De roes van de kuisheid

Wat maakt Belgrado, de stad van toenmende armoede, hyperinflatie en criminaliteit, zo aantrekkelijk? Die vraag stelde zich onze correspondent in ex-Joegoslavië in een introspectief verslag vanuit de Servische hoofdstad, waarin voor journalistieke begrippen ruim werd omgesprongen met de combinatie van feiten, tijden en personen. Alle vermelde gebeurtenissen en uitspraken zijn echter authentiek. 'Ze zijn hier nog veel armer en machtelozer dan bij ons in Zagreb, maar desondanks proef je hier levenslust en veerkracht.'

'Ongekust ben ik niet gebleven'', denkt de man met tevredenheid, roert in zijn koffie en kijkt over het Plein van de Republiek in het centrum van Belgrado.

In een sfeer van toenemende paniek, armoede, hyperinflatie, criminaliteit en ander ongerief probeert de resterende Servische bevolking er nog iets van het leven te maken. Maar de man denkt aan de mooie vrouw die hem in Amsterdam, de dag voor vertrek naar een langdurig verblijf op de Balkan, ten afscheid heeft willen kussen, nadat hij daar netjes om gevraagd had. De inwilliging van zijn verzoek aan een bijna-vreemde baart hem nu ook zorgen. Want uit de Servische krant die voor hem op het café-tafeltje ligt blijkt dat er in Sarajevo van alle kanten zwaar geschoten wordt. En hij had zijn verzoek in Amsterdam, behalve met een langdurig verblijf in het desolate Belgrado, ook gerechtvaardigd met zijn plan de oudejaarsavond in het wrede Sarajevo te zullen doorbrengen. Als hij daar nu niet heen durft, of door de oorlogshandelingen niet heen kan, zal de schone kusster zich dan niet achteraf een beetje verraden voelen?

Hij heeft geprobeerd de Amsterdamse uit te leggen waarom hij met alle geweld een tijdje naar Belgrado wilde, of in het algemeen, waarom hij graag in ex-Joegoslavië is. Een groot succes werd dat niet, want hij weet het zelf niet te verwoorden - het is hemzelf een mysterie. Het gemis van haar lippen heeft trouwens enigszins afbreuk gedaan aan de opgetogenheid die hem anders bevangt als hij de Servische hoofdstad betreedt. Pas na een paar dagen keerde de fascinatie terug, toen hij zijn nieuwe Belgradose flat betrad en door de medebewoonster ervan - dat heet hier merkwaardig met een van het Duitse woord voor 'kamer' afgeleide term een 'cimerka' - meteen onbarmhartig in een gesprek van drie uur in het Servisch werd betrokken, een taal die hij nochtans zeer gebrekkig beheerst.

Thema was de vraag wat hij eigenlijk kwam doen in Belgrado, nu de stad in armoede en honger verzinkt. Dat hij van Belgrado hield, kon de 'cimerka' als antwoord niet bevredigen, want Belgrado had in haar visie de laatste jaren juist alle charme verloren. 'Het was een fantastische stad, nu is het een vreselijke stad en wie nog niet geëmigreerd is, blijft zoveel mogelijk thuis. Tachtig procent van mijn vrienden zit in het buitenland.''

Het is een einde van een wereld, ze kon het als tandartsassistente in een chique privépraktijk goed merken: 'Vroeger hadden we interessante mensen als klant: acteurs, schrijvers, noem maar op. Nu zijn het bijna alleen nog onderwereldfiguren.'' Tja, wat kun je daar op zeggen? Dat journalisten nu eenmaal door andermans ondergang worden aangetrokken?, denkt de man. Dat ik ben gekomen om te zien hoe zij en haar gelijken naar de donder gaan? Het is bovendien niet waar. De man ziet niemand graag naar de donder gaan, en bovendien is er iets heel anders wat hem aantrekt in deze streken - een bepaald levensgevoel, een bepaalde directheid en een bepaald fatalisme, waarover het moeilijk spreken is zonder te vervallen in belegen flauwiteiten over de slavische ziel enzo.

De 'cimerka' appelleert in hoge mate aan zijn fascinatie, realiseert hij zich boven zijn koffie, terwijl de stereo van het café Vaya con dios reproduceert, want de wereld moge Servië dan hebben geïsoleerd, de Serviërs blijven in hun muziekkeuze duidelijk wereldburger. Neem alleen al de voortvarendheid waarmee zij gisteravond het gesprek had gearrangeerd, om eens te weten te komen met wat voor een persoon we nu weer de flat gingen delen. Er zat op de bank ook een 'zuster' in de aanslag met een rudimentaire kennis van het Engels, mocht haar streven door taalproblemen worden belemmerd. Maar dat viel gelukkig allemaal erg mee, en een zuster is in dit land trouwens slechts hoogst zelden een zuster, meestal een nicht. Zo is een broer ook meestal een neef - behalve de broer die later op de avond ook nog even langskwam, die was zowaar gewoon een broer.

Nou, dat is dan die directheid die ik kom zoeken, dacht de man laat op de avond met gemengde gevoelens, toen hij achter de telefoon gezeten zijn 'cimerka' in een degelijk, roze hansop uit de badkamer voorbij zag komen op weg naar haar helft van de flat. Want met de directe hartelijkheid komt natuurlijk ook de sociale controle, waarbij gebruik gemaakt wordt van de zeer Oosteuropese premisse dat mannen onhandig in het leven staan en deugdelijke leiding nodig hebben. Hoe arm ze misschien ook is, en hoe zakelijk onze relatie ook zal blijven, toch wed ik dat ze van de week nog ongevraagd iets voor me zal koken. Om nog te zwijgen over de volstrekte zekerheid dat vanaf nu alle andere vrouwelijke contacten door haar zullen worden gewogen en zo nodig de deur uitgekeken.

Daar staat veel tegenover, haar opmerking van de avond die hij zich het best kan herinneren bijvoorbeeld: 'Bij ons in Belgrado vergeleken zijn ze in Sarajevo beter af. Daar sterven ze door kogels, door een strijd over territorium. Dat kun je begrijpen. Maar als hier straks over twee maanden mensen van honger beginnen te sterven, en die kant gaat het al aardig op - wie kan dat nog begrijpen?''

Deze uitlating stuitte de man enigszins tegen de borst, al weet hij wel dat het geen gebrek aan mededogen is waardoor zij werd ingegeven, slechts een algemene onbekendheid met de situatie van anderen in dit ex-land - al wonen ze maar enkele tientallen kilometers verderop. En door zelfverdediging een beetje: als je met een gebroken been in het ziekenhuis wordt opgenomen, is het geen troost te weten dat een kamer verder iemand aan kanker ligt te sterven. Maar eerlijk is eerlijk: de vrouw die hem er in Sarajevo van wilde overtuigen dat 'dit het ergste is wat iemand kan overkomen, dit leven als in een Russische roulette, die bommen elke dag die neerkomen en de wetenschap dat elke minuut je laatste kan zijn'' - die vrouw had hem weten te overtuigen.

Dat kwam misschien ook een beetje omdat hij - anders dan in Belgrado waar zijn Nederlandse geld hem tegen de mogelijkheid van honger beschermt - zich in Sarajevo een mogelijk slachtoffer van die bommen en kogels weet. Al mag hij er, in tegenstelling tot de vaste bewoners van de stad, weer uit als het hem te gortig wordt.

Er is veel nodig om de schoonheid van een vrouw te breken, en bij die in Sarajevo was het dan ook niet gelukt, vond hij toen ze hem een fotootje van zichzelf vóór de oorlog liet zien. Het in Sarajevo gebruikelijke gewichtsverlies van 10 à 25 kilo hadden haar schoonheid eerder doen toenemen, was zijn indruk. Alleen die blik in haar ogen, de ogen van een frontsoldaat, die sprak andere taal. Iedereen ziet in zijn leven een paar dingen die een mens eigenlijk niet zou moeten zien: de teloorgang van een geliefde bijvoorbeeld. Maar op den duur wordt de blik weer door banaliteiten bepaald, of zelfs mooie dingen. Wie in Sarajevo leeft, heeft bijna twee jaar achter elkaar vreselijke dingen gezien, en bijna alleen vreselijke dingen. In het geval van deze vrouw was dat bijvoorbeeld dat haar moeder door een granaat een been verloren had. En dat een van haar beste vrienden zelfmoord had gepleegd, door op een plein onder het bereik van sluipschutters op de grond te gaan zitten, wachtend op de met zekerheid komende fatale kogel. Dat duurde wel een kwartier, omdat de door dit gedrag vermoedelijk verbaasde sluipschutter in de bergen eerst een paar waarschuwingsschoten loste, om te zien of de zelfmoordenaar zich misschien liet verjagen.

Omdat dit het ergste was wat een mens kon meemaken, waarom kwam de hele wereld Sarajevo dan niet te hulp, vroeg de vrouw zich hardop af terwijl hij samen met haar door een vervuilde en deels kapotgeschoten straat liep. 'Dat komt'', had de man gezegd, 'omdat mensen elders ook zo hun eigen problemen hebben. Ik ken ze niet, maar op Tahiti gaat de bevolking vast gebukt onder ernstige problemen - het is in Sarajevo alleen bijna onmogelijk je dat voor te stellen.'' Had ze op dat moment een Kalasjnikov bij de hand gehad, meent de man, dan waren zijn dagen geteld geweest.

Maar even later, toen ze in een soort koffiebar met onderwereldfiguren zaten te doen alsof er aan het leven in Sarajevo nog normale kanten zitten - geciviliseerd koffiedrinken bijvoorbeeld - hadden haar ogen zich met tranen gevuld, niet van woede tegen hem, maar omdat er een bandje op stond met een romantische zanger die haar herinnerde aan eerdere vakanties aan de Joegoslavische kust en de vriendjes die daarbij hoorden. Nu was het bijna onmogelijk verliefd te worden, zei ze. Alleen al vanwege het feit dat je je moest afvragen welke nationaliteit de ander had.

De man had begrepen dat hij haar, ofschoon ze veel jonger was dan hij, misschien een dienst kon bewijzen door haar voor de rest van zijn verblijf als een dame te behandelen, op de flirt af. Het bleek een goed idee: ze bleef hard en afstandelijk zolang ze elkaar zagen, maar deed hem maanden later een opmerkelijk luchthartig briefje toekomen, alsof hij inderdaad een vakantieliefde was geweest.

Er is in Belgrado een vrouw die hem altijd gefascineerd had en die hij daarom eergisteren had opgewacht aan de uitgang van het televisiestation waar ze live de wekelijkse uitzending 'Horoscoop' had gepresenteerd. Een jaar geleden behelsde het programma nog gewoon kijkers die opbelden en hun geboortedatum gaven, waarop de vrouw hen de toekomst voorspelde. Tegenwoordig liet ze echter alleen nog, gezeten tegen de achtergrond van een moderne orthodoxe kitsch-ikoon, haar astrologisch licht schijnen over de politieke situatie. Vanavond is ze wel bijzonder op dreef, had hij gedacht terwijl hij in de portiersloge de uitzending mocht volgen. Niet alleen lichtte ze de internationale situatie door aan de hand van de horoscoop van Zjirinovski, de coming man in Rusland van wie misschien een wat welwillender houding tegenover het Servische broedervolk verwacht mag worden dan van de, naar haar zeggen, 'zieke' Jeltsin. Ook begaf ze zich in de wilde theorie dat op grond van de vorm van het oor karakter- of zelfs politieke verwantschap kan worden bepaald. Een knipsel uit Newsweek: Clinton en Gore hebben op een foto duidelijk dezelfde vorm oren. En wie hebben we hier met net zulke oren? Aha, de Bosnische moslim-ambassadeur bij de Verenigde Naties, Muhammed Sacirbey!

Wat hem fascineerde was niet alleen de wonderlijke cocktail van astrologie, pan-slavisme en extreem-nationalisme, maar vooral de bittere trek om de mond waarmee ze dit alles - drie kwartier op één camerainstelling in beeld - voordroeg, elke vijf minuten de inconsistenties in haar betoog verbloemend met de uitroep 'en nu wordt het bijzonder interessant, kijkers''. Die bittere trek was verdwenen toen ze even later naar buiten kwam en hem abusievelijk inschatte als een van de verloren zielen die op deze plaats kennelijk wel vaker stonden, en een mogelijke klant voor haar astrologisch bureau.

Het verwonderde haar zienderogen, dat een buitenlandse verslaggever alleen maar iets wilde vragen over de uitzending, al herstelde ze zich snel door middel van de opmerking, dat ze nog juist deze ochtend een interview met de Washington Post van de hand had gewezen. Ze was mooier dan hij gedacht had, dacht de man terwijl ze op zijn vragen volstrekt onbelangwekkende antwoorden gaf. Je kon nog goed zien dat ze ooit Miss Yugoslavia was geweest, al zou het onbeleefd zijn te vragen in welk jaar. 'Ik praat over wat het belangrijkste is'', zei ze op de vraag waarom het tegenwoordig steeds over politiek ging. En dat nog steeds zonder die bittere trek op de lippen - wellicht hield ze tijdens de uitzending niet van haar werk, of reageerde ze in die drie kwartier iets af wat hij niet kon doorgronden.

Nee, misschien liet het mysterie van de liefde voor Belgrado zich het best doorgronden door het gezelschap van relatieve buitenstaanders. Zoals de vrouw uit Zagreb die hij laatst ontmoet had, nota bene op een Servische verkiezingsavond. Ze was een van de vele Kroatische intellectuelen die hij kende, die betreuren door het uiteenvallen van Joegoslavië, de Kroatische onafhankelijkheid en de oorlog plotseling in een operette-achtige provincie te wonen, waarbij de nieuwe overheid heeft gedecreteerd dat het volk zichzelf tot het kneuterige Midden-Europa moet rekenen, in plaats van tot de Balkan. 'Kijk om je heen'', had ze gezegd, 'ze zijn hier nog veel armer en machtelozer dan bij ons in Zagreb, maar desondanks proef je hier levenslust en veerkracht. In Zagreb is iedereen alleen maar depressief, in Zagreb kun je niet leven.''

Op zoek naar meer Balkan waren ze later op de avond naar 'De Drie Hoeden' gegaan, een oud restaurant in Belgrado, waar zij het orkest had betaald om Bosnische moslim-liedjes ten gehore te brengen, met daarna ter compensatie enkele in Kroatië thans streng verboden zeer Servische nummers. Tamo daleko ('Daar in de verte') bijvoorbeeld, geschreven ten tijde van de Eerste Wereldoorlog toen het Servische leger zich helemaal tot Korfu moest terugtrekken voor de Oostenrijkse troepen. Het gaat over de graven van de gesneuvelde jongens die door de oorlog onbereikbaar zijn geworden, en over Servië dat zo ver van de zee ligt.

Toen ze later, lichtelijk aangeschoten, over de hobbelige keien huns weegs gingen, kondigde ze aan de volgende keer in Belgrado bij hem te komen logeren. Gelukkig betoont de Servische staat zich gastvrij jegens de van Joegoslavië afvallige Kroaten, die weliswaar hun paspoort met de vijandelijke symbolen bij de grens moeten afgeven, maar met het ontvangstbewijs in Servië mogen rondreizen. Dat wordt straks dus interessant, de reactie van de 'cimerka' op de loge, denkt de man.

'Als ik dit allemaal zou opschrijven'', denkt de man en legt de vijftig miljard die zijn koffie vandaag in Belgrado kost op het cafétafeltje, 'leek het alsof mijn hele leven in ex-Joegoslavië uit vrouwen bestaat.'' Zo stellen sommigen van zijn collega's, misschien onder invloed van wilde verhalen uit andere oorlogen, zich zijn bestaan in Joegoslavië ook voor: overdag geweld en dood, 's avonds drank en vrouwen. In werkelijkheid wordt zijn leven, en dat van de vrouwen waarover hij kan schrijven, door welhaast onbegrijpelijke kuisheid gekenmerkt. Weliswaar heeft hij nog nooit een land bezocht waar mensen het zoveel over seks hebben. Maar, zoals een van hen het heeft uitgedrukt: 'Wanneer praten mensen over brood? Als ze het niet hebben.''

Bij het opstaan van zijn tafeltje bevangt de man een korte paniek, als hij zich nog één keer het gezicht van de vrouw die hem in Amsterdam kuste voor de geest wil halen en daarin niet slaagt. Zij willigde - voor zover hij dat had kunnen beoordelen - zijn verzoek in omdat ze daar zin in had, met een Amsterdamse luchthartigheid die hij na bijna drie jaar Balkan ontwend is geraakt. Ongewild vervaagt de herinnering aan de kus. Er treedt een grimmigheid in, die maakt dat hij misschien over een paar dagen weer gedachteloos naar Sarajevo durft.