DE OVEREN KANT; Het Ik en de Ander, door schoolkinderen op een winterdag verklaard

De oudheidkundige John Aubrey vertelt het verhaal van de zestiende-eeuwse dichter en avonturier sir Walter Raleigh, die op het hoogtepunt van zijn roem met zijn twintigjarige zoon aanzat aan een officieel diner. Halverwege het feestmaal begon de zoon, die tot dan toe had gezwegen, plotseling een kleurrijk verhaal te vertellen over een bezoek aan een hoer, die niet met hem wilde slapen omdat ze 'nog geen uur geleden'' met zijn vader had geslapen. Bij deze onthulling viel er een stilte in het gezelschap. 'Sir Walt, zo vreemd verrast en van zijn stuk gebracht aan zo'n vooraanstaande dis, geeft zijn zoon een verschrikkelijke klap in het gezicht. Zijn zoon, hoe grof hij ook was, wilde zijn vader niet slaan, maar gaf de heer die aan de andere kant van hem zat, een klap en zei: 'Sla hem de tafel rond, dan komt hij aanstonds bij mijn vader aan'.''

Richard Holmes, in zijn nawoord bij Father and Son van Edmund Gosse

Bij elke eeuwwisseling sterft er wel een honderdjarige terwijl elders een kind ter wereld komt, voorbestemd om honderd jaar te worden, en te sterven aan het eind van de eeuw tijdens de geboorte van weer een volgende honderdjarige, en zo verder. Zet twintig van die uitverkorenen wijdbeens en hand in hand achter elkaar, van hier tot het jaar nul, en je hebt onze jaartelling op 'n rijtje - een knokig aquaduct dwars door de Europese tijd. Zie ze daar staan: in hun bijbelse jurk, hun middeleeuws wambuis, met een achttiende-eeuwse pruik op, en - 'een ons kont en een pond broek'' - de levi's van de twintigste eeuw aan (die laatste is tenslotte pas drieënnegentig). Twintig hoogbejaarden: je ziet ze bij elkaar zitten in de praatruimte van het ouden van dagen-tehuis, thee lurkend door een plastic slangetje, een niet te grote bridgeclub. Ja, ze zijn oud, stokoud, bijna twee millennia bij elkaar, maar is deze vredige samenscholing in staat ons een indruk, een beeld, een idee te geven van de hoeveelheid tijd die ons van Christus' geboorte scheidt?

Het is een dubbelzinnig gezelschap, dat ik in het leven heb geroepen om mezelf in tweeërlei opzicht gerust te stellen. Te weten dat er maar twintig lange mensenlevens nodig waren om al die tijdvakken, beschavingen en dynastieën te omspannen, maakt het voor de geest gemakkelijker afstanden in de tijd af te leggen. Alles is ineens veel dichterbij. Wat is een mensenleven tenslotte? Omgekeerd probeer ik mezelf voor te houden dat mensenlevens wel erg lang duren, aangezien er, ter overbrugging van al die eeuwen en oorlogen en periodes, maar twintig, een beetje lang uitgevallen, van nodig zijn.

Zo kies ik met mijn even onnozele als wanhopige spelletje - ik kan ook zeggen: ritueel - beurtelings voor de geschiedenis en voor mijn eigen hachje.

Onlangs overleed, verdronken in zijn eigen vocht, dat zich in hem had opgehoopt, mijn vader op zevenenzestigjarige leeftijd. Zevenenzestig - is dat oud, is dat jong, 'te' jong? Onhandige landmeter van de Tijd: ik knijp een oog dicht en tuur langs mijn meetlint van honderdjarigen, dat stramme aquaduct, dat in de mist van het verleden verdwijnt. Het lukt me niet het antwoord af te lezen.

Dinsdag 15 juni 1993.

Afgezien van de eindeloze stroom verzoeningsrepen Belgische chocola uit de cafés, heeft mijn vader mij drie keer in zijn leven geheel op eigen initiatief iets cadeau gedaan, en dan heb ik het niet over de gelegenheden waarbij hij mij plotseling, zonder noodzaak, zijn windjack aanbood, of zijn trui, of zijn handschoenen - kledingstukken die ik alleen al op grond van mijn smaak (lees: de mode van de tijd) diende te weigeren.

'Nou, voelt 's, wat 'n stof... onverslijtbaar.''

Er was de avond dat hij maar niet van zijn werk thuis wilde komen, en wij al dachten dat hij 'ergens aangelegd had''. Hij kwam een half uur te laat, en overhandigde mij, zonder een zweem van dranklucht, een map met drie kleurenreprodukties van schilderijen van Jeroen Bosch.

'Ze waren te bestellen bij het Eindhovens Dagblad, maar ik moest ze wel zelf afhalen.''

Bij mijn eindexamen schonk hij me, leeg, de kalfslederen portefeuille die hij zelf ten geschenke had gekregen voor zijn bijdrage aan de politionele acties in '46-'49. Maar het overrompelendste cadeau was nog altijd het eerste: een 'timmerkaart'. Een blauwe kartonnen rechthoek met daarop, door elastiekjes op hun plaats gehouden, stukken miniatuurgereedschap. Hamer, nijptang, schroevedraaier, vijl, zaag, alles in het klein. Ik had er vaak om gezeurd, maar er niet op gerekend dat ik mijn kaart zomaar zou krijgen, en dat nog wel van mijn vader. (Verder heeft mijn moeder altijd de verjaardags- en Sinterklaasgeschenken uitgezocht, ook namens hem.)

Vier of vijf was ik toen, en omdat later nooit meer een cadeau dieper indruk op mij gemaakt had, wilde ik Tonio voor zijn vijfde verjaardag zijn eerste timmergereedschap geven. De kist, van Duitse makelij, die Mirjam gekocht had en die Tonio op de ochtend van de vijftiende juni bij ons op bed mocht uitpakken, was eigenlijk te welvoorzien voor zijn leeftijd, vol dingen waarvan hij de functie niet kende. Met de gordijnen nog dicht, de leeslampen aan, kreeg hij uitgelegd waar elk stuk voor diende.

Mirjam had, buiten mij om, voor de aardigheid nog iets voor hem gekocht: een dambord met damstenen. Terwijl ik bij de gereedschapskist steeds, ontroerd, aan mijn timmerkaart had moeten denken, trof het andere cadeau me onaangenaam.

Het was zaterdagavond, en ik hoopte dat mijn vader pas uit de kroeg thuis zou komen wanneer Bart, met wie ik zat te dammen, was opgehoepeld. Het liep anders. De zo goed als dronken man daagde mijn vriend, die zojuist van mij had gewonnen (we waren allebei twaalf) met opschepperig gebral uit tot een nieuwe partij.

'Van mij win je niet. Geen mens.''

Maar hoezeer hij ook, de ogen toegeknepen om de blik scherper te stellen, zijn best deed, mijn vader verloor van Bart.

'Ik heb je laten winnen, Bart. Heb je 't nou door?''

Ik voelde me zo vernederd, was zo woedend, dat ik me niet kan herinneren ooit nog een damschijf te hebben aangeraakt. Opeens vond ik het een stompzinnig spel, met z'n op elkaar gelegde houten rondjes.

Nu, dertig jaar later, zat ik tegenover mijn eigen zoon, in kleermakerszit op het bed, en legde hem uit dat hij de stenen niet voortdurend op de schaakzijde van het bord moest plaatsen, en vervolgens dat hij de witte vlakjes met rust moest laten. Al spelend legde ik hem de regels uit. Ik zorgde ervoor dat hij aan de winnende hand bleef. De telefoon ging. Ik hoorde de drie totaal verschillend klinkende toestellen (een pieptoon, een hoog blurbgeluid, een laag blurbgeluid), elkaar afwisselend, op de drie verdiepingen overgaan - tot Mirjam, helemaal beneden, opnam. Ons eerste damspelletje werd verstoord door Mirjams geagiteerd rennende voeten op de twee hoge trappen naar de slaapkamers. Door het volhardende geren, één ononderbroken roffel, wist ik: Mijn vader. Slecht.

Mirjam stormt de slaapkamer binnen. Lamplicht. Kaboutergereedschap. Tonio en zijn papa, gebogen over het dambord. En buiten adem het bericht: 'Je moet meteen naar Eindhoven. Het gaat heel slecht met je vader.''

Het zou mooi, te mooi, zijn geweest als het zo gegaan was - maar het ging net even anders. Mirjam kwam stralend binnen, en stak haar armen naar Tonio uit.

'Je moet naar school, lieverd. Uitdelen.''

Tonio, heftig: 'Ik moet uitdelen!''

Hij stak nog even zijn hoofd om de deur. 'Adri, bestaat Michael Jackson echt?''

'Nou, dat mag hij zichzelf wel eens afvragen.''

Pas een poos nadat Mirjam hem naar school had gebracht, weer thuisgekomen was, ging de telefoon, en verraste zij mij met haar trapgeroffel, terwijl ik in bed de krant lag te lezen.

'Wat zeiden ze nog meer?''

'Niets. Ze hadden haast. Ze vertrokken meteen naar het ziekenhuis.''

Ik heb niet korter gedoucht dan anders. Treuzelde ik? Ik was eerder bang te vroeg, dat wil zeggen op tijd, dan te laat te komen. Ja, ik douchte even lang als anders. Maar me uitgebreid scheren kwam me weer als immoreel voor: misschien een trein verspeeld.

In het drukke stadsverkeer schoot de taxi slecht op, en in de Marnixstraat vroeg ik de bestuurder of ik de eerstvolgende trein (12:32) naar Eindhoven wel zou halen.

'Mijn vader ligt daar op sterven.'' Ik had het gevoel een willekeurige smoes te gebruiken om de taxichauffeur tot grotere spoed te manen. 'Ik wil hem nog spreken.''

Wat dacht ik hem na al die zwijgzame ziekenhuisbezoeken in de gauwigheid nog te melden te hebben? Waarom haasten we ons naar een stervende om laatste woorden uit te wisselen? Woorden krijgen pas waarde als ze op de toegesprokene kunnen inwerken, telkens weer oproepbaar zijn, herinnerd en opnieuw beoordeeld kunnen worden. Bij een stervende storten we ze in een bodemloos oor, al die goedbedoelde woorden, in een zwarte put, waaruit zelfs geen zweem van een echo terugkeert. Laatste woorden van de stervende zijn al even waardeloos, want nooit meer te toetsen aan latere uitspraken, nooit meer door hem te corrigeren of van commentaar te voorzien; voor eeuwig van elke voetnoot afgesneden. Met de Laatste Woorden van onze overledenen koesteren we een verzameling stenen.

'Toen mijn vader stierf...'' begon de chauffeur, op een toon van 'praat me d'r niet van'. 'Ja, niet mijn echte vader, want ik ben het kind van een Canadees, lichting zesenveertig, maar de man die me heeft opgevoed... die heb ik toen ook niet meer kunnen spreken. En dat is altijd blijven wringen. Hij stuurde me naar kostschool, nadat hij een eigen kind bij m'n moeder had gekregen, en later ben ik gaan varen. Het geld dat ik opzij kon leggen, heeft hij in een eigen bedrijfje gestoken. Geleend dus als het ware, maar ik heb het nooit teruggezien, want hij ging hartstikke failliet, en weer wat later ging-ie dood. Daar was ik dus niet bij. O, die trein haalt u wel, maakt u zich daar geen zorgen over. Later droomde ik regelmatig van hem, en in die dromen gaf hij me dan altijd iets. Een paard, ik noem maar iets. Een ijscokarretje. Van die dingen. Nou geloof ik niet in dansende tafels, in opoe die draadloos doorkomt, maar ik geloof wel dat mijn stiefvader via die dromen contact met mij zoekt, omdat hij met dat schuldgevoel gestorven is. Via zo'n paard, zo'n vliegmachien, zo'n ijswagentje wil hij mij dan terugbetalen. Hij heeft geen rust, daar geloof ik heilig in.''

Om vijf voor half één belde ik vanaf perron 2 van het Centraal Station Mirjam. Nee, zij had niets naders uit Eindhoven vernomen.

Amsterdam-Amstel... Utrecht... In de trein las ik, volhardend, in de Callas-biografie van Arianna Stassinopoulos - totdat ik, kort na Den Bosch, stuitte op de volgende passage over Jackie Kennedy (ten naaste bij reeds Onassis): '(...) haar levenslust, die was gesmoord onder de mantel van bijna-heiligheid waarmee de Amerikaanse pers haar had bekleed. Er blijkt uit een incident hoe sterk die levenslust in haar was. De dag van de begrafenis van haar man was toevallig ook de dag dat haar zoontje John-John drie jaar werd. Iedereen had aangenomen dat het verjaardagsfeestje uitgesteld zou worden, maar Jackie wilde daar niet van horen. Voor haar was het een prettig toeval dat een dag van verdriet en rouw toch nog bekroond kon worden door een viering van het leven met toeters, papieren hoedjes, ijsjes en speelgoedautootjes.''

Plotseling nerveus, rusteloos, vol onbehagen kon ik niet verder lezen. Ik stopte het boek weg. Toen de intercity Eindhoven naderde, wist ik opeens met grote zekerheid: Hij is dood.

Als mijn onrust de waarheid sprak, wat waren dan voor mij zijn laatste woorden geweest? Twee dagen terug hadden we met z'n allen rond zijn ziekenhuisbed gestaan. O, God, zijn Laatste Woord hadden wij hem moeten toewerpen: hij kon er niet opkomen.

'Lig je nog aan de afwatering?'' had mijn broer hem gevraagd.

'Ja, ik heb net zo'n... zo'n...'' Hij was nu erg kortademig. Het was net of zijn verbale vermogen, zijn geheugen er ook kortademig door werden. Hij hapte naar adem, hapte naar het juiste woord. 'Hoe heet dat nou? Zo'n... zo'n... Je weet wel, jonge mannen die dansen...''

'Dansen?''

'Ja, als ze dansen. Inboorlingen. Zo'n ding...''

'Rond een kampvuur?''

'Nee, met speren dansen ze...''

'O, een totempaal...!'' probeerde mijn zus.

'Nee, een touwtje... met een touwtje...'' Hij werd nu kwaad om zijn gebrek aan lucht. 'Met een touwtje zit het vast. Het wiebelt...''

Zijn hoofd viel achterover. Hij pufte. Alle mogelijkheden werden aangedragen, maar aan zijn amechtige drift te merken, raakten we steeds verder van zijn bedoeling verwijderd.

'Nee, geen hoepel... dit!'' Met inspanning van al zijn krachten, hijgend, wierp hij het dek van zich af. Beneden zijn witte, weke, van vocht opgezwollen buik ging zijn geslacht, via een toeter van hansaplast, die was als een eindeloos gerekte voorhuid, over in de catheter.

'O, een peniskoker!'' riepen wij bijna in koor, en de heftigheid, de voortvarendheid van ons geroep leek vooral bedoeld om het tafereel zo gauw mogelijk aan het oog onttrokken te krijgen. Voor hem (en voor ons) kwam deze fysieke openhartigheid wat laat. Hij had in ons bijzijn nooit meer dan zijn handen gewassen. De enige keren dat ik zijn intieme naaktheid had gezien, was wanneer hij, wankelend en mompelend, zijn afgewerkte bier uitpiste in de po op de overloop, die de volgende ochtend dan onnatuurlijk vol was, vaak tot de rand gevuld, en een afschuwelijke lucht van verregende gerst verpreidde. Oranje urine. Nee, toen mankeerde er niets aan zijn afwatering. Omdat de deur van mijn kamer altijd op een forse kier moest blijven openstaan, kon ik hem daar, met zwaaiend bovenlijf, knoeiend, vloekend, sissend, zien staan, met een in mijn ogen onwaarschijnlijk groot geslachtsdeel. De po stond altijd tegen de smalle muurreep tussen de twee slaapkamerdeuren, waar ook het kleine kruisbeeld met een tinnen Christus hing, met een verdroogd 'palmtakje' achter zijn holle rug geschoven. Zo stond hij dan, urine morsend, te kwispelen onder de God die hij had afgezworen.

Niet meer aan denken, niet meer aan denken.

Drie statiën kende zijn kruisweg: van kamer 8 (vier bedden) hadden ze hem naar kamer 4 (twee bedden) gebracht, en nu lag hij op kamer 2 (één bed). Anders dan de vorige keer was de grote vierkante tochtdeur dicht. Door het raam, rond als een patrijspoort, zag ik het grijze, schuddende hoofdje van mijn moeder. Zij stond met beide handen vastgeklauwd aan het voeteneind van het bed: haar stok hing van haar elleboog af. Het viel niet te zeggen in hoeverre haar gekromde, verkrampte houding, het schokschouderen, aan Parkinson te wijten was, en in welke mate aan haar verdriet en verbijstering.

Ik duwde de deur open, zorgvuldig vermijdend naar de dode te kijken, al kon ik niet voorkomen dat het grauwgeel van zijn gezicht als een vlek aan de rand van mijn blikveld bleef hangen. Met afgewend hoofd drukte ik een lange kus in mijn moeders hals, bij wijze van troost, maar ook om mezelf wat uitstel te gunnen. Zij voelde, ondanks de spasmen, rustiger dan ik had verwacht. 'O-och'', zei ze alleen maar, langgerekt en zacht. Ik draaide me om, en keek. Nog minder mijn tegenstander. Hij lag op zijn rug, de neus recht omhoog, de mond half open. Hij kon elk moment zijn bekende slaapkreuntje doen horen. In zijn rechter mondhoek kleefde iets wittigs, als bij iemand die na het tanden poetsen slecht gespoeld heeft. Mijn zus stond over hem heen gebogen, en bestudeerde zijn gezicht van nabij, met iets geamuseerds in haar ogen, al kon ik zien dat ze gehuild had.

'We kwamen net te laat'', zei ze. 'Hij was al dood. Het personeel had nog niets gemerkt. Ze hoorden ons ineens hard huilen. Daar kwamen ze toen op af.''

Marianne stelde mijn moeder voor in de bezoekersruimte te gaan zitten. 'We staan hier al zo lang.'' Zij kuste de dode op zijn voorhoofd, en mijn moeder, nog steeds sprakeloos, streek over de gele handen, die provisorisch samengevouwen waren op het dek. Ik vroeg me af of ik het lichaam zou durven aanraken. Durven misschien wel, maar kunnen?

De twee vrouwen verdwenen gearmd de gang in. Ik schonk koffie uit de thermoskan die op tafel stond, en ging met het kopje in een hardplastic fauteuil bij het raam zitten, ver van het lichaam. Was het de dood, de afwezigheid van mijn vaders nadrukkelijke ademhaling, die kamer 2 (één bed) zo kaal maakte? Een moment later wist ik wat het was. Ze hadden alle apparatuur verwijderd. Verdwenen het kastje met de meters, de standaards met de kolven, de artificiële ingewanden die om hem heen gehangen hadden. Weggenomen de draden, de kabels, de slangen die hem, van lieverlede tegen wil en dank, met naalden aan het leven vastgepind hadden. Hij was vrij. Hij zweefde los in de ruimte. Rond zijn hals zat een witte band, die me deed denken aan de papieren plakboord bij de kapper.

Van tijd tot tijd zette ik mijn koffiekopje, dat ik steeds was blijven bijvullen, in de vensterbank, en stond dan op met het stellige voornemen hem aan te raken. Zijn voorhoofd te kussen, zoals Marianne gedaan had, of op z'n minst over zijn hand te aaien. Ik kreeg het niet voor elkaar. Kwam het doordat ik hem hooguit tot m'n tiende af en toe een nachtkus had gegeven, en nadien alleen nog twee keer per jaar een hand, met zijn verjaardag en met Nieuwjaar? Omhelsd had ik hem alleen soms van achteren, als ik bij hem op de fiets of de brommer zat. Zelfs deze weinige aanrakingen had ik, behalve toen ik nog een klein kind was, als veel te intiem ervaren.

Goed, dan zou ik nu hij dood was toch zonder schroom, zonder angst voor al te grote intimiteit, ten afscheid zijn stoffelijk overschot kunnen kussen? Ik probeerde het. Een onzichtbare, taaie korst van gestolde lucht om het lijk hield me tegen. Was dat het dan - was de walging jegens het dode lichaam nog sterker dan de vrees voor intimiteit die de levende persoon mij had ingeboezemd?

Opeens was daar, uit het niets, de vraag, bijna een antwoord: Is er wel verschil tussen het aanraken van een levende en het aanraken van een dode? Nee, eerder dan die vraag, in plaats van die vraag, was er het beeld, hallucinatoir scherp, van twee schoolkinderen op een winterdag, buiten in de sneeuw. Ze droegen gevoerde nylon jacks, waarvan de capuchons over hun ijsmutsen getrokken waren. Allebei een kleine schooltas op de rug. Broekspijpen in plastic laarsjes gestoken. Ze hadden hun wanten, verbonden door een koord dat onder hun kleren doorliep, uitgetrokken om met blote handen sneeuwballen te kneden. Maar de vorst had de sneeuw tot poeder gemaakt dat niet wilde plakken, en als het rulle zand van de zomer tussen hun vingers wegstoof, zodat ze naar iets anders uitkeken om mee te spelen.

'Zullen we lijkehandje doen?''

'Ja, lijkehandje.''

Ze staken allebei de rood aangelopen wijsvinger van hun linkerhand in de lucht, zo hoog mogelijk, bijna boven hun macht, en drukten de toppen tegen elkaar. Om beurten brachten ze hun vrije hand naar deze kleine, lichtelijk zwaaiende torenspits, en lieten die langs de samengevoegde vingers naar beneden glijden. De twee jongetjes huiverden overdreven met elkaar mee, want ieder wist van de ander wat hij voelde: 'n van leven tintelende vinger naast een die dood, afgestorven, aandeed.

'Huh, ik griezel.''

'Ik moet ook griezelen.''

De huivering, des te authentieker lijkend door hun ademnevel, was gespeeld, maar daarom nog niet minder waar. Ze huiverden het gevoel van doodsheid weg.

'Net of jouw vinger bevriesd was.''

'Nee, jouwes was bevriesd. Mijnes niet.''

Griezelig of niet, of misschien juist vanwege het griezelige - ze konden er niet genoeg van krijgen, van dit mysterie. Telkens weer lieten ze hun vingertoppen - duim aan de ene, de overige vingers aan de andere kant - losjes op en neer glijden langs de gestrekte wijsvingers, die almaar roder werden, behalve daar waar ze het bloed uit elkaar wegdrukten. Bij elke herhaling van het gebaar sloegen de wanten die aan hun polsen bungelden tegen elkaar, en ik moest denken aan een oud gedicht van Willem Frederik Hermans, waarin sokken die aan een touw te drogen hangen zich in een 'wollen, muziekloos carillon'' veranderd zien. Door het geluidloze beieren van die wollen kerkklokken leken de kinderarmen nog nadrukkelijker een toren te vormen, uitstekend boven de kleine tempel die de twee met hun lijfjes vormden, en waarvan de capuchons de koepels waren.

'Getsiederrie, lijkehandje. Nu jij.''

'Gatsie, lijkehandje. Nou jij weer.''

Er was niets verkeerds aan om me door die kleintjes het mysterie te laten verklaren - niet toen, in wintertijd, maar nu, op de zomerse sterfdag van mijn vader, nu ik het tafereel terugzag en pas ten volle begreep. Kinderen spelen niet, ze voeren rituelen uit, in eindeloze herhaling en variatie: het is ze ernst. Hun intuïtie geeft er de lichtvoetigheid van een spel aan, maar ze zijn serieus. 'Spelen' voor wat ze doen is een uitdrukking van volwassenen, die zelf 'ernst' voor hun daden claimen. Schadelijke omkering die onvermoede kennisoverdracht blokkeert.

Niks geen verbond, niks geen symbiose: die twee mollig ingepakte schoolkinderen beeldden een tempel van eeuwige scheiding uit. Met hun rituele handeling maakten ze elkaar voor eens en voor altijd duidelijk dat ze niet bij elkaar konden komen, nu niet en nooit. Misschien bleven ze hun gebaar en hun bezweringsformules nog verder herhalen om het doodse gevoel aan de andere kant weg te strijken, en zo de scheiding ongedaan te maken. Ze moesten er noodgedwongen mee stoppen, toen ook de eigen vingers, niet alleen die van de ander, door de winterkou doods gingen aanvoelen. Ze werden weer in de wanten gestoken, dat wollen juk, waarmee die kleintjes hun voor altijd afgestorven handen door de wereld zeulden. De kinderen keerden elkaar hun schooltassen toe, en gingen uiteen - voorgoed, ook al zouden ze elkaar de volgende dag weer zien om, wie weet, hetzelfde stukje op te voeren. Zeker zouden ze, samen of met iemand anders, als pubers het ritueel hervatten door, zoals jongens doen, hun erecties tegen elkaar op te zetten en het handgebaar te herhalen, met wijder gespreide vingers en nog wanhopiger resultaat, want zo ergens leven behoort te kloppen, dan daar. Het zou ze er een vermoeden van geven dat ook in de liefde geen redding, geen herstel van de symbiose, te verwachten viel.

Ik keek van de dertiende verdieping van het St. Catharinaziekenhuis neer op de stad, die zinderde onder een warme junidag, en vroeg me af of dat overvloedige zonlicht het beeld van die twee kinderen in de sneeuw bij me had losgetrild. Het was geen Spielerei van de geest waartoe ze me hadden verleid, nee, hun verschijning had de uitwerking van een diep verziekend inzicht waarvan ik zeker wist mijn leven lang niet meer te zullen genezen. Ze openbaarden me, die kleintjes, dat elk mens, elke levende persoon, de enige levende persoon op aarde is.

Over het probleem van het Ik en de Ander is het nodige geschreven. Hele modes zijn eraan opgehangen, psychologische en filosofische. Niets nieuws dus onder mijn Eindhovense zon. Maar het ging me niet om wat er in de boekjes staat, het was me te doen om de ontregelende schok van een direct en uniek inzicht. Misschien was mijn geval vergelijkbaar met wat de schrijver Jean Genet overkwam in de trein tussen Salon en Saint-Rambert-d'Albon, waar een vluchtig gewisselde blik met een groezelige medereiziger hem tot het inzicht bracht van de fundamentele gelijkwaardigheid van alle mensen, sterker nog: hoezeer we ook opgesloten lijken te zitten in onze individuele 'schors', we zijn niets anders dan uitwisselbare verschijningsvormen van één mens. Met 'gelijkheid' en 'klasseloosheid', waar marxistische geschriften zo gretig van reppen, had deze gedachte natuurlijk niets te maken. Het was niet minder dan een schok der herkenning, die het wereldbeeld van de schrijver in ontbinding bracht. Hij zou zijn medemensen, ook de begerenswaardige, nooit anders meer kunnen zien dan als manifestaties van zijn eigen ik. Door het aldus verdwijnen van elke individualiteit voelde Genet zich definitief afgesneden van de 'erotiek en haar razenij''. Zo ziet men wat een direct inzicht, met een schok tot stand gekomen, voor verwoestende uitwerking op iemands levenshouding kan hebben.

Om aan te geven hoe het bij mij voelde, moet ik verwijzen naar een houten Sint-Sebastiaan van de beeldhouwer Gerhard Lentink. De torso is doorzeefd met pijlen, zoals bij elke Sint-Sebastiaan, maar hier zijn ze niet pittoresk, in verschillende standen, over het lichaam verspreid: de lange metalen pinnen zijn, op precies gelijke afstand van elkaar, als één rechthoekig blok in het bovenlijf gedreven. Een formatie pijlen die van dichtbij lijkt afgevuurd door een soort Stalin-orgel. Zo ongeveer, als een eg met extra lange punten, kreeg ik het inzicht in mijn borstkas geramd. Met ijzeren precisie was de absoluutheid van mijn (en ieders) eenzaamheid tot me doorgedrongen.

Zolang jij leeft, zijn je medemensen dood. Je voelt tenslotte alleen jezelf. De anderen kun je weliswaar aanraken, maar niet voelen zoals jij jezelf voelt, dat wil zeggen: van binnenuit, vanuit het enig bestaande, enig waarachtige 'ik' ter wereld. Ze zijn morsdood. (Zo behoor jijzelf, op jouw beurt, tot het leger der doden rondom elke willekeurige ander - maar dat is cerebraal geklets, je voelt het niet zo.) Iedereen heeft wel eens lyrisch uitgeroepen, bij het tegen zich aan drukken van een verhit, zich wild gespeeld hebbend kind, of na ultieme omhelzing met de geliefde: 'Zo dichtbij het leven te voelen...!' Voelt men zich niet slechts tegen de ander aan leven? Je kunt iemand de pols voelen, zodat zijn bloed tegen je vingertoppen klopt, maar daarmee is zijn harteklop, zijn bloedwarmte nog niet te doorvoelen, laat staan de rest, de geest, de ziel, of wat je ervan maken wilt. Alle leven zit in jou; jij bent de vergaarbak van het leven op aarde. De anderen zijn niet meer dan schimmige figuranten, die imiterenderwijs jouw leven uitbeelden, het naspelen, nazingen, nadansen. Ze vormen de reien bij jouw heldenrol. Elke ander is niet meer dan een zwakke metafoor, telkens dezelfde, voor de enige ware ik die jij bent.

We hebben zo in anderen altijd noodzakelijk met 'onvolledige', halfwas creaturen van doen - dit is geen neerbuigendheid, maar een fatum. Het is moeilijk een mens die we niet voor vol kunnen aanzien (dat wil zeggen, alle mensen) te bewonderen, en wat voor bewondering moet doorgaan is meestal narcistische dweepzucht met een glimp van onszelf die we in die goed opgewreven ander daar tegenover ons hebben opgevangen. Diezelfde onvolgroeidheid doet ons jegens dat stuk onbenul van een medemens in naijver ontsteken: waarom valt hem, in die onvruchtbare akker daarbinnen, in die doodse woestenij, zoveel goeds toe, wat bij mij, in mijn rijke innerlijke tuin, pas echt goed zou kunnen gedijen. Is het geen zonde talenten in een opgehouden lijkehandje te leggen?

Liefde of geen liefde, bloed van mijn bloed of niet - altijd is de ander van meet af aan al dood, terwijl ik de vloek van het leven draag. Elke jou toegestoken hand is een 'lijkehandje'. Het menselijk bedrijf is één grote onderwereld, waarvan de bewoners jou, het enige ikwezen, in hun dode armen proberen te sluiten. Ze bewegen, maar als schimmen. Dat schimmenrijk bestaat hier, hier en nu, niet aan gindse zijde, niet aan 'de overen kant'', zoals mijn grootvader het uitsprak, als betrof 'over' een stofnaam. Wie de liefde zoekt, zoekt op voorhand Eurydice. Geen realistischer, geen alledaagser verhaal dan de Orpheus-mythe. Wij zijn allemaal Orpheus, en we staan er allemaal alleen voor. Wij kijken over onze schouder om ons van een hinderlijke illusie te ontdoen.

De dood van de ander heeft goedbeschouwd weinig dramatisch. Een stilgelegde schim, meer niet. Wie sterft, heeft zojuist de uiterste grens van het dodenrijk bereikt, dat is alles. Men laat de schimmen en hun gedoe achter zich, en betreedt het waarachtige Niets.

Bevrijd.

Ik schonk mezelf nog wat koffie in, en ging weer in de plastic fauteuil bij het raam zitten, afgemat door mijn treffen met de schoolkinderen. Het zomerse bovenaanzicht van de stad. Mijn hoofd leek alle vuile gedachten te hebben uitgezweet: het voelde leeg aan. 'Een paard... een ijscokarretje...'' zeurde het alleen nog door me heen, als een refrein. 'Een paard... een vliegmachien ... een ijswagentje.'' Hij heeft geen rust, daar geloof ik heilig in.

Roerloos zittend keek ik in de diepte, waar de stad zich door al die vierkantjes licht en driehoekjes schaduw leek te hebben vermenigvuldigd. De dode kon ik niet geheel en al uit mijn blikveld bannen: na verloop van tijd begon hij met bed en al, in een uiterst langzame draaibeweging, van me weg te glijden, als een vastgelegde roeiboot die bij windstilte en gladde waterspiegel nog kans ziet zonder dobberen een halve cirkel om de meerpaal te beschrijven. Ik wendde mijn hoofd in de richting van het bed: alles roerloos.

En wat als ik stierf, de enig levende persoon op aarde? Wat als Orpheus stierf? Zou doodsangst ook zoiets zijn als naijver jegens de achterblijvers, dat stelletje onbenullen? Een vergaarbak geweest van alle leven ter wereld, het enige met een 'ik' bezielde wezen: ziedaar je levenslange uitverkorenheid, en je levenslange isolement. Geen heiligverklaring, je zult zwaar voor je uitzonderingspositie moeten boeten, een leven lang, met een doodsangst die eigenlijk jaloezie is, of vrees voor gezichtsverlies. Je sterft, en de wereld zal wraak nemen op je hovaardigheid door haar onderneming zonder jou voort te zetten (al dan niet onder een andere naam; in elk geval niet de naam die jij haar voor eigen gebruik oplegde). Je bent verdoemd tot het gevoel dat je met je laatste adem alsnog de levens in al die anderen aanwakkert. Het enige ik sterft, en het sterft met de bittere gewaarwording dat de schimmen zich met graagte en opluchting ontdoen van de 'aandachttrekker'. Zo pleegt de wereld verraad aan de intimiteit die ze jou, en jou alleen, toestond: ze gaat door, zo lijkt het, met een andere favoriete 'ik'.

Vanuit mijn ooghoek zag ik het gezicht van de traag wegdrijvende dode helgeel oplichten. Ik durfde niet te kijken. Het zonlicht, dat nu, drie uur 's middags, de hele stad in zijn greep had, viel aan deze kant niet de ziekenhuisramen binnen. Er moest een indirecte zonnestraal op het lijk gevallen zijn, maar weerkaatst door wát in godsnaam, op deze hoogte - een televisietoren? Ik zag geen televisietoren. Ik draaide mijn hoofd naar het bed: mijn vaders gelaat was van een grauw bruinig geel. Geen streep zonlicht te bekennen. Pas door mijn afgewende blik begon hij weer op te gloeien, als om mijn ogen te dwingen zo lang mogelijk bij hem te verwijlen.

Het was als een duizeling: zogauw ik naar buiten keek, begon het lichaam horizontaal draaiend weg te drijven, net zo lang tot het gezicht de zon ving - en daarmee mijn blik, die het licht onmiddellijk weer van de verstarde gelaatstrekken veegde. Speelde hij met mij, of speelde ik met hem? Op den duur beangstigde (of verveelde) het me, en ik stond op om me bij de familie te gaan voegen.

Ik kuste hem niet alsnog. Ik liet zijn hand onaangeroerd. Het lag niet aan zijn positie als dode: ik vroeg mij zelfs af of ik na het verstikkende inzicht dat die onschuldige kinderen mij hadden bezorgd nog wel een levende zou kunnen omhelzen.

Op de crematieplechtigheid kon ik altijd nog, bij wijze van afscheid, de kist met mijn lippen beroeren.

Amsterdam, 15 december 1993