De briefwisseling tussen Thomas Mann en Agnes Meyer; De Olympier en de fatale vrouwspersoon

Honderden brieven schreef de Duitse schrijver Thomas Mann aan Agnes Meyer, nadat ze hem in 1937 had geïnterviewd. Ze vormen het verslag van een mislukte romance en zijn de enige - buiten de brieven aan familieleden - die sterk door emoties worden beheerst. Samen met die van Meyer zijn ze nu voor het eerst volledig gepubliceerd. “Pas nu wordt duidelijk dat het er voor de familie Mann na hun emigratie naar Amerika heel anders had uitgezien zonder Agnes Meyer.”

Thomas Mann/Agnes Meyer, Briefwechsel 1937-1955. Uitg. S. Fischer Verlag, Frankfurt a/Main, 1171 bladzijden. ISBN 3 1004 8200 X Prijs ƒ 187,95.

In 1963 verscheen het tweede deel van een driedelige selectie uit de brieven van Thomas Mann, geredigeerd door zijn oudste dochter Erika. Willy Haas, een bekende Duitse literaire criticus, emigrant in de nazitijd, schreef erover. Hij toonde zich verbaasd dat 110 brieven in dit deel gericht waren aan een hem onbekende Amerikaanse mevrouw: Agnes E. Meyer en hij vroeg zich af waarom Thomas Mann zo veel tijd en energie had besteed aan correspondentie met haar. Het antwoord dat Haas aan zichzelf op die vraag gaf was enigszins insinuerend: mevrouw Meyer was de vrouw van de uitgever en eigenaar van de Washington Post, zij behoorde tot de 'high and mighty' van het Amerika van die jaren en Thomas Mann wist dus heel goed wat hij deed door zo veel aandacht te besteden aan deze hooggeplaatste dame.

Dat was voor een groot deel unfair. Agnes Meyer was veel meer dan alleen de vrouw van de prominente Eugene Meyer. Iedereen die thuis was in het politieke en intellectuele leven in Amerika in die tijd wist dat zij een formidabele persoonlijkheid was, een begaafde journaliste, een opmerkelijke spreekster en een belangrijke stem in de discussie over Amerika's maatschappelijke en sociale ontwikkeling. Bovendien schreef ze voor de Washington Post en de New York Times geregeld over literatuur, in het bijzonder over Duitse literatuur die zij door haar herkomst uit een Duitse emigrantenfamilie in de oorspronkelijke taal kon lezen.

Zij werd in 1887 in New York geboren en groeide op in Pelham Heights onder de rook van de grote stad. Haar vader was zonder veel overtuiging advocaat en raakte ten slotte in financiële moeilijkheden. Naast het gezin van vier zonen en een dochter dat hij opbouwde met Agnes' moeder, de dochter van een Duitse zeekapitein, bleek hij op een gegeven moment nog een alternatief huishouden te bezitten. Een schok voor de hele familie, die de traditie van generaties steile Noordduitse dominees in ere hield, maar vooral voor dochter Agnes, haar vaders oogappel.

Zij studeerde met een beurs op Barnard College (onderdeel van Columbia) onder andere bij de beroemde filosoof John Dewey. Daarna ging zij in de journalistiek en schreef voor de New York Sun; in het jaar 1908-1909 vanuit Parijs, waar zij ook kunstgeschiedenis aan de Sorbonne studeerde. Zij was jong en knap en niet kinderachtig en zij had dan ook een stroom aanbidders om zich heen. Ook zag zij kans in Parijs een paar interessante vrienden op te doen: Rodin, Matisse, Brancusi, Leo en Gertrude Stein.

In 1910 trouwde ze met de zeer rijke joodse financier Eugene Meyer, wiens familie van rabbijnen uit de Elzas afkomstig was. Meyer maakte ook een publieke carrière: hij was onder president Hoover gouverneur van de Federal Reserve (president van de nationale bank) en na 1945 was hij kort de eerste president van de Wereldbank. Maar zijn blijvende bijdrage aan de Amerikaanse geschiedenis leverde hij door in 1933 de failliet gegane Washington Post te kopen. Onder zijn leiding en later onder die van zijn briljante maar depressieve schoonzoon Philip Graham en zijn dochter Katherine Graham ontwikkelde de Post zich niet alleen tot de tweede krant van Amerika, maar groeide de Washington Post Company met het weekblad Newsweek en verschillende radio- en televisiestations uit tot een van de media-imperia van het land.

Aan Agnes had hij zijn handen vol. Na vier jaar huwelijk vertrok ze naar Parijs, maar nog voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was ze terug. Daarna speelde ze met overtuiging de rol van 'leading hostess' in hun schitterende huis in Washington en het enorme landgoed Seven Springs bij Mount Kisco in de staat New York. Ze had een verhouding (tenminste naar alle waarschijnlijkheid) met de Franse ambassadeur in de Verenigde Staten (van 1926 tot 1933) de dichter Paul Claudel, en weerde zich flink als journaliste en schrijfster.

Emoties

Thomas Mann ontmoette ze niet per ongeluk. Ze vroeg hem om een interview voor de Washington Post en bezocht hem daarvoor in zijn hotel in New York in april 1937, op de laatste dag van zijn derde reis naar Amerika. Later gaf ze toe dat ze een aanleiding had gezocht om 'the greatest living man of letters' te leren kennen. Uit dit eerste gesprek ontstond een relatie die volstrekt uniek genoemd kan worden in het leven van beide correspondenten. Thomas Mann schreef naar schatting gedurende zijn leven 20.000 brieven aan vrienden, lezers, uitgevers en politici en natuurlijk aan zijn naaste familie: zijn vrouw, zijn zes kinderen, zijn broers. Maar de 338 brieven, briefkaarten en telegrammen die hij aan Agnes Meyer schreef zijn de enige buiten de familiekring die sterk door emoties beheerst zijn: door gevoelens van ergernis, woede zelfs, dankbaarheid en bewondering. Voor Agnes Meyer was hij zonder meer een grote liefde in haar leven.

De door Hans Rudolf Vaget uitgegeven Thomas Mann/Agnes E. Meyer: Briefwechsel 1937-1955 verschaft voor het eerst inzicht in de gecompliceerde verhouding tussen beide scribenten. Wel publiceerde Erika Mann in totaal al 126 van de brieven van haar vader aan Agnes Meyer en ook in de vijfdelige uitgave van Die Briefe Thomas Manns komt een heel aantal voor, maar een volledig beeld van de relatie kon men niet krijgen door het ontbreken van Agnes Meyers aandeel. In die lacune is nu voorzien. Bovendien tenderen Manns brieven nu naar volledigheid en geven 25 bijdragen van zijn vrouw Katia nog een nuttige aanvulling. Het geheel is 'een kleine roman op zichzelf', zoals Erika Mann het al noemde in haar inleiding tot het tweede deel van haar brievenuitgave. Deze roman kent vele facetten. Het decor is de wereldgeschiedenis, die in de jaren der correspondentie van 'appeasement' tegenover de nazi's tot uiteindelijk Koude Oorlog en Korea evolueert, waarbij de briefschrijvers uitgebreid stilstaan.

Meer op de voorgrond speelt de emigratie naar en integratie in Amerika van de familie Mann een grote rol. Pas nu wordt duidelijk dat het er zonder Agnes Meyer heel anders voor 'the amazing family' (Harold Nicholson) had uitgezien. En tenslotte figureert op het eerste plan de mislukte romance tussen de soms tirannieke, verminderd subtiele, zelden door humor en ironie geremde, maar altijd hulpvaardige, toegewijde en bewonderende vrouw aan de ene kant en aan de andere de afstand bewarende, op zijn rust gestelde Olympiër, die al in 1920 in zijn dagboek had vastgesteld dat het 'Weibliche' geen rol meer in zijn leven zou spelen.

Een paar keer is 'Ag' zo opdringerig dat 'Tommy' zijn ergernis bijna niet meer de baas kan blijven. In maart 1942 - Katia en Thomas wonen dan in het door hen gebouwde huis in Pacific Palisades, een deel van Los Angeles - huurt 'die Meyer', zoals hij haar vaak in zijn dagboek noemt, een bungalow in de buurt zodat zij haar idool dagelijks zien kan. Voor haar is de week die zij hier doorbrengt het hoogtepunt van haar relatie met Mann. Hij denkt er anders over. In zijn dagboek beschrijft hij een van zijn bezoeken aan de bungalow als volgt: 'Dort manches Entsetzliches, in Schranken zu haltende'. Maar binnen de perken blijft mevrouw Meyer meestal niet. In uitgebreide brieven moet hij haar er ook op wijzen dat hij 'onverbeterlijk, onveranderlijk, onopvoedbaar en onbeïnvloedbaar' is en dat het enige dat zij kan doen is hem nemen zoals hij is. Wat betekent: niet geschikt voor een liefdesverhouding.

Afgrond

Eén keer koersen de namaak-gelieven vlak langs de afgrond van de breuk. Oudste zoon Klaus heeft een boek over Gide geschreven, waarin hij Claudels onkritische houding tegenover 'Vichy' vermeldt. Agnes is woedend en dan vooral op Klaus' vader die schrijft niets op diens boek aan te merken te hebben. Thomas Mann antwoordt haar met wat hij zelf 'een levensdocument' noemt en betoogt dat hij rust en vrede nodig heeft om zijn boterham te kunnen verdienen en dat hij gehoopt had dat hun relatie op evenwichtigheid en opgewektheid gefundeerd zou zijn. Om een breuk koerst hij behendig heen. Daarvoor is de vriendin, die hij bij deze gelegenheid in zijn dagboek overigens 'deze fatale vrouwspersoon' noemt, toch te belangrijk geworden en vooral: heeft zij teveel voor hem en zijn familie gedaan om nu het bos in gestuurd te worden.

Overigens blijkt pas uit dit boek hoeveel de Manns aan Agnes Meyer te danken hebben gehad. Niet alleen schakelde ze steeds weer haar prominente contacten in om de verschillende leden van de familie uit bezet Europa te redden, maar zij zat ook achter de baantjes die Thomas Mann in Amerika werden aangeboden en die het hem mogelijk maakten er een bestaan op te bouwen. Zij overlaadde de familie Mann met cadeaus en soms cheques en met haar artikelen over 'the great man', zoals zij hem tegenover derden graag noemde, droeg ze aan zijn reputatie en verkoopcijfers bij.

Maar Agnes Meyer deed nog meer voor haar idool. Zij leverde soms ook schrandere kritiek op zijn werk en kon opeens zeer intelligent uit de hoek komen. Bij voorbeeld wanneer zij schrijft over de koude lucht die haar uit Goethe's werk tegemoet waait en analyseert dat in Thomas Manns werk pas in de Joseph-Romane een dimensie menselijke liefde te vinden is die Goethe's aristocratische zelf-liefde van de ziel die naar het algemene streeft te boven gaat. Thomas Mann schrijft terug het er helemaal mee eens te zijn. Hij heeft haar brief zelfs voorgelezen in de familiekring en enige afgunst geoogst omdat hij 'zo'n schrandere vriendin' heeft.

Fascinerend is het brievenboek Mann-Meyer tenslotte omdat het een doorlopend commentaar bevat op de grote politieke gebeurtenissen van die jaren. Mann is vaak niet alleen bitter over de doofheid en het onbegrip van de grote Europese landen en de Verenigde Staten uit de jaren dertig, waardoor Hitler groot kon worden en zijn eigen volk en Europa kon teisteren, maar hij gelooft ook lange tijd niet aan de Westerse inzet en spankracht die nodig zijn om tegen de barbarij te winnen. Aan het eind van de oorlog en direct daarna maakt hij zich grote zorgen over de stemming in Amerika, waar velen het lijken te betreuren dat zij niet samen met de nazi's de communisten uit de weg hebben geruimd.

Deze kritische visie, die Mann in 1948 de linkse kandidaat voor het presidentschap Henry Wallace deed steunen, liet hem nu en dan doorschieten en problemen krijgen. Na een bezoek aan Weimar in het toenmalige Oost-Duitsland (1949) sprak hij met zeldzame naïviteit over het stimulerende culturele klimaat in dat land, over de liefde voor zijn boeken aldaar, het portret van Gerhart Hauptmann op de postzegels en de menslievende idealen op de lippen van de machthebbers. In een brief aan de Zweedse journalist Olberg herhaalde hij deze uitspraken zwart op wit en hoewel hij snel de ongenuanceerde eenzijdigheid van zijn opvattingen inzag - ze waren duidelijk ingegeven door zijn afkeer van het toen nog niet bepaald gedenazificeerde West-Duitsland van Adenauer met zijn Globkes en Kiesingers - stond hij in het groeiend McCarthyistische Amerika al gauw te boek als fellow-traveler of erger.

Ook hier strekte 'die Fürstin', zoals Mann Agnes Meyer vaak aansprak in zijn brieven, een beschermende hand uit boven het grijzende hoofd in Pacific Palisades. Zo fungeerde zij als buffer tussen de Library of Congress, die onder de omstandigheden op dat moment (1950) de jaarlijkse rede van Thomas Mann wilde afzeggen, en de schrijver, wiens overgevoelig ego vaak alleen met een mimosabloemetje kon worden vergeleken. Mann accepteerde de afzegging overigens zonder morren. Soms kon hij inzien dat hij was uitgegleden.

De Briefwechsel tussen Mann en Meyer vult op deze manier een aantal lacunes in de biografie van de grote schrijver over een periode, waaraan biograaf Peter de Mendelssohn niet meer is toegekomen. Maar er zijn meer redenen om het brievenboek ter hand te nemen. Mann bewaart distantie en markeert deze met zijn onovertroffen soepele, superieure, trefzekere stijl. Toch is hij in deze brieven directer en persoonlijker dan men hem elders, met uitzondering van de brieven aan zijn kinderen en zijn dagboek, kan ontmoeten. Zo schrijft hij over zijn egoïsme en verwendheid en over Bach ('die alte Perücke') en diens creativiteit in vergelijking met hemzelf.

Voor de Mann-aficionado is het boek 800 bladzijden lang genieten met als enige frustratie dat men Manns reactie graag had willen lezen op Agnes Meyers typering van de relatie vijftien jaar na Manns dood als 'een bovennatuurlijke ontmoeting' van 'twee godzoekers, bezeten door het zoeken naar absolute zuiverheid'. De ironische Duitser zou het het anders geformuleerd hebben.