Europa wint "handelsrace' van Amerika; Vrijhandelszone EU en EVA groter dan Nafta

Als de Amerikanen hadden gedacht per 1 januari deel uit te maken van het grootste handelsblok ter wereld, de NAFTA, komen ze bedrogen uit. Want op diezelfde datum ontstaat in alle stilte een nog nèt iets grotere vrijhandelszone, te weten de Europese Economische Ruimte (EER). Dit blok van de twaalf landen van de Europese Unie en vijf landen van de Europese Vrijhandels Associatie (EVA - Noorwegen, Zweden, Finland, Oostenrijk en IJsland) zal 380 miljoen inwoners tellen, zo'n 10 miljoen meer dan de NAFTA-landen Mexico, de VS en Canada. Belangrijker is dat de EER verantwoordelijk is voor ongeveer 40 procent van de wereldhandel, terwijl de NAFTA niet verder komt dan zo'n 15 procent. Van enige opwinding over dit wapenfeit is geen sprake op het Europese continent. Het secretariaat van de EVA-landen in Genève houdt kerstvakantie en ook het filiaal in Brussel geeft geen gehoor.

Het idee voor de Europese Economische Ruimte is afkomstig van Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie. In een toespraak voor het Europese Parlement, begin 1989, opperde hij om de banden tussen de EG en de EVA-landen aan te halen. Helemaal nieuw was het voorstel overigens niet. Al in 1984 waren pogingen tot toenadering ondernomen, maar deze liepen stuk. Desondanks werd Delors' idee enthousiast ontvangen en nog hetzelfde jaar begonnen de onderhandelingen in Luxemburg. Inzet: de vorming van een vrijhandelszone tussen EG en EVA met vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen, maar zonder gemeenschappelijk intern of extern beleid.

Echt vlot verliepen de onderhandelingen niet. Hoewel het idee tot samenwerking was uitgegaan van Brussel, moesten de EVA-landen belangrijke concessies doen om te worden toegelaten tot "de wachtkamer van de Europese Gemeenschap', zoals de EER vaak is omschreven. Zo moesten Noorwegen en IJsland tot hun grote ongenoegen meer buitenlandse vissersschepen toelaten in hun wateren. Ook financieel werd een offer gevraagd. De zuidelijke lidstaten van de EG, Spanje voorop, zagen tijdens de onderhandelingen hun kans schoon om ontwikkelingsgeld los te peuteren van de welgestelde EVA-landen. Afgesproken werd dat de EVA-landen in vijf jaar tijd 2 miljard ecu (ongeveer 4,5 miljard gulden) zouden storten in het steunfonds voor de armere EG-landen: 500 miljoen ecu in de vorm van giften en 1,5 miljard ecu als zachte leningen. Ten slotte waren er langdurige discussies nodig om het transitverkeer door de Oostenrijkse en Zwitserse Alpen te regelen. Op 21 oktober 1991 werden de onderhandelingen echter met succes afgerond en op 1 januari 1993 zou de Europese Economische Ruimte een feit zijn, zo werd gedacht.

Het Europese Hof van Justitie verstoorde de feestvreugde echter met de mededeling dat de wijze waarop geschillen in het nieuwe handelsblok zouden worden beslecht, niet door de beugel kon. Afgesproken was dat er een gemengde EG-EVA-rechtbank zou komen voor handelsgeschillen. In de praktijk zouden er twee "hoogste' organen zijn voor uitleg van het EG-recht, zo luidde de klacht van het Hof. Het probleem werd opgelost door van de geplande rechtbank een "geschillencommissie' te maken, die zich moet onderwerpen aan de uitspraken van het Hof. De EER leek gered en op 2 mei 1992 werd in Portugal het oprichtingsverdrag getekend.

Veel bedreigender dan het gepikeerde Hof van Justitie bleken uiteindelijk de Zwitsers, die op 6 december vorig jaar per referendum toetreding tot de EER blokkeerden. De angst om de eigen identiteit kwijt te raken was net iets sterker dan het verlangen naar economisch profijt: het aantal tegenstemmers was 0,6 procent groter dan het aantal tegenstemmers. Daarmee was het plan om de oprichting van de vrijhandelszone te laten samenvallen met de eenwording van de Europese markt, op 1 januari 1993, van tafel. Een week later ging het economisch sterk aan Zwitserland gebonden Liechtenstein wèl akkoord met de EER. Het land zal echter pas toetreden als een aantal douane-kwesties met Zwitserland geregeld zijn.

De maanden na het Zwitserse referendum werden besteed aan wijziging van het oprichtingsverdrag van de EER: niet achttien, maar zeventien landen zouden per 1 juli 1993 een vrijhandelszone vormen. Ook moesten er enkele problemen worden opgelost; de bijdrage die Zwitserland zou leveren aan het EG-steunfonds voor armere lidstaten bijvoorbeeld. Van de toegezegde 2 miljard ecu zouden de rijke Zwitsers een kwart voor hun rekening nemen. De zuidelijke EG-landen eisten op hoge toon dat er compensatie zou komen voor het uitblijven van de Zwitserse franken. Afgesproken werd uiteindelijk dat 60 procent van de bijdrage van Zwitserland wordt overgenomen door de andere zes EVA-landen, de rest vervalt. Overigens ging de datum van 1 juli geruisloos voorbij, omdat nog niet alle landen het verdrag hadden geratificeerd.

Of de Europese Economische Ruimte een lang leven beschoren zal zijn, is de vraag. Tijdens de onderhandelingen over de EER hebben al vier van de vijf deelnemende EVA-landen (Zweden, Finland, Noorwegen, Oostenrijk) een aanvraag voor het lidmaatschap van de Europese Unie ingediend.