Een schrijver is altijd een dief; Tien verhalen over de Tien Geboden

De tien geboden. Uitg. Prometheus, 191 blz. Prijs: ƒ 24,90

Wie wat zorgelijk terugkijkt op het afgelopen jaar, goede voornemens aan het verzamelen is voor het volgende of zich in het algemeen wil bezinnen op het leven zou zich, op grond van de titel, aangesproken kunnen voelen door de verhalenbundel De tien geboden. Tien schrijvers droegen eraan bij. Achterop het boek worden Bas Heijne, Dirk van Weelden, Tom Lanoye, Leon de Winter, Henk Pröpper, Willem Melchior, Joost Zwagerman, Kristien Hemmerechts, Wanda Reisel en Martin Bril hoopvol 'jonge schrijvers' genoemd, hoewel ze, op Melchior na, allen de dertig gepasseerd zijn. Met dat toverwoord jong wilde de uitgever vermoedelijk benadrukken dat de eeuwenoude wetten van Mozes nog altijd tot de verbeelding spreken, ook van schrijvers die in een ongodsdienstige tijd zijn opgegroeid.

Elk van de tien schrijvers kreeg één gebod toebedeeld. Toch zit er wel enige overlap in de verhalen. Zo kreeg Martin Bril het wat omslachtige, tiende gebod onder zijn beheer, dat verbiedt om het huis, de vrouw, de dienstknecht, de dienstmaagd, de os, de ezel, 'noch iets dat uws naasten is' te begeren. In zijn verhaal wordt dan ook volop begeerd, overspel gepleegd, gestolen en gelogen. Want dat ligt kennelijk het meest voor de hand: de geboden worden in bijna alle gevallen overtreden of niet nagekomen.

God zelf speelt geen rol van betekenis in De tien geboden en als hij al van de partij is, dan wordt hij 'G'd' genoemd, 'The Big Zero' of 'de beste man'. Religieuze twijfel valt hier niet te bespeuren, en ook klinkt er geen toornige stem op de achtergrond of dreigt er een sprinkhanenplaag. De verhaalfiguren kampen met hedendaagse problemen, met de ziekte aids bijvoorbeeld, die in twee tragi-komisch getoonzette verhalen als boze genius fungeert. In veel verhalen knaagt het geweten. Hoe eerlijk moet men zijn tegenover de medemens, hoe slecht is overspel waar toch niemand iets van af weet, hoe erg is een moord die op verzoek of op z'n minst in overleg wordt gepleegd? Om dit soort vragen draait het in het boek. Interessante vragen die niet altijd even interessant beantwoord worden.

Ondanks het gemeenschappelijke thema maakt De tien geboden een centrumloze en ongelijksoortige indruk, zoals bijna altijd het geval is met verzamelbundels. Die ongelijksoortigheid vloeit vanzelf voort uit het feit dat er verschillende schrijvers in aan het woord komen met verschillende registers, stijlen en toonsoorten.

Hoe gewoner, hoe beter, blijkt hier. Het eenvoudige verhaal van Leon de Winter over een jongetje dat angstig toeziet hoe zijn ouders met veel te veel bedrijvigheid de sabbat ontheiligen, is heel wat aantrekkelijker dan het quasi-filosofische gebabbel dat Dirk van Weelden een paar popmuzikanten in de mond legt. Zij proberen aan hun producer duidelijk te maken dat hun muziek - conform het tweede gebod - niets wil uitbeelden. Of, in het eigentijdse jargon van een van de bandleden: “Onze muziek is steeds het tegengestelde van een afbeelding, ja? Namelijk iets wat net buiten beeld is en zijn schaduw laat vallen in het verhaaltje of het plaatje dat het nummer is. Klinkt misschien vaag, maar dat probeer ik, en jij moet maar zien of je daarmee dealen kunt, of dat je dat te onbetrouwbaar vindt, ja?”

Zo is ook de hebzuchtige domineeszoon van Martin Bril met zijn geraffineerd simpele spreektaal een overtuigender personage dan de vroegwijze baby die Henk Pröpper opvoert. Vijftien jaar na Eerste indrukken van K. Schippers mag deze pasgeborene zijn hart luchten over zijn ouders. “Alleen al de taalbarrière die massief tussen ons oprees”, peinst het kereltje in massieve volzinnen. “Waarom zouden woorden die betekenisloos uit het diepst van hun ziel opwelden, een vage echo van muziek, geen abracadabra zijn voor mij? Hun gebrabbel klonk mij even glibberig en onbeheerst in de oren als voorheen de wartaal van hun lendenen.”

Het mooiste verhaal uit de bundel is van Kristien Hemmerechts. Zij slaagde er als enige in haar gebod, 'gij zult niet stelen', in dubbel opzicht tot literatuur te verwerken. Haar hoofdpersoon is een schrijfster die altijd een aantekenboekje bij de hand heeft om bruikbare uitspraken van anderen op te kunnen tekenen. Plagiaat, of navolging, wordt hier niet alleen voorgesteld als diefstal, maar vooral ook als een soort omarming. Het verlangen van de schrijfster naar andermans woorden en zinnen wordt gelijkgesteld met haar verlangen naar liefde. Zij wil geestelijk en lichamelijk opgaan in een ander, om daar vervolgens haar literaire voordeel mee te doen. Maar ze weet dat ze haar werkwijze maar beter niet aan de grote klok kan hangen. Liever gaat ze ouderwets te biecht, al is het ook maar in de verbeelding. “Eerwaarde vader, ik heb gezondigd. Ik heb meermaals de liefde bedreven met een man in ruil voor wat beelden of woorden, soms een enkele zin. Dikwijls gaven ze me dan ook nog een boek mee waarvan ze vonden dat ik het absoluut moest lezen. Meermaals heb ik ook daaruit woorden gestolen.”

Wie op de valreep nog ergens lering uit wil trekken, zou zich de strekking van dit verhaal ter harte kunnen nemen. Een schrijver, zo begrijp ik er althans uit, is per definitie een dief. Wie geen stof opdoet, uit welke bron dan ook, heeft immers ook niets te vertellen. Of die stof ontleend wordt aan een willekeurig persoon of aan een andere schrijver, maakt daarbij geen wezenlijk verschil. Maar om aan elke verdenking te ontkomen, gaf Hemmerechts de twee geschreven bronnen die zij benutte voor haar verhaal, keurig op.