CDA is machtig door gevoel voor realiteit

S.W. Couwenberg werkt in zijn artikel 'CDA machtig door soepele omgang met grondslag' (NRC Handelsblad, 21 december), de stelling uit dat continuïteit in machtspositie van het CDA nauw samenhangt met discontinuïteit van grondslag en politieke cultuur. Dit zou een kwalijke ontwikkeling zijn.

Couwenberg vergelijkt appels met peren. Hij start zijn betoog met het ontstaan van confessionele partijen in de vorige eeuw. Inderdaad bestonden de confessionele partijen ARP, CHU en KVP in het derde kwart van deze eeuw nog steeds. In de jaren 70 is vanuit die partijen gewerkt aan de totstandkoming van een nieuwe christen-democratische partij, het CDA. Couwenberg vergelijkt vervolgens deze partijen en constateert dan voorspelbare verschillen. Zoals de doorsnee consument appels en peren associeert met vitamine-C, zo zou de doorsnee krantelezer confessionele en christen-democratische politieke partijen met een kerkelijke C kunnen associëren. Maar er is meer aan de hand.

De confessionele partijen waren destijds zo nauw met de drie grootste kerkgenootschappen verbonden dat zij fungeerden als de politieke armen van de desbetreffende stromingen. Dat is het huidige CDA zeker niet: dat heeft een bredere basis, zoals Couwenberg zelf ook aangeeft. Een tweede reden waarom Couwenbergs vergelijking een vertekend beeld geeft, is dat er onder theologen en binnen de kerken nieuwe inzichten zijn ontwikkeld.

Als een partij die de christelijke C in zijn naam voert zich qua ideologie mede baseert op kerkelijke en theologische leerstukken, zal iets van die ontwikkeling doorklinken in daarvan afgeleide documenten als een partijgrondslag. Een derde oorzaak van verschil tussen politieke ideologieën van nu versus die van ruim driekwart eeuw geleden, is dat de aanpak en presentatie van partijpolitieke ideologieën en beleid(svoorstellen) nu meer op rationele modellen zijn gebaseerd dan op persoonlijkheid en overtuiging van de voormannen. Vandaar dat de huidige partijen qua beleid zo dicht bij elkaar staan; elke partij bedient zich van wetenschappelijke ontwikkelingen.

Wat betreft de ethische vraagstukken over euthanasie, etherreclame, emancipatie laat Couwenberg na op te merken dat hieraan uit hoofde van medisch-technische ontwikkelingen vergelijkingen met het verleden irreëel zijn. Teleurstellend is de negatieve toon die Couwenberg aanslaat over het feit dat het CDA anno 1993 anders staat tegenover (vrouwen)emancipatie en het concept van de multi-etnische samenleving dan ten tijde van Kuyper, De Savornin Lohman en Schaepman.

Wanneer een politieke partij, in casu het CDA, op grond van hier summier aangeduide maatschappelijke ontwikkelingen, de bakens verzet in plaats van negentiende-eeuwse opvattingen en confessies aan te houden, is er geen sprake van discontinuïteit van grondslag en politieke cultuur; wel voor gevoel voor realiteit.