De onparodieerbare gedichten van Kees Stip; Een klosjemereltje en de deux-chevloo

Kees Stip: Lachen in een leeuw, Verzamelde gedichten, bezorgd door Dick Welsink. Uitg. Bert Bakker, 447 blz. Prijs ƒ 45,-

Een nieuwe haring sprak te Dordt:

“Ik denk dat ik geen oude word.”

Tussen de Berlijnse Muur (1961) en de Falklandse Oorlog (1982) maakte ik mij wel eens zorgen over de reputatie van de Nederlandse dichter Kees Stip. Ik vond het een geniale woordensmid in de traditie van Huygens en Staring en Bilderdijk. Met enkele andere fans ruilde ik getikte Trijntje Foppen en verfrommelde knipsels uit kranten. Het is heel genoeglijk, zo'n heimelijke literaire liefde. Maar veel beter is de toestand van heden, waar iedereen de naam Kees Stip weer kent, en waar nu eindelijk zijn Verzamelde Gedichten (nou ja: duizend van de vijfduizend) in een mooie editie kunnen verschijnen.

Stip heeft zestig jaar gedicht. Net als Staring wordt hij door de strenge literatuurkijkers niet serieus genomen. Hij dicht te goed, hij is zelf niet serieus genoeg. Zijn eerste gedichten, in de jaren dertig en veertig waren persiflages van beroemde vaderlanders als Vondel, Nijhoff, Paaltjens, Jan Campert, en Werumeus Buning.

Werumeus Buning? Is dat niet die man die zo vet over eten schreef? Het was een dichter die in 1932 ongekend populair werd met de ballade Maria Lécina. In 1943, in zijn onderduik, schreef Stip hierop de persiflage Diewertje Diekema. Chris Leeflang maakte er in 1944 een clandestiene uitgave van, met een voorwoord van Werumeus Buning. Dat voorwoord werd in de talloze latere drukken niet herdrukt en dat is jammer.

Niemand leest Buning meer. Velen kennen Stips Diewertje Diekema. Diewertje is leuk, maar het is nog veel leuker als je er Maria Lécina naast legt. Het is aardig om bij Stip te lezen: Honderd stieren in Dieren doen Dieren tieren / en tweehonderd wolven Wolvega, maar het is nog aardiger als je dan eerst bij Buning leest: Honderd klokken van Londen doen Londen bonzen / en vier kathedralen Genua. In het voorwoord schrijft Buning na deze regels: '..ik zei bij mij zelf: Ha! deze heer Stip staat niet voor het eerst op de hellingen van den Parnassus! Dat is toch voortreffelijk!' Dat was zelfs zo voortreffelijk dat nu zestig jaar later niemand meer Buning leest en velen Stip.

Buning noemde het een persiflage, de editeur van Stips Verzamelde Gedichten, Dick Welsink, noemt het een parodie. Soms is het ook een pastiche, en soms (bij Homerus) een parafrase.

De Nederlandse literatuur kent niet veel parodieën. Cornelis Veth, Cornelis Paradijs en Cornelis Stip zijn de beste. Bordewijk kon het ook. Komrij introduceerde het genus 'Onherstelbaar verbeterd', waarbij hij van het slachtoffergedicht alleen het klankenschema overnam, maar een totaal nieuwe inhoud leverde.

Het geniale van Stips parodieën is dat ze, ook als je het origineel niet kent, zeer genietelijk zijn. Bij de parodieën is de bron duidelijk, maar zeker in honderd van de duizend gedichten zijn ook andere dichtflarden te vermoeden. Zo begint Lof der genever (1982) met een regel die uit twee woorden bestaat: Sluierstaartvissen drankomneveld, dat mij zeer Hendrik-de-Vriesiaans voorkomt, en eindigt met Waar de Meisjes Zijn, uit een bekend dranklied waarvan ik tekstdichter en componist niet ken. Welsink heeft veel van die allusies opgehelderd, maar niet deze twee.

Gelukkige vondsten

Geen dichter hoeft zich na de behandeling door Stip mishandeld te voelen. Wel schreef Nijhoff in 1944 aan Kees Stip: 'In de variaties heb ik zes gelukkige vondsten aangestreept. Overigens acht ik het minder gelukkig dat u niet juist op 'Pierrot aan de lantaarn' en 'De Griekse idylle' uw keus hebt laten vallen, want deze gedichten zijn zelfs reeds min of meer parodieën van poëzie.' Ik weet niet of alle Nijhofflezers dat gemerkt hadden.

In de jaren vijftig en zestig werd Stip bekend door zijn zesregelige dierenversjes. Bij de lokale uitgaven daarvan in 1988 (Beestenboel) merkte ik op deze plek op, dat die gedichtjes niet over dieren gaan maar over taal en dat alle ooit verzonnen taalgraptypen erin te vinden zijn. In deze Verzamelde Gedichten staan ze allemaal, met nog wat verbeteringen en aanvullingen. Zo is het tweeregelige Op een haring, dat ik als titel hierboven gebruik, nieuw. Dat staat wel in het commentaar van Welsink achterin, maar omdat daar geen paginanummers staan, weet de lezer even niet welk van de vier gedichten met de titel Op een haring er nieuw is.

Welsink heeft veel voor ons uitgezocht, zoals de dichter van In een groen groen knolleland, en heeft zich daarbij niet ingehouden. Dan moet een criticus misschien gaan zeggen, dat de Apollolaan al vóór de oorlog zo heette, dat Cals zelfs minister-president was, dat Slavenburg een frauderende bank was, dat Drieduizenddrie slaat op Mozarts Mille Tre. U wist dit allemaal? Zulke kritiek is kinderachtig? Alleen een grote mate van kinderachtigheid is in staat een goed commentaar op Stips produkten te leveren. Verwijzingen naar het Wilhelmus zijn altijd nog te vinden, maar verwijzingen naar de leuzen Geen Rus in Mijn Tuin en het antwoord Geen Raket in Mijn Tuin (of was het andersom?) zijn al haast weer vergeten.

Als ik me de weg Haarlem-Amsterdam goed herinner, luidde de leuze op het hek bij een kistenfabriek: Al een kist, vat of krat van de Phoenix gehad? mét een vraagteken. Is de Paaltjensparodie Hanengekraai niet al veel ouder dan de bron uit 1982? Ontbreekt in de lijst van dichtbundels waaruit geen enkel gedicht geselecteerd werd niet: Sijmen kan rijmen (Bakker, 1985)? Ik wou alleen maar laten zien dat ik de Verzamelde Gedichten, die ik voor 99 procent al kende, weer, en met genot, gelezen heb.

Het register op de beginregels leert ons dat 351 gedichten beginnen met “Een (dier)...” Drie beginnen met “Een Franse (dier)”: Daarin vinden we bij merel het klosjemereltje, bij muis de petits poids lourds en bij vlo de deux-chevloo.

Net zoals Nijhoff kan Stip van veel van die dierengedichten zeggen dat ze 'min of meer parodieën' van het genre zijn. Daarom zal niemand ooit Stip kunnen parodiëren.

Stip en Vroman studeerden in dezelfde jaren in Utrecht, en ik heb wel eens gezocht naar overeenkomsten tussen die twee (en natuurlijk Koolhaas). Maar Stip is altijd parodist, waar Vroman vaak ernstig is. Daarom kon Stip Vroman zo meesterlijk typeren met de pastiche:

Vervogelend verbaast hij zijn publiek

Een beendermergmachientje zuigt kwiek

zijn botten leeg, en buiten loopt de leegte

van lieverlee vol met vromantiek.