De magen vol, de geest loom

Het biechten hoorde bij het katholieke leven, 'het was zo vanzelfsprekend als het groeien van het gras.' Maar sinds het Tweede Vaticaans Concilie raakte de biecht in Nederland razendsnel in onbruik. Beatmissen en algemene vergevingsformules trokken het tapijt onder de voeten van de traditionele gelovigen vandaan, terwijl de nieuwe generatie amper nog geloofde in het nut van het 'enge hok', het voorportaal van de onbekende geheimen. Hoe het stil werd in de biechtstoel.

In Wittem, aan de oever van de Geul, ligt een massief bouwwerk dat donker afsteekt tegen het glooiende land. Het is het klooster van de Redemptoristen, een pleisterplaats voor gelovigen uit de wijde omgeving. Jaarlijks telt men 200.000 bezoekers, onder wie bedevaartgangers die hier eer komen betuigen aan de volksheilige Gerardus Majella. Met het oog daarop is voor het klooster een parkeerterrein aangelegd dat plaats biedt aan 250 auto's en 20 touringcars.

Op een stormachtige decemberdag ligt het terrein er ongebruikt bij, maar de kloosterkerk is als altijd open. Rondlopend door de verlaten ruimte, vestigt pater Henk Erinkveld de aandacht op een reeks wandschilderingen die Charles Eyck in 1939 aanbracht. Een ervan is gewijd aan Ferdinand van Plettenberg, de graaf aan wie Wittem 260 jaar geleden zijn klooster had te danken. Sinds 1737 rust het hart van de edelman, overeenkomstig zijn wens, ergens onder de plavuizen.

In de aangrenzende Ronde Kapel zit deze middag een jongeman geknield voor Onze Lieve Vrouwe van Altijddurende Bijstand. 'Nog nooit heeft iemand tevergeefs tot U zijn toevlucht genomen'', aldus een ingelijst gebed onder haar beeltenis. Even verder staat een standaard met een dik boek waarin bezoekers onder woorden kunnen brengen wat hen bezighoudt. 'Dat Peter toch spoedig een passende baan mag verkrijgen' en 'Laat mijn dochter beter worden zodat het gezin weer goed kan draaien', luiden twee van de laatste bijdragen. Als voorlopige afronding volgt daarna een korte wens: 'Voor 6 goed in de lotto.'

Dit Intentieboek, een nog vrij nieuw initiatief, past in de traditie van de Redemptoristen. De orde wilde het katholicisme in Limburg een impuls geven door, naar werd gezegd, 'de massa in de ziel te roeren, haar in beweging te brengen'. De paters spraken de taal van het volk en gaven de mensen het gevoel dat hun geheimen bij hen veilig waren. 'Van oudsher streven wij ernaar een gastvrij huis te zijn'', zegt pater Erinkveld. 'Hier kan iemand zeggen wat hij op het hart heeft zonder dat het prikkeldraad wordt uitgerold. Het gaat ons niet alleen om wat een mens fout doet, maar ook om wat hij goed heeft gedaan. Daarvoor past een bemoedigend schouderklopje.''

Dank zij deze instelling ontstond er in het gehele gebied een drukke biechtpraktijk. Een boekje over de Redemptoristen meldt dat de toeloop zo groot was, dat het uren en soms zelfs dagen duurde voor men aan de beurt was. Hieraan herinneren in Wittem tal van biechtkamers: vertrekjes waarin priesters aan één zijde (met het oog op een snelle afhandeling soms aan weerszijden) worden geflankeerd door biechtelingen, van wie zij door een wand met een rooster zijn gescheiden. De pater wijst in de Smartenkapel op een pronkstuk, een barokke biechtstoel met dikke engelenhoofden. Soberder van uitvoering zijn de biechthokjes die in de belendende Gerarduskapel, pas voltooid in 1961, een gehele wand in beslag nemen.

Dat grote aantal was in die tijd nog noodzakelijk. 'Het biechten hoorde bij het leven, het was voor ons zo vanzelfsprekend als het groeien van het gras'', zegt Sjaak Oberijé, toen een overtuigd seminarist. 'Iedereen die je kende deed eraan mee: als op zaterdagmiddag of 's zondags na de preek de biechtstoel open ging, zag je alle mensen uit de buurt op hun beurt wachten. Niemand schaamde zich, niemand keek een ander na: allen verkeerden in dezelfde situatie en voelden zich zo een deel van de gemeenschap.''

Het biechthoren gold intussen als een aanzienlijke opgave. De mensen vertrouwden hun zieleroerselen toe aan vaak onervaren biechtvaders die daar, hoezeer het gehoorde hen soms ook aangreep, niet met anderen over konden praten. Bovendien betekende deze taak een zware inspanning. 'Veel priesters zagen er verschrikkelijk tegenop'', aldus monseigneur Hendriksen, oud-hulpbisschop van Utrecht. 'Ze wisten dat ze soms lange tijd achtereen in de biechtstoel moesten zitten. Vooral als de paasbokken kwamen, degenen die vlak voor Pasen vergeving van hun zonden wilden vragen, kon het uren duren. Zelf ben ik voor een hoogtijdag wel eens zes uur bezig geweest, maar dat is niets vergeleken met de pastoor van Ars: hij nam, anderhalve eeuw geleden, wel eens zeventien uur lang de biecht af. Later is hij heilig verklaard.''

Schemerduister

Veel van de biechtkamers in Wittem zijn al geruime tijd ongebruikt; inspectie leert dat een aantal dienst doet voor de opslag van kaarsen. Toch is er nog een paar keer per dag iemand die, met een druk op de bel, aangeeft dat hij bij pater Erinkveld of een ander de biecht wil afleggen. Er zijn meer kerken waar biechtelingen zich welkom weten. Zo zijn er de kathedraal van Roermond en de Onze Lieve Vrouwebasiliek in Maastricht: een kerk waar men zich, in het schemerduister van de Romaanse zuilenrijen, desgewenst kan wenden tot een biechtvader met 35 jaar ervaring. Hoewel in Wittem tijdens de biecht ook algemene ethische vragen worden besproken, komen in Maastricht vooral de 'basale kwesties' aan de orde. 'Men heeft het, simpel gezegd, over haat, liefde en alles wat daartussen ligt'', aldus pastoor Rolf Wagenaar van de Onze Lieve Vrouwekerk. 'Het is moeilijk daarop te reageren, biechtvaders dragen in dit opzicht een grote verantwoordelijkheid. 'Heer, maak dat ik het goede antwoord geef', gaat het soms door je heen.''

Ook in Utrecht bestaat een bloeiende biechtpraktijk, verzekert monseigneur Hendriksen. Maar landelijk gezien is het beeld anders: ofschoon er geen aanwijzingen zijn dat de mensen een oppassender leven leiden, vragen nog maar weinigen in de kerk vergeving voor hun daden. 'De moraliteit van vroeger is verdwenen'', stelt monseigneur Hendriksen in zijn werkkamer vast. 'Men zegt op zijn eigen geweten af te gaan, maar het probleem is dat het er niet meer van komt dit geweten te vormen. De bekommernis daarover ontbreekt.'' Dat is een ernstig manco, vindt ook pastoor Wagenaar. 'Zonder het te beseffen, doen de mensen zichzelf tekort. Enige zelfreflectie, een moment van rust in een jachtige tijd, geeft iemand het gevoel boven het alledaagse uit te komen. De vergeving van God doet al zijn schuld verschrompelen, aan deze bron kan hij zich laven.''

Mensen die vroeger regelmatig gingen biechten, zeggen dat zij na afloop inderdaad opgelucht waren: zij voelden zich dan zo blank en puur als de ouwel die op hun verhemelte lag te smelten. De biecht was dan ook geen folterbank, maar 'een uitvinding van Gods tederste liefde', aldus het Handboekje voor de Katholieke Vrouw en Moeder uit 1950. In de praktijk was dit niet altijd te merken, maar het ritueel gaf velen houvast. 'We moeten niet onderschatten wat er in die biechthokjes gebeurde'', zegt Wiel Logister, als theoloog verbonden aan de Katholieke Universiteit in Tilburg. 'Mijn moeder besprak daar haar kommer en haar kwel met een priester in wie zij vertrouwen had. Zo kreeg zij op gezette tijden een vorm van geestelijke leiding. Ze vond het belangrijk dat mijn vader ook te biecht ging. Als hij dat deed was ze gerustgesteld: in de mijn waar hij werkte, kon er volgens haar dan niets meer fout gaan.'' Anderen ondervonden dat het biechten de harmonie thuis bevorderde. 'Als we op zaterdag in de kerk onze plicht hadden gedaan, was er een echt sacrale sfeer'', verzekert iemand. 'Het was de enige avond in de week dat er geen ruzie was.''

In zo'n milieu zagen kinderen er niet tegenop om, als zij rijp waren communie te doen, voor het eerst te gaan biechten. Deze gebeurtenis werd ingeluid met een grondige training, die hier en daar gepaard ging met enkele malen 'proefdraaien'. Overbodig was dat niet, want de eerste ervaringen vielen menigeen tegen. Verschillende (ex-)katholieken herinneren zich dat zij binnen moesten gaan in een 'eng hok', een voorportaal van onbekende geheimen. 'Ik schrok verschrikkelijk'', aldus een van hen. 'In plaats van een deur was er een zwaar groen kleed met spinrag, waarachter een donkere ruimte lag. Ik had het gevoel dat ik voor een muil stond die mij wilde verzwelgen. Het heeft wel een jaar geduurd voor ik naar binnen durfde.'' Maar het onbekende had, hoe duister ook, zijn bekoringen. 'Als kind voelde je in de biechtstoel de verrukking van de angst'', zegt oud-studentenpastor Oberijé. 'Maar die angst ging voorbij: doordat de pastoor de liefde van God predikte, was de biecht een deken waaronder je tot de volgende misstap rustig sliep.''

Pas later kregen sommigen oog voor de waarde van een ware schuldbekentenis. Wiel Logister geeft een voorbeeld: 'Toen ik eens in een Duitse kerk een biechtkamer wilde binnengaan, hoorde ik in het donker iemand zwaar ademhalen. Terwijl ik me omdraaide, ving ik het geluid op van een sombere mannenstem: 'Nein, nein, nein', klonk het, 'ich war nicht gut für meine Frau'. Daar was ik erg van onder de indruk, het moet heel wat betekenen om zulk een belijdenis te doen.'' In zo'n geval volgde, tegelijk met de penitentie, de genade van God: 'Geen plaats ter wereld waar meer troost van de hemel is neergedruppeld dan in de biechtstoel'', meldt het Handboekje. Maar voor wie deze weldaad afwees, was volgens het boekje de hel niet diep genoeg. Eind vorige eeuw werden uit de Seine in tien jaar tijd de lijken opgehaald van 2600 mensen die zelfmoord hadden gepleegd, weet de auteur. 'Hadden ze de troost en de kracht van de biecht gekend, dan waren ze daartoe niet gekomen'', voegt hij eraan toe.

Suikerpot

De biechtpraktijk was een goed systeem om de gelovigen op het gewenste spoor te houden, stelt ex-priester Oberijé: 'De mensen werden beladen met schuld om daarvan in de kerk, als zij oppassend waren, te worden bevrijd. Dat werkte uitstekend.'' Essentieel was dat kinderen al vroeg oog kregen voor hun fouten. Ze leerden dat het verkeerd was ruzie te maken, brutaal te zijn, in de kerk te praten en (een indertijd veel gemaakte overtreding) uit de suikerpot te snoepen. Maar het gevaar voor ernstiger misstappen was niet denkbeeldig. Pater Fabianus adviseerde daarom in het handboekje kinderen, waar het seksualiteit betreft, zo lang mogelijk onwetend te houden. Hij waarschuwde in dit verband voor de 'aapachtigheden en het dierlijk-zinnelijke van de mode', wees op de verderfelijke invloed van zowel bioscoop als toneel en riep op 'neutrale' kranten in de huiskamer te weren. Ook legde de pater de nadruk op de gevaarlijke invloed van dienstmeisjes: vijf kinderen van een Gentse familie gingen vroeg naar het graf doordat een dienstbode hen met onzedelijke gewoonten had bedorven.

'Het is voor buitenstaanders nu moeilijk voor te stellen hoezeer de mensen werden belast'', zegt Oberijé. 'Gelukkig had ik een verstandige moeder. Een zondige was volgens haar iemand die droog brood at en boter op zijn kont smeerde, maar anderen dachten er anders over. Opgegroeid in het belastende Nederlandse klimaat, gingen zij ervan uit dat zij voortdurend te kort schoten. Met dat soort ideeën groeide men op, de leer van de kerk zat de mensen in de knoken.''

De eerste eeuwen na Christus werd biechten slechts voor enkele misdrijven noodzakelijk geacht. Het ging daarbij alleen om afgoderij, moord, overspel en diefstal, althans voor zover zij openbaar bekend waren en grote ergernis gaven. Degene die dergelijke zonden beleed, diende tot inkeer te komen door zijn hoofd met as te bestrooien, een boetekleed aan te doen en het lichaam te verwaarlozen. Rond 600 werd het onder invloed van Ierse en Angelsaksiche monniken de gewoonte ook verborgen zonden te belijden. Het boek Omgaan met schuld van F.J. Heggen geeft aan dat de daarvoor opgelegde penitenties van inventiviteit getuigden. Boetelijsten uit die tijd vermelden, afgezien van geselingen en ballingschap, een naakt bivak in de kerk, een verblijf van enige dagen in het graf van een overledene en vastenperiodes die konden oplopen tot 31 jaar. Sommige catalogi hadden overigens aanhangsels met mogelijke andere oplossingen. In plaats van een jaar te vasten, bij voorbeeld, was het mogelijk een boete te betalen gelijk aan de marktprijs voor een slaaf; voor een week strikte boetedoening was het alternatief, aldus de Oudierse tabel, zevenhonderd kniebuigingen en evenveel goed toegediende zweepslagen.

Na het concilie van Trente, aan het eind van de 16de eeuw, ging de voorkeur uit naar de veelvuldige biecht: regelmatige korte ontmoetingen tussen priester en penitent. Daarbij werd het gebruik ook kleine misstappen te vermelden. 'De scrupulenten onder de gelovigen maakten van een mug een olifant'', aldus monseigneur Hendriksen. 'Er waren er die dagelijks meer zonden te belijden hadden dan de mensen die eens in het jaar kwamen. Mede onder hun invloed werd de frequentie van het biechten steeds verder opgevoerd. Zo ontaardde het bij gebrek aan een goed leidsman soms in routine, een ritueel waarvan het belang werd onderschat.''

Heilige huisjes

Nogal wat katholieken ondervonden de biecht in hun schooltijd als een sleur: braaf werd 'het bekende rijtje' opgedreund en daarmee was het gedaan, zeggen ze. 'Het stelde allemaal niks voor'', vindt Sjaak Oberijé. 'Je had het alleen over onbelangrijke zaken, datgene waar je echt mee zat kwam niet aan bod. 'Bid maar twee Onze Vaders en twee Wees Gegroetjes', zei de priester en dan stond je met lege handen buiten.''

De verstarring op dit terrein werd doorbroken door een golf van veranderingen die in de jaren zestig, na het Tweede Vaticaans Concilie, de kerk overspoelde. Voor Oberijé en de andere seminaristen op Rolduc was het een inspirerende periode. 'Onder het eten, tijdens het wandelen, aan de bar - dag en nacht spraken we over het geloof. Alle heilige huisjes werden omver gekiept. We gingen er niet meer van uit dat de mens in zonde wordt geboren maar dat hij, zoekend naar liefde, ten goede is gericht. Deze bevrijdende gedachte wilden wij zo snel mogelijk verspreiden, maar dat gaf enorme conflicten. Achteraf gezien is dat begrijpelijk: zoals kinderen denken te verdrinken als zij hun zwemplankje kwijt zijn, raakten veel gelovigen in paniek toen zij het houvast in het leven verloren. Wij namen de mensen iets af zonder daar voldoende voor terug te geven.''

De veranderingen voltrokken zich dan ook in een verbazend hoog tempo. Een groot aantal priesters trad uit, daarmee volgens sommige kerkgangers het vertrouwen schendend dat dezen hun hadden gegeven. Anderen voerden, naar men zegt met een soms vlegelachtig gebrek aan consideratie, ingrijpende vernieuwingen door. Zo werden er beatmissen geïntroduceerd, volgens de verhalen gênante vertoningen die ouderen de kerk uitjoegen. Bovendien kreeg de prediking in veel gevallen een volkomen ander karakter. 'In vaak korte tijd voltrok zich een radicale ommekeer'', weet pater Erinkveld op grond van een onderzoek. 'Het ene jaar werd nog verkondigd dat men de lijn van de kerk moest volgen, het jaar erop bleek men daarvan afgestapt. Toen ging het opeens om de eigen verantwoordelijkheid; het streven onder de stolp van de kerk te blijven, werd afgewezen als krampachtig.''

De traditionele biecht werd in die dagen vervangen door een gemeenschappelijke biechtviering, naar het idee van monseigneur Hendriksen 'een liedjesdienst die vlees noch vis is', maar volgens de Nieuwe Katechismus van 1966 een mogelijkheid zich te bevrijden van een 'eng en onwaar zondebegrip'. De privé-biecht maakt hier plaats voor een algemene vergevingsformule, waarbij men in Wittem tegenwoordig naar voren kan komen om het kruisteken te ontvangen. 'Op deze wijze raken mensen meer bewust van eigen falen dan indertijd het geval was'', meent Wiel Logister. 'Tijdens zo'n dienst gaan de aanwezigen bij zichzelf te rade of zij, om wat te noemen, genoeg doen voor de vluchtelingen. Dat soort vragen kwam vroeger niet op.''

Daarbij blijft de mogelijkheid bestaan in een persoonlijk gesprek met de priester het hart te luchten. Lang niet iedereen heeft daar echter behoefte aan, merkte Oberijé. 'Als kapelaan vroeg ik wel eens of iemand nog 's langs wilde komen om verder te praten, maar van die suggestie schrokken de meesten zich kapot. 'Wat wil die man?' dachten ze. Wat hen betreft moest ik ze als penitentie gewoon de rozenkrans laten bidden, en daarmee basta. Een groot deel van het kerkvolk verlangt niet meer.''

Pater Erinkveld, gekleed in een trui met daarop een zilverkleurig kruis, weet desondanks dat zo'n gesprek voor veel mensen belangrijk is. 'Vaak draagt iemand al lang een last met zich mee, iets waarover hij zich nooit kan uitspreken. Wanneer dan een gevoel van vertrouwen ontstaat, komt naar buiten wat hem dwars zit: dat hij, om iets te noemen, als getrouwd man beseft homofiel te zijn. Het is belangrijk iets dergelijks op een gegeven moment te kunnen verwoorden. De opluchting daarover geeft zo iemand al het gevoel dat hij is vergeven.''

Toch koestert pater Erinkveld geen illusies. 'Veel mensen geloven niet meer in de vergiffenis van God. Dat heeft te maken met het besmette verleden van de kerk. Nog altijd is te merken dat de nadruk bij de biecht meer lag op de zonde dan op de genade. Vooral door de overdreven aandacht voor seksualiteit hebben velen een verwrongen schuldbesef, ook vandaag nog.''

Grimeerstudio

Bekend met de gestrengheid van de kerk is, beter dan wie ook, Sjaak Oberijé: sinds hij in 1982 uit het ambt werd gezet omdat hij samenwoonde met een gehuwde vriend, begon hij in Maastricht een grimeerstudio. 'In mijn tijd ging het erom de mens te vernederen, daar was alles op gericht. Hoe valt anders te verklaren dat normale groeipijnen werden beschouwd als zonden? Welke andere reden is er dat iemand zich ook om onbeduidende zaken schuldig moest voelen? Nu mensen met hun moeilijkheden hun toevlucht zoeken tot dokters en psychiaters, wordt gezegd dat de biecht toch een betere oplossing was. Maar dat is onzin: juist de kerk maakte hen fundamenteel ongelukkig.''

Zo sterk drukt pater Erinkveld zich niet uit. Maar in een stille werkkamer van het Redemptoristenklooster stelt hij wel vast dat de kerk nog altijd ernstige tekortkomingen kent. 'Het is tragisch dat zij normen en waarden opnieuw ter discussie wil stellen, maar in een encycliek weer de nadruk legt op zedenverval. Het maatschappelijk onrecht in onze wereld krijgt geen aandacht.'' Bij de biecht is het niet anders, signaleert F.J. Heggen in Omgaan met schuld: misbruik van macht, rassenhaat, chantage, grond- en huizenspeculatie - in het uur der waarheid blijft dit alles onbesproken. Een uitzondering vormen recente bekentenissen van twee Italiaanse biechtelingen, maar hun ervaringen stemmen niet optimistisch. In tal van kerken, zo blijkt uit de boeken die zij publiceerden, deden ze zich voor als mannen die een reeks misstappen hadden begaan. Ofschoon deze varieerden van corruptie tot milieudelicten en moord, reageerden de meeste biechtvaders afstandelijk: van een moreel oordeel was weinig te merken.

Toch bestaat daaraan juist nu behoefte. 'Vaste ijkpunten in het leven ontbreken'', zegt Wiel Logister. 'Het enige waar het nog om gaat is economische groei, aan een ogenblik van verstilling komen we nauwelijks toe. De farao van de consumptie houdt ons zo in de ban, dat de menswaardigheid van de samenleving in het geding is.'' In de rust van de pastorie stelt pastoor Wagenaar zijn eigen diagnose: 'Nu het ons nog zo goed gaat, zijn onze magen te vol. Dat maakt de geest loom.'' Maar de toekomst ziet hij vol vertrouwen tegemoet. Voor hem staat vast dat het ware geloof zal herleven. En daarmee ook de biecht: 'Een heel mooi sacrament dat de mens, door de stem van zijn geweten te laten spreken, in aanraking brengt met de liefde van Christus.''

Naast de pastorie verrijst de Onze Lieve Vrouwekerk, geflankeerd door de kapel waar dagelijks gelovigen knielen voor de genadetroon van Maria, Sterre der Zee. 'Dit is het biddend hart van de provincie'', zegt de pastoor. 'Arme en rijke, jonge en oude mensen, sommigen vol verdriet en anderen met een dankbaar hart, komen hier even tot zichzelf. Via de slip van Maria's mantel houden zij zich vast aan de kerk. Voor hen staat die middenin het leven.''