'Als ik een kogel door mijn kop schiet, ben ik overal van af'

Van vedette tot verschoppeling. Van gevierde discuswerper tot vermaledijde dopingslikker. De vrije val van ERIK DE BRUIN. Gesprek tussen wanhoop en woede. Over leven en dood.

Negentiendrieënnegentig. Een jaar van “diepe ellende” voor Erik de Bruin. Het jaar dat hij geschorst werd wegens dopinggebruik en daarna door de tuchtcommissie van de atletiekbond weer werd vrijgesproken. Het jaar dat zijn vader door alle spanning een acute hartaanval kreeg. Het jaar dat hij zich van het leven wilde beroven om in één klap “van alle gezeur af te zijn”. Goed dat het bijna voorbij is, negentiendrieënnegentig.

Het gesprek vindt plaats in Ierland, om precies te zijn in Celbridge, op twintig kilometer afstand van Dublin. De Bruin bewoont daar een bescheiden rijtjeshuis in een eenvormige nieuwbouwwijk, samen met zijn Ierse vriendin, Michelle Smith, de zwemster. Het interieur weerspiegelt de bewoners, die zich niet interesseren voor uiterlijkheden. De meubels - een logge, donkerbruine bank, twee bijpassende fauteuils - waren al aanwezig toen zij het de woning betrokken. Net zoals de meeste schilderijtjes die aan de muren hangen. Alleen de monumentale stereo-tv en een ranke audio-installatie hebben zijzelf aan het huisraad toegevoegd.

Waar ze wel aan hechten is aan het uitzicht op de Wicklow Mountains vanuit de keuken. Daarvoor hebben ze zelfs illegaal een heg gesnoeid. Zoals ze ook genieten van het poesje Twinkle, dat de restjes van de kerstkalkoen krijgt voorgezet. Maar verder is dit huis voor hen niets anders dan een rustplaats tussen trainingen. Heel praktisch gelegen. Een kwartier rijden van het zwembad én de sportschool én de atletiekbaan. Wat wil je nog meer als je topsporter bent?

Het valt hem zwaar om terug te blikken. “Weer wonden openhalen die net beginnen te helen.” Tijdens het gesprek zal zijn bovenlip vervaarlijk trillen. Soms breekt zijn stem.

Hij wil vooruit zien, niet omkijken. Maar hij weet ook wel dat hij het verleden met zich meetorst. Dat “het geval” hem voor het leven heeft gebrandmerkt. Zoals zijn vriendin zegt: “Zo'n beschuldiging van dopinggebruik werpt een wolk over alles wat je gedaan hebt, alles wat je bent, alles wat je nog ooit zult bereiken. Mensen zullen zich die beschuldiging blijven herinneren, ook al ben je vrijgesproken. Hoe onrechtvaardig dat ook is.”

De ene dag was hij nog een gevierde atleet. Zilveren medaillewinnaar bij het WK van twee jaar geleden. Favoriet voor weer een ereplaats op het WK van dit jaar. De andere dag was hij een ordinaire bedrieger. Valsspeler, dopinggebruiker. Verstoten door zijn eigen bond. Zoals in het verhaal van Kafka dat hij op de middelbare school heeft gelezen. “Toen Gregor Samsa op een morgen uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een monsterachtig ongedierte was veranderd.” Zo voelde ook de Bruin zich bezocht door duister onheil. Van vedette tot verschoppeling.

Een levenshouding: hij laat niets aan het toeval over. Hij houdt rekening met alles. Dat hij vorig jaar de Olympische Spelen miste door de ziekte van Pfeiffer was een teleurstelling, maar wel één die hij aan zag komen. Dat kan gebeuren. Zoals een blessure je kan vellen. Voorzienbare risico's. “Maar een positieve dopingcontrole, daar hou je geen rekening mee. Dat is iets wat anderen overkomt. Dat kan jou niet gebeuren. Omdat je die spullen niet gebruikt. 'Ze doen hun best maar', denk je bij controles. 'Ze kunnen toch niks vinden, want er is niks te vinden'. En dan krijg je opeens, pats, boem, te horen: je bent betrapt.”

“Wat hebben ze me nou geflikt?” Dat was zijn eerste reactie. Misschien ziet hij spoken, maar hij dacht direct aan een Duits complot. Was hij niet de voornaamste concurrent van de Duitser Riedel? Zaten de Duitsers bij het WK in Stuttgart niet verlegen om gouden medailles? Hij had het kunnen weten. Wat was hij gruwelijk naïef geweest.

Hij kan niks bewijzen. Dus misschien moest hij maar liever zwijgen. “Misschien is er van opzet geen sprake. Misschien zijn er alleen maar grove fouten gemaakt. Maar als je alles bij elkaar optelt. Positief bevonden na een atletiekwedstrijd in Duitsland. Vastgesteld door een Duits laboratorium. De Duitse directeur van dat lab, die in de dopingcommissie van de atletiekfederatie zit. Wel heel veel toeval op een hoop.”

Misschien spreekt nog altijd zijn drang tot begrijpen. Onheil smeekt om verklaring. Om nut of logica. Wie wil er zinloos lijden? Hij heeft zich nachtenlang het hoofd gebroken. Steeds dezelfde vraag die opdook: “Shit, hoe kan dat nou?”

“Je begrijpt het niet. Je gaat eerst bij jezelf te rade: wat heb ik anders dan anders gedaan? Maar de samenstelling van mijn voedingssupplementen en vitaminen was niet veranderd. Ik had alleen een begin gemaakt met creatine. Dat kon op het resultaat van de dopingcontrole niet van invloed zijn geweest.”

“Je voelt je zo vreselijk machteloos. Je kunt je niet verdedigen. 'Ik ben onschuldig' kun je zeggen. Maar wat schiet je daarmee op? Iemand die wel gebruikt heeft, zegt dat ook.”

Dagen heeft hij niet gegeten. Hij liep wat doelloos rond. Lamgeslagen. Huilend. Nergens zin meer in. Denkend: “Waarvoor leef ik nog? Ik heb vanaf mijn negende, dag in dag uit, aan atletiek gedaan. Voor mij is atletiek nog altijd alles. En dan pakken ze dat op zo'n manier van je af.” Ook denkend: “Voor mij hoeft het allemaal niet meer. Als ik een kogel door mijn kop schiet, ben ik overal van af.”

Maar dat vond hij wel wat egoïstisch. “Want er zijn toch mensen die een beetje van je houden. Die je een beetje verdriet zou doen.” En wat zou zijn dood nou helemaal oplossen? Dan was zijn naam nog altijd niet gezuiverd. Dan zat zijn familie met de brokken: “Dood en positief.”

Dus koos hij toch voor vechten. Met de moed der wanhoop. Aanvankelijk ook met weerzin omdat hij veel moest steunen op andere mensen. Op zijn advocaten. Op familie en vrienden. Een geheel nieuwe sensatie voor de man die “normaal alles zelf in de klauwen” pleegt te houden. “Zodat ik zelf bepaal wat er gebeurt. Me overgeven aan anderen, dat vind ik niet prettig. Tamelijk onaangenaam om afhankelijk te zijn.”

Zijn vertrouwen in de mensen is nooit bijzonder groot geweest. Maar hij merkte dat zijn advocaten kundig en betrokken waren. En hij koesterde zich in de aandacht van zijn vrienden. Dat ze belden hoe het ging, en wat zijn plannen waren. Dat ze vroegen of hij mee ging eten. Ook voelde hij zich gesterkt door al die kaarten en die bloemen. “Hele simpele dingen die je vroeger als blabla beschouwde, die waardeer je in zo'n situatie enorm. Dat de mensen aardig voor je zijn. Vroeger zei ik: dat interesseert me geen barst.”

Geen toeval dat zijn vader juist in die periode door een hartaanval getroffen werd. “Je kunt wel zeggen: dat heeft met het hele geval niks te maken. Maar al die spanning.” Zijn stem breekt. Hij staart voor zich uit. Over die samenhang heeft hij met zijn vader wel gesproken. Maar daar wil hij niks over zeggen. Hij vertelt alleen wat de cardioloog hen gezegd heeft. Dat spanning het proces waarschijnlijk heeft versneld.

Zoals het ook spanning was die Erik de Bruin een aanval van astma bezorgde, de eerste van zijn leven. Hij moest aan het beademingsapparaat omdat hij geen lucht meer kon krijgen. Bij het WK in Stuttgart had hij Anny Schmitz, de waarnemend voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie, al gewaarschuwd: “Jullie hebben geen idee wat jullie mij en mijn familie aandoen.”

“Door wat er met mijn pa gebeurde, besef je hoe relatief alles is. Wat betekent nou een schorsing, vergeleken bij het leven van je vader? Dan denk je: wat kan mij het hele gedoe met de KNAU ook schelen. Maar je weet ook dat het één wel met het ander is verbonden. De gevoelens die dat oproept”, hij zegt dat met een toonloze stem, “het is wel duidelijk wat de aard daarvan is.”

Hij voelt nog steeds een tomeloze woede. Tegenover “Kauffman en consorten”, de mensen van de atletiekbond “voor wie een volgende receptie van meer belang is dan achter een atleet te staan”. Niet eens een excuusbrief hebben ze hem geschreven. Zelfs geen kaartje na zijn vrijspraak door de tuchtcomissie. Dat was toch wel het minste wat hij mocht verwachten. Nadat ze hem de kans op een medaille hadden afgepakt.

“Het was verstandig” dat hij er niet bij was, toen zijn advocaten onlangs spraken met de atletiekbond. Als hij hoort hoe ze over hem spreken op het bondsbureau. Dan zou hij zich “vies” voelen als hij sommige bondsvertegenwoordigers de hand zou schudden. “Dat heeft tijd nodig. Dat breng ik nog niet op.”

En nog altijd gaan ze door met “pesten”. Hij laat de nieuwe indeling zien van topatleten. De Bruin zit in A3, het kneusjesgroepje. Categorie van de sporters “die tijdelijk minder presteren”. Niet in A1, het keurcorps van internationale medaillewinnaars. Niet in A2, de groep van atleten die worden geacht zich te kunnen plaatsen bij de beste zestien van de wereld. Een indeling die alleen maar voortkomt “uit rancune”, die “niet te verdedigen is”. Voor zijn schorsing stond hij nog tweede op de wereldranglijst.

Hij had met een schone lei willen beginnen. Zich voorbereidend op een sportieve revanche bij de Europese kampioenschappen in Helsinki. Gesteund door de bond. Maar kennelijk wil de KNAU hem nog altijd “pakken”. Dat vindt hij “jammer”. Dat maakt hem “boos”.

Maar ook hij kan “moeilijk doen”. De atletiekbond zal hem een schadevergoeding moeten betalen. Voor gemiste inkomsten. Voor de schending van zijn reputatie. Als hij niet tot een vergelijk kan komen, dan stapt hij naar de rechter toe.

Nog altijd is de 'affaire-De Bruin' niet ten einde. Nog altijd duurt de griezelfilm voort. Al heeft de Internationale Amateur Atletiek Federatie (IAAF) de vrijspraak van de Nederlandse tuchtcommissie voorlopig wel overgenomen. Al mag De Bruin voorlopig wel weer aan internationale wedstrijden meedoen. Maar de dopingcommissie van de IAAF moet nog advies uitbrengen. De federatieraad zal pas eind april een definitieve uitspraak doen. Nog steeds de dreiging van een schorsing.

Hij kan zich nauwelijks voorstellen dat hij alsnog zal worden verbannen uit de internationale sportarena. Gebeurt dat toch, dan zal hij die straf betwisten tot in hoogste instantie. In Nederland of Finland. Het gevecht gaat door. Maar ook als sancties achterwege blijven, is hij beschadigd voor de rest van zijn leven. Hij maakt zich geen illusies. “Je kunt de komende jaren nog zoveel medailles halen, wat dit jaar gebeurd is, dat poets je nooit meer weg.”

Aanvankelijk heeft hij zich stoer gehouden. Hij trainde wel door alsof er niets aan de hand was. Dat zei hij. Grootspraak. Overmoed. En: “je loopt niet te koop met je ellende. Ik wilde mijn verdriet niet laten zien.”

Maar doortrainen alsof er niets aan de hand was, “dat ging dus niet”. “Ik heb altijd geleefd voor de grote toernooien, voor een EK, een WK en de Spelen. Hoe kun je trainen als je niet weet of je volgend jaar wel mag meedoen? Waar train je dan nog voor?”

“Heel lang heb ik geen discus in de hand gehad. Langer dan ooit tevoren in mijn leven. En het gaat langzaam sinds ik de training weer heb opgepakt. Want ik heb toch een tik gehad. Ook lichamelijk. Mijn vingers zijn niet meer gewend zoveel te gooien. Er kwam vocht in mijn hand. Ik kreeg last van mijn ellebogen, mijn schouders, mijn knie. Ik voelde alle peesjes. Een teken dat ik me niet moest forceren. Anders lig ik zo in de kreukels.”

“Maar langzaam komt het gevoel wel weer terug. Soms verbaast het me nog hoe snel dat toch gaat. Hoe snel je het ritme weer vindt. Dat is het geheugen van het lichaam.”

De atletiekclub in het nabijgelegen Lucan heeft hem de sleutel van het materiaalhok gegeven. Daar staat de zwarte kruiwagen, die hij vorig jaar met Kerstmis van de vader van zijn vriendin heeft gekregen. Alleen de maan licht hem bij als hij de discussen uit de achterbak van zijn auto in de kruiwagen laadt.

Een eenzame sporter trekt zijn sporen door het groene gras van Ierland. In zijn eentje, zoals hij ook in Nederland altijd al alleen was, warmt hij zich op door een verzwaarde bal tegen het hekwerk van de werpring te gooien. Daarna begint het werpen, eerst uit stand en dan met draai. Na elke tien worpen haalt hij met de kruiwagen de neergeplofte schijven op.

Dat hij minder aan kan dan in het verleden, dat vindt hij wel vervelend. Maar hij geniet weer als hij de discus “tegen het licht in door de lucht ziet vliegen”. En hij heeft nog alle tijd om terug te komen op zijn oude niveau. Een verschoppeling verheft zich. De Bruin leeft weer op.