De meester-vervalser

Wie was de beeldend kunstenaar Johan Diekman alias Eterman, over wie de tekenaar Marten Toonder in zijn autobiografie schreef? Speurtocht naar een raadselachtig vervalser, van wiens hand een aantal 17de-eeuwse meesterstukken in omloop is. Vrijwel alles wat hij achterliet is echter spoorloos.

De jaargenoot van de bekende collega-vervalser Han van Meegeren, die model stond voor het Bommel-personage Terpen Tijn, lijkt opgegaan in de astrale sferen waarin hij zich thuis voelde. Toch zal het Diekman/Eterman niet lukken om zich volledig schuil te houden.

In de herfst van 1944 reed Marten Toonder op een fiets met houten banden van Amsterdam naar Den Haag. Hij kon de 73 medewerkers van zijn Amsterdamse tekenfilmstudio niet langer uitbetalen en hij had dan ook acuut geld nodig. Zijn moeder, op de hoogte gesteld van zijn financiële problemen, had hem aangeraden om naar Eterman te gaan, een Haagse schilder met wie ze in de jaren dertig bevriend was geraakt.

Voor Marten Toonder was deze Eterman ook geen vreemde: hij had aan Toonder enkele schilderijen verkocht, waaronder een portret van generaal Bramwell Booth van het Leger des Heils. Voor de oorlog, toen Toonder in Leiden woonde, kwam Eterman regelmatig bij hem op bezoek en hij had Toonder en zijn vrouw - de tekenares en kinderboekenschrijfster Phiny Dick - ingewijd in de geheimen van de olieverf, 'waar men nooit olie in moet mengen, terpentijn droogt sneller''.

Toonder was nooit bij Eterman thuis geweest toen hij in 1944 naar hem toe fietste. Hij had Eterman leren kennen als een buitengewoon begaafd, maar niet erg succesvol schilder van impressionistische doeken die opvielen door hun Rembrandtieke kleurstelling. En ook als een man met paranormale talenten: zijn telepathische vermogens waren verbluffend. Hij sprak in een mystiek-astrologisch jargon, termen als 'etherische straling', 'kharmatische trilling' en 'astraallichamen' lagen hem in de mond bestorven.

Later zou deze Eterman Toonder inspireren tot de figuur Terpen Tijn, de fijn-vibrerende schilder uit de Tom Poes-verhalen.

Eterman was een galant heerschap, altijd onberispelijk gekleed, maar rijk was hij zeker niet, eerder wat verarmd en het was Toonder een raadsel hoe hij hem aan geld zou kunnen helpen. Maar hij had de raad van zijn moeder nu eenmaal opgevolgd en dus belde hij bij hem aan, in de Haagse Johan van Hoornstraat 9. Met de woorden 'Ja ja, ik zie het, uw vibratie is geminiseerd door abominaties'' liet Eterman hem binnen en daar zag Toonder in een achterkamer een schilderij hangen dat hem bekend voorkwam. Het was een portret van een oude man met zwarte baret. 'Een Rembrandt'', zei Eterman en hij toonde zijn bezoeker enkele echtheids-certificaten, onder andere van de Rembrandt-expert Abraham Bredius. Toonder bekeek de documenten, maar hij begreep dat niemand anders dan Eterman dit doek geschilderd kon hebben. Hij bezat immers zelf een voorstudie van dit portret, een schilderij gesigneerd met J. Eterman, dat hij voor de oorlog van hem gekocht had.

Behalve de 'Rembrandt' hing er in de Haagse achterkamer ook een portret van een Engelse lord van Van Dyck en een kolossaal doek dat Toonder een Rubens toeleek. Maar hij had weinig tijd om zich in de schilderijen te verdiepen. Eterman kende het doel van Toonders komst, hij zei dat het hem een eer was de helpende hand te bieden en hij opende een kast waarvan de planken van onder tot boven gevuld waren met leren étuis. Eén daarvan gaf hij aan Toonder die, verrast door de zwaarte van het ding, zich haastte het open te maken. Het étui bleek enkele goudstaven te bevatten.

Nog voor hij van zijn verbazing bekomen was, had Eterman hem al met enkele hoffelijke opmerkingen naar de deur geleid. Met zijn jaszakken vol goudstaven fietste Toonder terug naar Amsterdam. Zijn studio was gered, hij hoefde zijn medewerkers niet op straat te zetten.

Marten Toonder beschrijft dit voorval in het onlangs verschenen tweede deel van zijn schitterende autobiografie Het geluid van bloemen.

Na zijn fortuinlijke tocht naar Den Haag besefte hij dat Eterman zijn goudschat verdiend had met het vervalsen van Oude Meesters: in de jaren dertig schilderde hij eerste opzetten, voorstudies die hij nog met 'Eterman' signeerde, in de oorlog begon het echte werk. De voorstudie voor de 'Rembrandt' die Toonder bezit, staat in Het geluid van bloemen afgebeeld.

In beide delen van de autobiografie komt Eterman, de 'kunstenaar met de geheimen', herhaaldelijk ter sprake. Zijn ware naam was Johan Diekman. Hij was een beeldhouwer die omstreeks 1930 ging schilderen onder het pseudoniem Eterman. Hij bezat, zoals Toonder merkte, een gedegen kennis van 17de-eeuwse verfsoorten en schildertechnieken. Op een keer, lang voor de oorlog, toen hij een schilderijtje toonde - De geboorte van Jezus - waarin de donkere kleuren een wonderbaarlijk licht uitstraalden, liet hij zich ontvallen dat de oude schilderwijze die hij hier had toegepast, door niemand meer beheerst werd, op één uitzondering na: Han van Meegeren, zijn jaargenoot op de academie.

Toen ik de twee boeken van Marten Toonder uit had, ging het knagen: wie was deze Diekman alias Eterman? Waar zijn de 'Van Dycks' en de 'Rembrandts' gebleven die hij geschilderd had? Aan wie had hij ze verkocht? Waren het zelf verzonnen meesterwerken, zoals Toonder vermoedde, of had hij bestaande schilderijen gekopieerd? Wat was er met de honderden goudstaven gebeurd? Hoe kwam Eterman aan de certificaten van experts als Bredius, de kunstverzamelaar en voormalige directeur van het Mauritshuis? Kenden zij elkaar? En wat was de connectie tussen Eterman en zijn illustere collega Han van Meegeren? Was Eterman, net als van Meegeren, met zijn meesterwerken tegen de lamp gelopen?

Het raadsel smeekte om ontknoping.

IJdelheid

Marten Toonder reageert verrast als ik hem bel en alle Eterman-vragen aan hem voorleg. Ook hij blijkt nieuwsgierig naar het antwoord, dat hij helaas zelf niet kan geven: hij heeft nooit een poging gedaan het geheim te ontsluieren. Wel had zijn moeder hem verteld dat, toen Eterman overleden was, al het goud was verdwenen. Dat had Etermans vriendin, die kort na hem eveneens was gestorven, haar toevertrouwd.

Nee, met Van Meegeren was Eterman niet bevriend, hij had Van Meegeren juist een ijdele, kleine man gevonden die zijn ongeluk aan zichzelf te danken had. Vlak na de oorlog, toen de zaak Van Meegeren speelde, had Toonder daar nog met Eterman over gesproken.

Han van Meegeren was in 1946 opgepakt omdat een tijdens de oorlog aan Hermann Goering verkwanseld schilderij - Christus en de overspelige vrouw van Johannes Vermeer - via hem in de kunsthandel was beland. De politie wilde van hem weten hoe hij aan dit schilderij was gekomen. Van Meegeren kon geen bevredigende verklaring verzinnen en hij biechtte op dat hij het doek zelf had geschilderd. En niet alleen dit doek, maar ook de in 1937 ontdekte Emmaüsgangers en nog drie andere doeken waarin alle kunstexperts, Abraham Bredius voorop, echte, onmiskenbare Vermeers hadden gezien.

Van Meegerens bekentenis ontlokte aan Eterman het commentaar: 'Als men dit vak uitoefent, moet men niet naar erkenning streven.'' Toonder: 'Hij bedoelde dat Van Meegerens ijdelheid hem fataal was geworden.''

Toonder kan, zo zegt hij spijtig, verder niet zoveel toevoegen aan wat hij in zijn boeken over Eterman geschreven heeft. Hij weet alleen dat Etermans portret van Bramwell Booth nog bij het Leger des Heils moet zijn. Daar heeft hij het zelf, in 1965, aan geschonken. De toenmalige commandant van het leger, W.F. Palstra, had hem in een bedankbrief geschreven dat het doek een 'waardige plaats' in een van de 'belangrijke gebouwen' zou krijgen. Ook vertelt Toonder nog dat de man die in de jaren dertig met Etermans schilderijen leurde geen Onnaerd heet, zoals hij hem in zijn autobiografie heeft genoemd, maar Donnars. Deze Donnars had verschillende Etermans verkocht aan Piet van der Lelie, destijds hoofdredacteur bij de Nederlandsche Rotogravure Maatschappij in Leiden, waar Toonder voor de oorlog als tekenaar werkte.

Na het telefoongesprek begint mijn tocht langs bevolkingsregisters en archieven, langs kunsthistorici, Rembrandt- en Brediusspecialisten, Haagse schilders en beeldhouwers, antiquairs en kunsthandelaren en, als die eenmaal zijn opgespoord, natuurlijk ook de familieleden van Johan Diekman.

Het lijkt aanvankelijk een hopeloze onderneming. De 'kunstenaar met de geheimen' en de paranormale begaafdheden heeft kennelijk besloten om zelf voor altijd een geheim te blijven. Diekman doet zijn pseudoniem eer aan: hij lijkt vervluchtigd, opgegaan in het niets, in de astrale sferen waar hij zich in zijn aardse bestaan al zo thuis voelde. Ook alles wat hij achterliet lijkt spoorloos verdwenen.

Zo is het schilderij waarop Bramwell Booth in een zwarte pij, met een glanzend witte baard staat afgebeeld, bij het Leger des Heils onvindbaar zoek geraakt. Het was een levensgroot portret, volgens Marten Toonder 'een meesterwerk'.

Kapitein J.B.K. Ringelberg, die in het Legerkwartier te Almere als hoofd van de afdeling Toerusting ook het Heilsarchief beheert, maakt na verwoede pogingen om het portret te vinden, de verontschuldigende opmerking dat het Leger des Heils altijd een organisatie is geweest 'die zich met de daad van het nu bezighoudt'. 'Daardoor hebben onze bezittingen uit het verleden en onze archieven wel eens van barbarisme te lijden gehad.'' Het is mogelijk, zegt hij, dat het schilderij bij de verhuizing is achtergebleven in het voormalige hoofdkwartier te Amsterdam, een gebouw aan de Prins Hendrikkade waarin nu de Stichting Jeugd met een Toekomst zetelt.

Maar ook bij Jeugd met een Toekomst speurt men vergeefs naar het doek. Voordat de stichting het gebouw betrok, was dit gekraakt door de Children of God en die zijn niet al te nauwkeurig omgesprongen met de zaken die het Leger des Heils had achtergelaten, meldt een woordvoerster van Jeugd met een Toekomst.

De archieven - het Haags Gemeentearchief, het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie en het Rijks Instituut voor Oorlogsdocumentatie - geven alleen prijs wat Diekman allemaal niet was: hij was géén lid van Haagse kunstenaarsverenigingen als Pulchri of de Haagse Kunstkring, hij heeft zich tijdens de oorlog niet aangemeld bij de Kultuurkamer, er is, voor zover bekend, nooit een tentoonstellingscatalogus van hem verschenen, geen kranteknipsel over hem bewaard gebleven, laat staan een brief of enig ander document. Het correspondentie-archief van Abraham Bredius bevat geen enkel epistel van Diekman of Eterman. In de studie van Adriaan Venema, Kunsthandel in Nederland 1940-1945 komt zijn naam niet voor en evenmin in J.W. Mulders boek Kunst in crisis en bezetting. In geen enkele van de vele boeken over Han van Meegeren valt de naam Eterman of Diekman, in geen knipselmap over het onderwerp kunstvervalsingen is zijn naam te ontdekken. De Rijksdienst Beeldende Kunst heeft in haar schilderijen-collectie geen enkel doek van Eterman.

Toch zal het Eterman niet lukken om zich volledig schuil te houden.

Aquarium

Dit is wat Eterman wél was: Joannes Mathias Diekman (in het bevolkingsregister staat de naam, anders dan bij zijn vader, met één n), geboren in Den Haag in hetzelfde jaar als Han van Meegeren, 1889, en gestorven in 1955. Zijn vader, Jan Diekmann, was een vooraanstaand beeldhouwer, dat wil zeggen een uitvoerder van ornamenteel beeldhouwwerk voor bruggen en gebouwen: gipsmodellen werden door hem omgezet in steen. Hij werkte vaak in opdracht van Rotterdamse Art Nouveau-architecten en hij maakte bijvoorbeeld de ornamenten voor het beroemde Witte Huis dat in 1900 in Rotterdam werd gebouwd.

Het beeldhouwersberoep zoals dat door Jan Diekmann werd uitgeoefend, ging vaak over van vader op zoon en het is dan ook waarschijnlijk dat de jonge Diekman in de werkplaats van zijn vader werd opgeleid: ook hij liet zich inschrijven als beeldhouwer.

Volgens de kunsthistoricus Ype Koopmans, die in deze materie gespecialiseerd is, voerde vader Diekmann niet alleen opdrachtwerk uit, maar heeft hij ook beelden naar eigen ontwerp gemaakt. Van de zoon is daarover niets bekend.

Johan Diekman moet naast de opleiding die zijn vader hem gaf onderricht in tekenen en schilderen hebben gekregen. Dit kan niet aan de Haagse Academie zijn gebeurd, daar stond hij niet ingeschreven. Waarschijnlijk volgde Johan Diekman een of meer cursussen aan de Technische Hogeschool in Delft, waar het gezin vaak verbleef en waar ook zijn moeder, Agatha Etermans, vandaan kwam. Dit zou verklaren dat hij later sprak over zijn 'jaargenoot' Van Meegeren, die in Delft, in 1914, zijn acte M.O.-tekenen haalde.

In 1934 overleed de oude Diekmann en in die tijd besloot zijn zoon Johan Diekman zich geheel aan de schilderkunst te wijden. Hij nam, als schilder, de naam van zijn moeder aan, maar zonder s.

Van Etermans doeken uit de jaren dertig heb ik geen enkel exemplaar kunnen traceren, maar er moeten huiskamermuren zijn waar ze zomaar argeloos aanhangen, zoals vroeger bij Piet van der Lelie in Leiden die, volgens Toonder, een 'hartstochtelijk kunstverzamelaar' was. Zijn zoon, P.C.J. van der Lelie, herinnert zich dat zijn vader veel waardering had voor Etermans werk. Hij bezat van hem ondermeer een schilderij waarop een aquarium met tropische vissen was afgebeeld en ook een precieus geschilderd stilleven van een kommetje met eieren en wat voorwerpjes daar omheen. Na de dood van zijn vader in 1956 zijn de schilderijen verkocht en Van der Lelie heeft geen idee waar ze gebleven zijn.

De Haagse antiquair T. Balleur staan de doeken van Eterman nog helder voor de geest. Hij zag ze bij de kunsthandel Oudt-Holland van A.J. Boer die voor de oorlog aan de Haagse Piet Heinstraat gevestigd was en later aan de Anna Paulownastraat 11.

'Eterman maakte interessante schilderijen, niet groots, maar toch opvallend door de gelige, Rembrandtieke toets, het glas-in-lood-achtige kleurenschema. Zijn werk behoorde tot de naloop van de Haagse School.'' Behalve kerkinterieurs en landschappen, die Eterman na de oorlog exposeerde, kan Balleur zich van voor de oorlog ook de wat impressionistische kopieën naar Rembrandt en Van Dyck herinneren. In deze categorie schilderijen - die met Eterman gesigneerd waren en dus nog geen vervalsingen - valt het doek dat Toonder in zijn autobiografie afbeeldde: de voorstudie voor de echte 'Rembrandt' die hij in 1944 in Etermans huis aantrof. De oude man met baret die Eterman op dit doek weergaf, was geen zelfverzonnen Rembrandt (zoals de Vermeers van Van Meegeren), het was nageschilderd.

Bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie zijn Rembrandts portretten van oude mannen gerangschikt naar hun houding en hoofddeksels: met hoed, kalotje of baret, links of rechts kijkend, met of zonder handen. In de fotomap van oude mannen met baret, linkskijkend en zonder handen, is Etermans voorbeeld snel gevonden: een donker portret van een sombere grijsaard, omstreeks 1645 geschilderd op een paneeltje van 17 bij 20 centimeter.

In zijn oeuvrecatalogus van Rembrandt uit 1935, getiteld Rembrandt. Schilderijen. 630 afbeeldingen nam Abraham Bredius dit werk op onder nummer 244: Studie van een oude man. Het paneeltje bevond zich toen in een particuliere collectie in Detroit en Bredius maakte er de aantekening bij dat hij het zelf nooit gezien had. Misschien dat deze aantekening de reden was dat Eterman juist dit paneeltje in de oorlog uitkoos voor een van zijn vervalsingen. Bredius kon immers makkelijker een certificaat van echtheid uitschrijven voor de vervalsing van een Rembrandt die hij nooit met eigen ogen bestudeerd had, dan voor een werk waarbij hij dat wel had gedaan. En Eterman beschikte over een certificaat van Bredius. Nu was Bredius, achteraf bezien, niet kieskeurig met zijn toeschrijvingen aan Rembrandt en nogal scheutig met zijn certificaten, die hij soms alleen op grond van een foto toekende, maar in die tijd werd er toch nog wel waarde aan gehecht.

Het Rembrandtboek van Bredius verscheen in 1969 in een door Horst Gerson herziene editie. Gerson maakte op zijn beurt ook weer enkele aantekeningen bij het paneeltje: de toeschrijving aan Rembrandt lijkt hem niet geheel overtuigend. En, zo schrijft hij: Er bestaat een andere versie.

De versie van Eterman?

Vaderlandsliefde

Omdat het originele paneeltje zich in de Verenigde Staten bevond, moet Eterman zich bij zijn vervalsing gebaseerd hebben op een foto. Wat Eterman niet kon weten, maar wat nu zo goed als zeker lijkt, is dat het paneeltje niet door Rembrandt was geschilderd.

Volgens Michiel Franken, een van de leden van het Rembrandt Research Project, is er nauwelijks enige kans dat dit werk als een echte Rembrandt erkend zal worden: 'We hebben het nooit zelf bestudeerd, maar we kunnen Horst Gersons bedenkingen wel bijzonder goed navoelen. Als zich geen heel grote verrassingen voordoen, zal het schilderij - dat zich nu in Santa Barbara, in Californië bevindt - buiten onze selectie vallen.''

Franken heeft nooit een vervalsing gezien van het schilderij, maar, zo zegt hij, het is goed mogelijk dat die wel bestaat: 'We krijgen wekelijks brieven van particulieren die menen een Rembrandt te bezitten. Vaak kunnen we aan de foto al zien dat we hen moeten teleurstellen. In een museum kan zo'n vervalsing niet hangen, want alle Rembrandts uit de museumcollecties waren in de negentiende eeuw al bekend.''

Etermans vervalsingsdrift beperkte zich niet tot Rembrandt. Hij keek de kunst ook van Van Dyck af en, wie weet, van Rubens. Voor zijn kastplanken vol goudstaven moet hij een flink aantal Grote Meesterwerken hebben geproduceerd.

In de oorlog waren Van Meegeren en Eterman niet de enige schilders die goud verdienden. Het vervalsen van 17de-eeuwse Hollandse schilderijen is nooit zo lucratief geweest als juist toen.

De omzet van de kunsthandel in Nederland was in de jaren dertig flink gedaald, maar na de Duitse inval brak, vooral voor handelaren in oude kunst, een nieuwe tijd aan. De Duitsers toonden een grote belangstelling voor 17de-eeuwse Hollandse schilderijen en de handel daarin bloeide dan ook als nooit tevoren. Het centrum van deze handel was in de oorlog Den Haag. In opdracht van Goering en Hitler stroopten Duitse kunstinkopers de Nederlandse markt af, er waren talloze Duitse privéverzamelaars die in Nederland hun collecties kwamen spekken en bovendien besloten veel mensen in deze jaren hun geld in kunst te beleggen.

In Den Haag had Seyss-Inquart een speciaal kantoor laten oprichten, de Dienststelle Mühlmann, die niet alleen geconfisceerde kunst uit joodse verzamelingen bijeenbracht, maar ook op grote schaal inkocht bij Nederlandse kunsthandels en veilingen. De Dienststelle was een soort tussenstation, de kunst die hier binnenkwam was bestemd voor Duitsland: voor de collecties van Hitler en Goering, voor SS-gebouwen en hoge nazi-functionarissen.

Aan de vraag naar oude meesterwerken viel nauwelijks te voldoen. Het was dus onvermijdelijk dat de prijzen stegen en ook dat er nieuwe oude meesterwerken werden bijgemaakt. Vervalsingen. Adriaan Venema vertelt in zijn boek over de kunsthandel tijdens de oorlog hoe bij de Haagse firma D. Katz zoveel 'Rembrandts' werden aangeboden dat een aankoop bij Katz al snel de naam 'Katzenjammer' kreeg.

In 1942 en '43, toen de handel in oude kunst op zijn hoogtepunt was, maakten de kranten keer op keer melding van dubieuze doeken, van 'neppers'. De ene vervalsingsaffaire volgde op de andere en de kranten waarschuwden het publiek herhaaldelijk voor het grootscheepse bedrog. Maar de meeste kunstvervalsingen zouden de kranten niet halen, eenvoudig omdat ze niet als 'neppers' ontmaskerd werden. In 1943 schreef het Handelsblad: 'Er zijn vervalschingen gemaakt, zóó knap en zóó geraffineerd, dat zélfs vakmenschen er de dupe van geworden zijn.''

A.J. Boer, de eigenaar van de Haagse kunsthandelaar Oudt-Holland, waar Eterman voor en na de oorlog zijn doeken exposeerde, heeft op het toneel van de kunstvervalsingen een merkwaardige rol gespeeld. Onder het pseudoniem Inge Wijde publiceerde hij in 1944 het boekje Kluchten en drama's in de kunsthandel. Hierin beschrijft hij een kunsthandelaar die een stroom vervalsingen onder ogen krijgt. Inge Wijde constateert: 'De Rembrandtjes, de Frans Halsjes, de B.C. Koekkoeks, de Schelfhouten, de Marissen en Breitners worden verhandeld of het knikkers zijn. Het publiek koopt ze gretig, of ze mooi en echt zijn is een ander verhaal. Voeg daarbij dat een groot deel koopt in de verbeelding zelf te kunnen beoordeelen wat goed of slecht, valsch of echt is, dan begrijpt u dat het een dikke tijd voor de kunstzwendelaars en voor de vaak even gevaarlijke amateurs en gentleman-dealers is.''

Aan Ed Gerdes, tijdens de oorlog hoofd van de Afdeling Beeldende Kunsten bij het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, meldde A.J. Boer in 1944 in een likkerig briefje dat hij zijn boekje geschreven had 'in het directe belang van cultuurkamer en publiek'. Hij had het niet onder eigen naam gedaan, zo voegde hij hieraan toe, omdat het dan reclame voor zijn eigen firma geweest zou zijn.

Probeerde Boer met zijn publicatie op sluwe wijze tegenover de nationaal-socialistische autoriteiten de aandacht af te leiden van zijn eigen handel en wandel, zijn blazoen te zuiveren door zich voor te doen als een handelaar die niet meedeed aan de verlakkerij en deze juist manmoedig aan de kaak stelde? Het zou wel buitengewoon doortrapt zijn geweest.

Haagse antiquairs die Aad Boer nog gekend hebben, beschrijven hem als 'een mannetje dat in schilderijen deed en daar dik zijn geld mee verdiende'. Dat hij in de oorlog handel dreef met de Duitsers staat volgens hen vast: 'Als je, zoals hij, een open zaak had, kwamen er Duitsers binnen. En die kochten, vooral wanneer je oud-Hollandse kunst kon aanbieden.''

De veronderstelling dat A.J. Boer in zijn kunsthandel Oudt-Holland de vervalsingen van Eterman te gelde maakte, ligt voor de hand. Maar hier tasten we in het duister. Er waren talloze mogelijkheden voor Eterman om zijn meesterwerken te slijten. In Den Haag was bijvoorbeeld van enkele veilinghuizen bekend dat ze zich niet bekommerden om de herkomst van de vele oude schilderijen die ineens opdoken.

Als Boer wel medeplichtig was aan de verkoop van Etermans namaaksels, dan zou men zelfs kunnen opperen dat het een daad van vaderlandsliefde was om de Duitsers met vervalsingen af te schepen. Als dit zo zou zijn, dan was zijn boekje en het briefje aan cultuurbaas Gerdes dubbel doortrapt.

Familie

Dat Johan Diekman tijdens de oorlog een betrouwbaar Nederlander was, lijkt zeer waarschijnlijk.

Mevrouw E.W.F. Corver (78) woont sinds zestig jaar aan de Haagse Johan van Hoornstraat. Vijftien jaar lang, van 1940 tot zijn dood in 1955, was ze buurvrouw en trapportaaldeler van Diekman en ze heeft hem toen meermalen gesproken. 'In het benedenhuis woonde in de oorlog een NSDAP'er, een bruinhemd, en omdat mijn broer bij ons was ondergedoken, moesten we voortdurend oppassen. Diekman was goed, we konden altijd van hem op aan.''

Als ik zijn kunstvervalsingen ter sprake breng, vertelt mevrouw Corver dat ze zelf ook schilderijen kopieert: 'Ik ben nu aan een Vermeer bezig, aan het schilderij Een glaasje wijn.'' Het blijkt een kopie in borduursel te zijn, een kunst die ze haar hele leven al beoefent.

In de oorlog wist ze dat haar buurman meesterwerken imiteerde. Toen ze eens bij Diekman binnen was en verbaasd reageerde bij het zien van een hele rij 17de-eeuwse doeken, had hij laconiek opgemerkt: 'Die heb ik zelf geschilderd.''

'Ik besefte dat het vervalsingen waren, maar ik heb me er verder niet in verdiept, in de oorlog had je wel wat anders aan je hoofd.'' Ze kan zich over Diekman ook nog herinneren dat ze aan het begin van de oorlog eens aan hem vroeg: 'Moet u niet in dienst?'' 'Nee, ik bewijs het land andere diensten'', luidde toen zijn antwoord. 'Ik vond dat zo geheimzinnig, dat ik het altijd onthouden heb.''

De naam van de vriendin met wie Diekman samenwoonde, is mevrouw Corver vergeten.

Binnen families loopt de nagedachtenis van kinderlozen via neven en nichten, of, als de tijd is voortgeschreden, via achterneven en -nichten. Zo ook bij Johan Diekman. De enige familieleden die nog iets over hem kunnen vertellen, zijn de twee kleinkinderen van zijn iets oudere zusje Christina Diekman en haar echtgenoot Egbert Donnars. Deze Egbert Donnars, Johan Diekmans zwager, is degene die aan het begin van de jaren dertig trachtte zijn schilderijen aan de man te brengen, zoals Marten Toonder in het eerste deel van zijn autobiografie beschrijft.

Egbert Donnars leefde van 1893 tot eind jaren zestig. Na een onvoltooide priesterstudie werd hij portretfotograaf en vervolgens antiquair en restaurateur van schilderijen, beelden, kandelaren en kazuifels. Zijn eerste antiekzaak, Het Oude Binnenhuis, was gevestigd aan de Haagse Papestraat. Eind jaren dertig verhuisde hij met zijn winkel naar een reusachtig pand aan de nabijgelegen Nobelstraat 1a. Na de oorlog zou hij de antiekzaak opdoeken en toneeldecors gaan schilderen. Volgens Donnars' kleinkinderen was hun grootvader altijd aan het scharrelen en moet hij in de oorlog zeer bedreven zijn geweest in het belazeren van de Duitsers: hij was, zo werd hun vaak verteld, een genie in het 'verantieken' van nieuwe spullen. Van kasten tot kroonluchters, als het voor de Duitsers bestemd was, wist hij aan alles de glans of het craquelé van de ouderdom te verlenen.

Haagse antiquairs weten nog te vertellen dat Donnars niet alleen in meubels en curiosa handelde, maar ook in schilderijen, uit de 17de en 18de eeuw en de Haagse School. Het was het kleinere werk van minder bekende schilders. De vraag dringt zich op of Egbert Donnars misschien aan zijn zwager Johan Diekman de onontbeerlijke 'grondstoffen' leverde: onbeduidende 17de-eeuwse doeken waarop Diekman zijn Rembrandts en Van Dycks kon schilderen.

Donnars kleinkinderen kunnen die vraag niet beantwoorden. Hun vader, de zoon van Donnars, had weleens verteld dat hij een oom had die kunstvervalser was geweest en die in de oorlog met zijn schilderijen veel geld had vergaard. Maar verder werd er nooit over hem gesproken en hun vader leeft niet meer.

Oude foto's van de Diekman- en Donnarsfamilies tonen goedgemutste gezelschappen die, zo te zien, tot de welgestelde klasse behoorden. Overgroot- en betovergrootouders, verre ooms en tantes - Donnars' kleindochter Anneke Waterman weet ze op de vergeelde groepsfoto's nog moeiteloos te identificeren. Behalve die ene, schimmige oudoom, over wie altijd gezwegen werd: Joannes Mathias Diekman. Op verschillende foto's van bruiloften en partijen moet hij staan, maar welk gezicht het zijne was, daar kan ze alleen maar naar gissen.

Een schilderij van hun oudoom hebben Donnars' kleinkinderen nooit gezien. Ze weten niets over de vriendin van Johan Diekman en waar zijn nalatenschap gebleven is - het is hun een raadsel.

Johan Diekman alias Eterman stierf 38 jaar geleden. Er moeten nog mensen zijn aan wie hij niet onopgemerkt voorbij ging. En er moeten nog Etermannen bestaan en Etermanse Rembrandts en Van Dycks. Maar waar?

En al die étuis met goudstaven? Eterman gaf er één aan Marten Toonder, zonder een woord van dank te willen horen. Wat heeft hij met de rest gedaan?

Mij is het niet gelukt het mysterie op te lossen. Hopelijk zijn er lezers van deze krant die dat wel kunnen. In dat geval wordt dit verhaal vervolgd.