genoot... En Cools nam wraak door te beloven dat het volgende vuurwerk, in augustus, van Antwerpse makelij zou zijn en wel degelijk met een verticale bestemming zou worden afgestoken.

Ik sympathiseerde in deze vaudeville onvoorwaardelijk met Cools. Om een of andere reden was de ballistiek van dat Parijse vuurwerk in mijn ogen een metafoor van allerlei aanstellerij, postmodern gebakken lucht, academisme, rive-gauchisme, verschaffelisme.

Pyrrhus

Kan Antwerpen 93, zo achteraf bekeken, een succes worden genoemd? En zo ja, een groot succes? Of eerder een klein? Of allebei misschien, iets in de trant van Pyrrhus?

De tijd zal het leren, de verkiezingen zullen het uitwijzen. Op dit moment is enkel het toeristische succes meetbaar: er waren om en nabij de tien miljoen bezoekers, dat is 2,6 keer zoveel als vorig jaar. Hopelijk heeft dit cijfer de middenstand ook 2,6 keer zo tevreden gestemd. En, nog iets: mijn Hollandse lezer moet de uitwerking van al die belangstelling op het chauvinistische Antwerpse gemoed niet onderschatten, noch de sluwheid van Cools, die erin geslaagd is het hele gebeuren min of meer met zijn eigen persoon te vereenzelvigen.

En ikzelf, Hollandse ingezetene van deze stad, vond ik het een succes? Er waren in elk geval ook 2,6 keer zoveel Hollanders, die 2,6 keer zo vaak 'Bourgondisch!' kraaiden.

Nogmaals mijn dagboek, een notitie van 26 maart:

'Dat hele Antwerpen 93 begint me danig op de zenuwen te werken en het is pas maart. Vrijwel dagelijks hangt er hier wel een of andere Hollandse journalist aan de lijn, die te besodemieterd is om zijn eigen huiswerk te maken. Nu weer de VPRO: of ik ze aan het telefoonnummer van discotheek Café d'Anvers kan helpen, want daar willen ze het nachtleven filmen. Het idee dat Hollanders het Antwerpse nachtleven komen registreren in een etablissement dat voornamelijk door Hollanders wordt bezocht, amuseert me. U amuseert me, zeg ik zachtjes: belt u de inlichtingen maar en mogen er nog duizend wachtenden voor u zijn... Ogenblikje, zeg ik hardop, en ik begin als een pavloviaanse idioot in de telefoongids te bladeren...'