De dood van de verteller

Hoe ver reikt het collectieve geheugen? Of leven we, als het er op aankomt, slechts 'op een eiland in de tijd'? En wanneer zullen begrippen als 'Bosplan', 'Hilversum 1' en 'HBS' voorgoed verdwenen zijn? Het mysterie van onze gezamenlijke herinnering: soms duizend jaar, soms een dag.

Ooit bracht ik een winter door in de ban van twee dikke boeken. Ik las ze in bed, ik las ze onder het eten, ik las ze wanneer ik maar kon, m'n haren recht overeind, en van schrik leerde ik ook nog Fries. Het waren de vertellingen van de oude schipperszoon Steven de Bruin. Die verhalen gingen ongeveer zo:

Een jong meisje vroeg haar vrijer hun bruidsboeket te plukken in het Betoverde Gat. De jongen trok naar het moeras en werd daar door een tovenaar veranderd in een slang. Het meisje ging hem zoeken en vond hem bij de tovenaar. Die liet haar dienstmeidenwerk doen en op een dag wilde hij bij haar slapen. Het meisje zei ja, maar lokte de tovenaar uit het moeras naar de heide, waar de betovering niet werkte. Ze begon de tovenaar te kietelen, waardoor hij zo moest lachen dat hij zijn mond wijd opensperde. De betoverde slang zag zijn kans schoon, en schoot in de buik van de tovenaar. Het meisje bond hem aan een boom en liet hem honger en dorst lijden. De slang leed mee, maar wilde niet uit zijn buik, totdat het meisje naast de tovenaar ging zitten, haar rokken opschortte en in de heide piste. Zodra de slang dat geruis hoorde kroop hij uit het achterste van de tovenaar en veranderde weer in de jongeman. Samen gooiden ze de tovenaar in het moeras en ongehinderd leefden ze verder.

Einde verhaal, en zo stonden er honderden van dit soort bizarre geschiedenissen in die twee boeken. Het waren de laatste originele Friese volksverhalen die de verteller, Steven de Bruin, zo'n zestig jaar geleden had opgepikt. De Bruin had als jongetje avonden lang achter de bedsteedeurtjes van de kajuit meegeluisterd als de familie of de visite aan het vertellen sloeg. Omdat hij een geheugen als een bandrecorder bezat had hij honderden van die verhalen vrijwel woordelijk onthouden: over de hellewagen van een oude Friese koning, die 's nachts donderend door de lucht reed terwijl de koning zijn vurige bijl naar de aarde wierp, over oeroude heuvels op de heide, vol betoverde potten goud, over schippers die een duistere opdracht kregen om bij nacht uit te varen, het schip vol zielen van pasgestorvenen, fluisterend, onzichtbaar.

Ik leerde de merkwaardige bundels van Steven de Bruin kennen dankzij een oude familievriend, de even bescheiden als befaamde Friese dichter en wetenschapper Ype Poortinga. Tegen zijn pensionering, in het begin van de jaren zeventig, had hij zich opeens gerealiseerd dat er in de Friese bejaardenhuizen een goudmijn aan overgeleverde sagen en vertellingen bezig was uit te sterven. Rond zijn zestigste was Poortinga daarom met het project van zijn leven begonnen: hij had rijles genomen, leerde een bandrecorder bedienen, en al snel reed hij met zijn Dafje van dorp naar dorp, op zoek naar vertellers en verhalen.

De resultaten waren adembenemend. Bejaarde huisvrouwen, hooguit met een paar jaar lagere school, kwamen met oeroude verhalen over grafgeschenken, ooit van hun grootmoeder gehoord. Oude boerenknechten gebruikten soms termen die al eeuwen geleden verdwenen waren. Wodan en andere germaanse goden bleken in vreemde vormen nog altijd voortgeleefd te hebben, net als de Griekse dodenschipper Pharon en de dodenrivier de Styx. En via een ongeletterde schipper kwam, na vele generaties doorvertellen, zelfs een merkwaardige variant op het Orpheus en Eurydice-thema weer boven water. De verhalen waren ongekuist, soms waren ze ronduit goor of krankzinnig, en nergens hadden ze de gladheid van klassieke sprookjesvertellers als Andersen en Grimm. Maar juist in hun simpele ruwheid waren ze even betoverend als de scherven en brokken van een pas ontdekte archeologische vindplaats.

Sinds die winter wist ik niet beter, of ons gezamenlijke geheugen reikte honderden, misschien wel duizenden jaren diep, dieper dan onze geschreven kennis, dieper dan ons bewustzijn, dieper dan we ooit dachten. Sinds kort woon ik, voor een bepaald onderzoek, in een ouderwets Fries dorp. En in het café en de huizen rond de oude zadeldaktoren kom ik ze inderdaad tegen, de verhalen en de oude herinneringen. Toch zijn het nooit meer dan stenen die hooguit over de golven van één, twee generaties springen en dan voorgoed in de vergetelheid verdwijnen. Ik knoop wel eens een praatje aan met de gepensioneerde turfschipper die sinds het plotselinge overlijden van zijn vrouw stil en eenzaam in een van de nieuwe bejaardenwoningen woont. Hij vertelde me dat zijn grootvader nog eindeloos met zand had gevaren voor de bouw van 'het spoor', rond 1875. 115 Jaar dus. In het café hoorde ik van de oude notaris dat zijn grootvader al in 1890 de elfstedentocht had geschaatst.

Er was toen nog niets georganiseerd, ze hadden gewoon een briefje met de handtekeningen van herbergiers. 103 Jaar. En in een naburig dorp kunnen ze nog steeds exact de plek aanwijzen waar in 1887 de veelbelovende zoon van de plaatselijke predikant door het ijs zakte en verdronk. 106 Jaar. Terwijl de jaren in deze omgeving in alle rust voorbij gegleden zijn blijkt het collectieve geheugen hier toch opvallend kort van memorie, en selectief bovendien. In het begin van deze eeuw stond in het dorp een beroemde dominee, ds Hille Ris Lambers, een charismatische figuur die boeken schreef over brahmanisme en Chinese filosofie, zijn dochters in de kerk liet optreden met liederen van Bach, Schubert en Grieg en zo ruim twee decennia lang het culturele leven in het dorp domineerde.

De jonge dichter Slauerhoff kwam graag bij deze 'half landelijke, half mondaine' familie over de vloer, en hij had zelfs iets moois met de oudste dochter. 'Achter in de tuin begon de ondiepe plas. Waar we elkaar 's avonds onder takken vonden.'' Maar als ik nu, zo'n zeventig jaar later, de oudste dorpsbewoners naar deze familie vraag, weten ze zich alleen nog te herinneren dat dominee Ris Lambers de eerste was die kookte op 'strontgas' - moerasgas dat hij opving uit dezelfde 'ondiepe plas' die Slauerhoff beschreef en die nu grotendeels is omgetoverd tot een parkeerplaatsje.

Hoever reikt het begrip 'mensenheugenis'? Zijn de ouderen werkelijk 'levende boeken', zoals de Franse historicus Michelet ooit schreef, boeken die 'ongelukkig genoeg iedere dag dicht gaan - annalen die zichzelf niet altijd kennen, maar die duizenden antwoorden vinden die iets kunnen leren aan degene die ze weet te raadplegen''?

Er zijn de ongeschreven regels van de traditie, en die kunnen sterk zijn en diep gaan. Hier in de buurt liggen een paar dorpen die vierhonderd jaar na de reformatie nog duidelijk herkenbaar zijn als katholieke enclaves in een verder protestants gebied - gewoon omdat daar na de hervorming een ondergedoken priester is blijven hangen en zijn werk heeft voortgezet. Bepaalde spelen, bepaalde feesten, driemaal om de kerk bij een begrafenis, het hoort allemaal bij de vaste rituelen die juist in hun onveranderlijkheid maken dat de gemeenschap zich één blijft voelen. In de herhaling en in de herbeleving ligt een gevoel verborgen dat over de tijden wordt heengedragen - maar meer dan een gevoel is het niet.

'Wat concrete gebeurtenissen betreft reikt het collectieve geheugen niet verder dan ongeveer honderd jaar'', meent Philippus Breuker, en hij kan het weten. Breuker woont in het naburige dorp Bozum, hij heeft de hele geschiedenis van de gemeenschap daar uitgespit en eigenlijk is hij er nog steeds mee bezig. Toen ik een keer bij hem op bezoek kwam vertelde hij vol verbazing hoe hij een familie ontdekt had die daar al sinds de vijftiende eeuw onafgebroken had gewoond, van vader op zoon, vijf eeuwen achter elkaar, tot vandaag toe. Maar de mensen zelf hebben geen idee over hun afkomst, laat staan dat ze weten hoever die terug gaat.

'Ik kwam van alles tegen over ongelukken, ruzies, diefstallen, van alles, gewichtige zaken, vaak nog geen honderd jaar geleden gebeurd. Maar als ik de kleinkinderen en de achterkleinkinderen van de hoofdrolspelers ernaar vroeg wisten ze niets meer. Er was hier een dominee die de hele provincie in rep en roer bracht door het einde van de wereld te voorspellen - om precies te zijn: op 8 mei 1774 - en waarover zestig jaar later in Friesland nog zou worden geschreven. Ik heb jaren geleden nog een betachterkleinkind van hem gesproken, een stokoude man, geboren in 1875. Maar dat hij van zo'n legendarische voorvader afstamde, hij had er nog nooit van gehoord.''

Er zijn ook uitzonderingen. Mijn notaris wist nog te vertellen dat zijn betovergrootvader in 1830 voor de dienst werd opgeroepen, een remplaçant had genomen, en dat die arme jongen door de Belgische oorlog negen jaar lang voor honderd gulden in dienst had moeten blijven. En Breuker had een oude boer ontmoet die wist te vertellen dat ooit bij een overstroming 'het water tot de oude dijk van de Middelzee stond'' - wat in 1825 inderdaad een keer is gebeurd. Maar verder was hij nooit gekomen. Nee, uiteindelijk moet je het toch van archieven en andere geschreven bronnen hebben, meende Breuker. En kijk hier eens, twee aardenwerken schaaltjes, begin 17de eeuw. Hier in de boomgaard gevonden, nog geen decimeter onder de grond, pal onder een boom, vermoedelijk ooit in het najaar achtergelaten en vergeten. Ik mag ze even vasthouden. Elegante bruine bakjes, met drie kleine pootjes, gaaf alsof ze zo uit de winkel komen. Dat is toch ook prachtig?

Het is natuurlijk een aardig tijdverdrijf op oudejaarsavond 1993: wie kent het oudste mondeling overgedragen verhaal? Dat kan mee- of tegenvallen. Maar ga, als het niet goed lukt, niet meteen mopperen op het spook van de moderne tijdgeest. In het middeleeuwse dorp Montaillou stuitte de Franse historicus Emmanuel Le Roy Ladurie al op hetzelfde verschijnsel, toen hij aan de hand van een reeks gedetailleerde inquisitierapporten het toenmalige bestaan probeerde te reconstrueren. 'De inwoners van Montaillou leefden op een soort eiland in de tijd'', zo omschrijft hij het fenomeen. De herinnering van de boeren die rond 1320 leefden bleek niet verder te gaan dan een paar verhalen uit de tijd van de vorige graaf, die stierf in 1302.

Le Roy Ladurie trof in de genoteerde gesprekken slechts één maal een hint aan naar een gebeurtenis die rond 1240 had plaatsgevonden. Om een van de toenmalige boeren te citeren: 'Er is geen andere tijd dan de onze.'' Natuurlijk, iemand die consciëntieus ondervraagd wordt kan dingen vertellen waarvan hij zelf dacht dat hij ze al bijna vergeten was. En iemand die zichzelf dwingt om goed te vertellen - al is het alleen om zijn gezelschap te onderhouden - beoefent onbewust een soortgelijke discipline. Wie zijn status als verteller hoog wil houden moet steeds opnieuw op jacht naar nieuwe ervaringen en herinneringen, en daarbinnen moet voortdurend een nieuwe systematiek worden aangebracht. En dit soort goede vertellers zijn er nog steeds, in alle lagen van de samenleving.

Het probleem is alleen dat ze zo dun gezaaid zijn. De meeste mensen die zo graag spreken over 'collectief erfgoed' en 'gemeenschappelijke waarden' beseffen niet hoe ongericht en chaotisch de bijbehorende informatie gewoonlijk wordt overgebracht. In zijn boek over Montaillou heeft Le Roy Ladurie een paginalang verslag afgedrukt van een gesprek tussen twee etende mannen in een keuken, dat over niets anders gaat dan de kwaliteiten van de kaas, het brood, de vis en de vrouw die de olie perste. Het is weinig anders dan het conversatiepatroon dat nog steeds de hedendaagse dorpscafés beheerst en dat men gewoonlijk aanduidt met de term 'ouwehoeren': het springen van associatie naar associatie, het herhalen van kleine verhalen die juist in hun herkenning een gevoel van geborgenheid geven, het elkaar koesteren en vlooien als apen in de zon. Het is van alles, maar vertellen is het niet.

Hoe zit het dan met die fascinerende sagen die Ype Poortinga met zijn bandrecorder nog op de valreep uit de bejaardentehuizen wegsleepte? En wat moeten we denken van de ruim zestienduizend volksverhalen die een andere grote verzamelaar, de hulpprediker Adam Jaarsma, tussen 1965 en 1980 op het Friese platteland wist op te sporen? En van al die schoolmeesters en amateur-historici die in de vorige eeuw ook al honderden sprookjes uit de volksmond optekenden?

Er bestaat, zoals u misschien weet, een internationaal classificatiesysteem van alle bekende sprookjes en volksverhalen, een soort streepjescode van het mysterie. Die indeling kent tientallen categorieën en subcategorieën: dierverhalen, legendesprookjes, grappige verhalen, enzovoorts. Hans en Grietje vallen bijvoorbeeld onder de categorie AT 327A: wondersprookjes, subcategorie bovennatuurlijke tegenstanders. Het verhaal van de pissende vrouw en de betoverde slang van Steven de Bruin staat bekend als AT 285B. Orpheus en Eurydice gelden als een variant van het verhaaltype AT 306.

Een aantal jaren geleden heeft de letterkundige Jurjen van der Kooi op basis van deze coderingen een nauwkeurige inventarisatie gemaakt van de door Poortinga en anderen verzamelde verhalen. Hij kwam daarbij tot de verrassende conclusie dat bij één op de acht van deze mondeling oververtelde verhalen sprake was van regelrechte nep-antiek: het waren verhalen die pas waren gaan circuleren nadat ze ooit via een krant, een volksalmanak of een andere schriftelijke bron waren geïntroduceerd. Van sommige verhalen die Poortinga had opgetekend vond hij zelfs de bijna letterlijke tekst terug in, bijvoorbeeld, een scheurkalender uit de vorige eeuw. En als de verhalen wel uit een mondelinge bron kwamen, dan was er zelden sprake van een aantoonbaar lange vertelgeschiedenis. Meestal kwam men niet verder dan 25 jaar. Hoe vaker een verhaal echter in schriftelijke bronnen voorkwam, hoe groter de plaats bleek te zijn die het verhaal ook in de mondelinge overlevering innam.

De conclusies van Van der Kooi zijn dan ook vergaand. De meeste volksverhalen zijn volgens hem niet het restant van een rijke vertelgeschiedenis die langzaam door het lezen verdrongen is, maar het is eerder omgekeerd: het zogenaamde sprookje is juist het resultaat van de alfabetisering en de toename van het lezen. Zo valt te verklaren waarom in 1835 de Friese letterkundige Halbertsma op een verzoek van de Duitse sprookjesverzamelaar Jacob Grimm antwoordde dat er in Friesland nauwelijks nog volksverhalen waren, terwijl nu, anderhalve eeuw later, opeens uit het collectief geheugen duizenden oude verhalen blijken te zijn opgediept.

Van der Kooi: 'Wat de verzamelaars uit de negentiende eeuw vanwege de veronderstelde ouderdom zo ijverig zochten en maar ten dele en zeer moeizaam vonden was juist zo moeilijk te vinden doordat het hier nog maar pas aanwezig was. Of het werd pas later, in de twintigste eeuw, gevonden, aangezien het er in de negentiende nog niet was.''

En toch blijven er de verhalen, verteld door een oude boerenarbeider of een bejaarde schipper, die onverklaarbaar ver weg komen, gaaf en onverwacht als de schaaltjes van Philippus Breuker. De verhalen die zo hard, erotisch of bizar zijn dat ze met geen mogelijkheid in de romantische negentiende-eeuwse verteltraditie passen. De verhalen ook die zo groot in aantal zijn, dat ze onmogelijk allemaal uit de volksalmanakken of de krantenpagina's geplukt kunnen zijn. Er moet wel degelijk ook in Nederland sprake geweest zijn van een omvangrijke mondelinge overlevering. Dat kan ook bijna niet anders. Voor de komst van het boek en het schrift moest iedere geschiedschrijving het hebben van het almaar opnieuw doorvertellen van verhalen, op basis van het geheugen. De historica Selma Leydesdorff heeft het in de inleiding van haar proefschrift over 'een spoor' dat de verteller trekt 'door de plaatsen en voorstellingen' die hij of zij zich herinnert en die met behulp van die herinnering als het ware weer herbouwd worden. Ze wijst daarbij op de joodse religieuze wetgeving, die voor een deel nog steeds uit mondelinge overlevering bestaat. Ook sommige inheemse volken in Australië en Afrika kennen de discipline van de geleerde en doorvertelde collectieve herinnering, een mondelinge wijze van overdracht van geschiedenisverhalen die eeuwen ver kan gaan.

Eigenlijk is het met vertellers als Steven de Bruin niet veel anders: ze komen bijna altijd uit families waar al een oude vertel-traditie bestond. Ype Poortinga spreekt, in navolging van een Ierse collega, zelfs van 'dynastieën van verhalenvertellers', die vooral bij het 'lossere' volk worden aangetroffen: schippers, handelaars, rondtrekkende seizoenarbeiders. Maar ook hij erkent dat het idee van het 'collectieve verhaal' dat alleen maar onder de heg ligt te wachten om ontdekt te worden romantische onzin is.

'Vertellen is een artistieke prestatie'', schrijft Poortinga, en daarom kan een oud verhaal nooit los worden gezien van de verteller: 'Toen oom Haring op de stoel zat te wippen om met een nog net even sterker verhaal te komen dan zijn voorganger klonk dat verhaal stellig anders dan wanneer we het nu uit een boek voorlezen.'' Die situatie is tegenwoordig echter al bijna niet meer te reconstrueren. 'De grootste vertellers zijn nu al vaak geïsoleerde figuren'', zo was Poortinga's ervaring, en hij was er in zijn hart van overtuigd dat hij wel degelijk de laatste generatie grote vertellers te pakken had.

De redenen van deze teloorgang kent iedereen, maar als je een poosje in een kleine gemeenschap leeft worden ze des te duidelijker. Tot in de jaren vijftig was het zogenaamde 'beurzen' in mijn dorp nog heel gewoon: het rondhangen op een hek bij de brug of bij de herberg. De 'Bonte Dinsdagavondtrein', rond 1955 een uiterst populair radioprogramma, schoot voor de eerste maal een bres in die traditie. Toen kwam de TV, met verhalen waarvoor geen fantasie meer nodig was. En toen kwamen de jongeren die het zelf allemaal beter wisten. Tot in de jaren tachtig werd er na het kaatsen nog verteld, en ook de jongens van zestien, zeventien vonden dat prachtig. Maar bij de huidige generatie dorpsjeugd is zelfs die traditie nu verdwenen.

Het is echter niet alleen de TV en het andere moderne gerief dat een rol speelt: ook het aantal vertelmomenten, het aantal gelegenheden waarbij delen van het collectieve geheugen kunnen worden overgeleverd, ze zijn sterk verminderd.

Nog maar twee generaties geleden had het verschijnsel 'tijd' een compleet andere inhoud: er was veel langdurig en eentonig werk, het reizen duurde lang, de boerenarbeid was sterk seizoensgebonden, tijd en leven vielen grotendeels samen. Bovendien moest veel arbeid gezamenlijk verricht worden. En dan waren er die donkere, eindeloos lange winteravonden op de boerderijen. De goede oude tijd zat, kortom, vol buitengewoon saaie uren, waarin een goed verhaal goud waard was. Had Steven de Bruin niet als klein jongetje de mooiste verhalen opgepikt als zijn vader ergens op vracht lag te wachten of met een slap windje door een lang veenkanaal kachelde? De mondelinge overlevering is zo niet alleen overwoekerd door de moderne communicatie maar ook verpieterd doordat haar belangrijkste voedingsbodem verdween: de lange, saaie, collectieve uren van vroeger.

Via het verleden geven mensen zich een plaats in de wereld die vaak sinds de oorlog te leeg is geworden'', schrijft Selma Leydesdorff over het vergeten leven van de joodse vrouwen. 'Het houdt hen op de been, en daardoor weten zij hoe de wereld had kunnen zijn.'' Zo heeft iedere groep behoefte aan een collectief geheugen, en dat zal altijd zo blijven. Alleen zal, nu het gewone vertellen verdwijnt, dat gebied steeds meer worden overgelaten aan de Grote Snelle Beroepsvertellers: de schrijvers, de filmers, de onderwijzers, de radiomakers, de journalisten en de TV-bazen. Zij bepalen wat wel of niet wordt bewaard, op basis van hun prioriteiten, hun ideologie en hun normen van goed en kwaad.

In mijn dorp is het kerkhof de laatste plaats van het verleden, maar ook daar zijn de meeste oude graven geruimd. De houten paaltjes van de kindergraven die ik in een oude beschrijving vond, de steen van Antje Kalma (1856-1884) - 'Haar leven was op aard tot steun/Voor echtgenoot en kinderen/Maar God riep haar van hier/Dat kan geen mens verhinderen' - het is allemaal weg. Alleen het graf van de vrouw van de oude turfschipper staat maand-in, maand-uit vol bloemen, zo vertelt hij zijn verhaal, en zo zal het blijven, zolang hij leeft.