Denken is een instinct

De actrice Myranda Jongeling koestert een fundamenteel wantrouwen jegens gevoelens. “Ik vind het vreselijk te moeten kijken naar acteurs die hun persoonlijke emotionaliteit op het toneel inzetten.” Derde aflevering van een serie interviews met jonge acteurs die geen ster willen zijn.

Haar antwoord is kort en beslist: “Omdat niets is wat het lijkt”. Daarom zegt Myranda Jongeling (37) 'een fundamenteel en diepgeworteld wantrouwen' te koesteren jegens de emoties van toneelpersonages. Maar ook jegens die van haarzelf en in het algemeen, van wie dan ook. “Kijk”, zegt ze later in het gesprek: “ik kan heel goed beweren dat ik na de Toneelschool bij Sater ging spelen, omdat ik zo politiek bewust was. Dat klinkt nobel en mooi: je in dienst stellen van een maatschappijkritisch gezelschap om een betere wereld te bewerkstelligen. Maar een vollediger waarheid is, dat mijn politieke interesse een bijprodukt was van mijn seksuele fascinatie voor donkere mannen. Ik ben tijdens mijn Toneelschooljaren naar Cuba gegaan, waar ik in aanraking kwam met puur politiek, zwart theater. En ik steunde vanzelfsprekend hun strijd maar was toch in de eerste plaats gebiologeerd en ontroerd door dat stel prachtige donkere ogen op het podium.”

Maakt deze bekentenis Jongelings afkeer van emoties al opmerkelijk, haar spel doet dat nog meer. In de onlangs nog wegens succes geprolongeerde voorstelling De Presidentes - een zogenaamd 'faecaliëndrama' van de Oostenrijkse schrijver Werner Schwab, uitgebracht door De Trust in de regie van artistiek leider Theu Boermans - is haar optreden verre van cerebraal. Ze speelt de rol van de volksvrouw Greet en met haar rode, opgetoupeerde pruik, felrode lippen en in een oudroze broekpak geperste, aangezette Rubens-rondingen is zij juist de vleesgeworden zinnelijkheid. Ze rookt en drinkt er op los en praat bij voorkeur over seks, en de afschuw daarover van tegenspeelster Marisa van Eyle, die de bigotte Erna speelt, doet haar reusachtige boezem steevast schudden van de lach. Ze is een hartveroverend wijf, dat instinctief en zonder er veel woorden aan vuil te maken weet wat leven is.

Hoewel Jongeling op het eerste gezicht zeker iets met Greet gemeen heeft, had ze even goed Erna kunnen spelen, zegt ze later. Ze weet niet meer hoe de rolbezetting tot stand is gekomen maar het was in elk geval geen kwestie van typecasting: bij De Trust moet iedereen alles kunnen spelen. “Juist de ambachtelijke manier van werken van dit gezelschap spreekt me aan. Ik vind het vreselijk te moeten kijken naar acteurs die, in de lijn van de postmoderne traditie, hun - hoe heet dat - persoonlijke emotionaliteit op het toneel inzetten en hun 'eigen materiaal' inbrengen. Toneel vertelt een verhaal via personages en het is dus de taak van de acteur om met behulp van een gedegen analyse van die personages een interpretatie te vinden die het stuk een optimale werking geeft. Toneel is, hoe je het ook bekijkt, vorm en die staat tot op grote hoogte los van de persoonlijkheid van de acteur. Juist dat besef maakt je dienstbaar en stelt je in staat alles te spelen.”

Zoals de rol van Fotzi, in het eerder door De Trust uitgebrachte OVERGEWICHT, onbelangrijk: VORMELOOS, het tweede van de vier faecaliëndrama's die Schwab geschreven heeft. Het is Jongeling al vaker gevraagd: hoe zij zó lelijk, vies en voos als deze Fotzi heeft kunnen zijn, een onsmakelijke volksmeid die voortdurend aan haar kruis krabt, half-debiel om zich heen loert, bereid is om zich voor een stuiver in haar broek te laten graaien. Fotzi was volgens haar vertolkster niet moeilijker te spelen dan Greet, integendeel, het was geen dragende rol en, belangrijker nog, “er bestaat niets leukers dan af te dalen in de diepste afgronden van je personage: hoe vileiner, vozer en fascistoïder dat is, hoe liever het me is”. Waarom? “Omdat je anders jezelf nooit zult dwingen voorbij te gaan aan het beeld dat je wilt dat anderen van je hebben. En dat is, op het persoonlijke vlak, de opdracht die een acteur zichzelf stellen moet. Uiterst bewust zijn van wat je doet, maar jezelf tegelijkertijd durven vergeten.”

Schoolcabaret

Myranda Jongeling was zeventien, toen zij werd aangenomen op de Toneelschool in Arnhem. Over haar motieven van destijds is ze kort: “Ik was goed in het schoolcabaret maar wat kun je willen of weten op die leeftijd? En in mijn geval was dat al helemaal de vraag. Men heeft mij na het eerste jaar geadviseerd de studie maar even te onderbreken en eerst maar eens iets van de wereld te gaan zien. Volkomen terecht: ik was zo bleu en groen, dat ik de docenten voor goden hield en de studenten voor half-goden”. Na voltooiing van haar pas drie jaar later weer hervatte studie werkte ze, zoals gezegd, bij Sater, maar ook bij het 'vrouwengezelschap' Persona, bij Independance en bij Theatergroep 't Hof. Tussendoor regisseerde ze kleine voorstellingen, die Theu Boermans, een van haar docenten in Arnhem, op haar verzoek van commentaar voorzag. Toen Boermans in 1988 De Trust oprichtte, vroeg hij haar bij het gezelschap te komen werken.

“Mijn wantrouwen jegens gevoelens houdt ook verband met de ontwikkeling die we hier samen hebben doorgemaakt. Natuurlijk wilde ik vroeger niets liever dan Medea spelen, een lijdende hoofdrol, waarmee ik op grootse wijze het medeleven van het publiek kon opwekken. Niet alleen voor die arme Medea, maar ook voor mijzelf. Want dat is waartoe je geneigd bent: de informatie over het personage zo te interpreteren dat je ook als vertolker sympathiek gevonden zult worden. Maar door die neiging zet je geen helder personage neer. Dat personage heeft, net als wij, gevoelens die altijd op trivia zijn terug te voeren en die inwisselbaar zijn en onbetrouwbaar. Ze hebben te maken met egocentrisme, ijdelheid en exhibitionisme - bij uitstek horend bij een acteur zou je zeggen - maar serieuze betrokkenheid is juist: non-ijdelheid.

“Ik stel welk-gedachtegoed-dan-ook boven gevoelsleven. Mensen die kunnen denken bewonder ik. De waardering voor het gevoel en de intuïtie, door de softe sector in de jaren zeventig, is eerder verhullend dan onthullend geweest. Dat 'ik kan niet anders want zo voel ik het nu eenmaal' zegt me niets. Denken wel, want dat is een hartstocht, een instinct in zekere zin. Denken is soepel en communiceerbaar. Het is het instrument van het zelfbehoud dat de basis is van de cycli en de evolutie van de geschiedenis. En het is controleerbaar en waardevast, zodat het een veel helderer inzicht in bij voorbeeld toneelpersonages kan bieden dan het gepietepeuter met hun gevoelens.”

Mechanismen

De veronderstelling dat Strindberg en Ibsen dan wel geen geschikte auteurs voor haar zullen zijn, bestrijdt Jongeling. Het gaat haar om de 'mechanismen' van personages en het blootleggen daarvan. Bij De Trust worden teksten eindeloos lang geanalyseerd in een poging “zich zo ver mogelijk te verwijderen van plot en personages om de grootst mogelijke abstractie te vinden”. Die betreft altijd het gewelddadige, de noodzaak ook van geweld, want “geweld is beweging en stilstand staat gelijk aan aanvaarding van de dood en de zinloosheid”. Gezamenlijk zoeken de leden van het gezelschap “het punt waarop het geweld in de wereld kruist met het geweld van een personage, al gaat het bij voorbeeld slechts om het breken van een theekopje”. “Die analyse plegen we van seconde op seconde en we vragen ons tegelijkertijd af hoe we onze ontdekkingen zo duidelijk mogelijk op het publiek kunnen overbrengen”. Het daadwerkelijke spelen komt pas op het allerlaatste moment.

“We brengen over het algemeen ideeënstukken, zo realistisch mogelijk. Juist dit genre stukken moet je tot herkenbare banaliteiten zien te herleiden, dan pas maak je ze inzichtelijk. Ik ben bang te grote woorden te gebruiken maar mijn belangrijkste drijfveer is toch het vinden van de waarheid. Maar omdat we daar stuk na stuk steeds dichterbij komen - we kennen elkaar inmiddels zo goed dat we aan een half woord genoeg hebben - wordt die waarheid paradoxaal genoeg steeds kleiner en onzekerder.”

Toch zijn er momenten - tijdens een repetitie of gewoon thuis als ze het script nog eens door neemt of haar kinderen in bed stopt - waarop Jongeling 'overtuigd' is 'van de noodzaak' van haar inspanningen. Dat is een 'bijna religieuze ervaring' die samenhangt met 'de chemische reactie' tussen de leden van De Trust. Het gezelschap is 'beslist géén sekte', maar gezamenlijk zijn ze 'meer dan de som der delen'. Ze beseft, dat die hechte geestverwantschap waarschijnlijk tijdelijk is en wellicht eenmalig. “Het werken hier is te vergelijken met een eerste liefde of met de ontdekking dat je ouders andere wezens zijn dan jij of dat God niet bestaat. Dat zijn intense, unieke momenten die nooit meer terugkeren. Ik hoop alleen, dat we het onderkennen als de magie over is en daar consequenties uit durven trekken.”

Hoop dat het leven niet ophoudt na De Trust put ze bij voorbeeld uit het spel van André van den Heuvel in Thomas Bernhards Heldenplatz, dat het Nationale Toneel enkele seizoenen geleden uitbracht in de regie van Leonard Frank. “Er was een moment waarop hij naar voren liep voor een monoloog en dat zo zuiver deed dat ik er nog steeds huiverend aan terugdenk. Uiteraard loopt er een heel leven achter zo'n man aan, maar daarom juist durf ik te hopen dat ook ik ooit zo minutieus en 'klein' zal kunnen spelen. Ik ben van nature geneigd voor een grote vorm te kiezen, maar ontroering onstaat juist door tragiek zo genuanceerd mogelijk, ja bijna terloops te brengen. De Greet-rol is het moeilijkste op het moment dat zij over de incest van haar man met haar dochter begint. Ik wil dat onderkoeld doen, juist niet uitgaan van de emotie van het personage, opdat het effect maximaal is. Maar ik ben er iedere keer bang voor en grijp naar de koektrommel of naar een sigaret. Maar of het nu met deze of een andere rol is: op een dag gaat het me lukken.”