Een tandeloze tuinkabouter

De basisvorming. José van Vonderen, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht, 1993. ISBN 90 274 3276 7

Onderwijsproza werkt vaker als narcoticum dan als pepmiddel. Terwijl dezer dagen de verzorgingsstaat rapportsgewijs wordt onttakeld en het pleidooi voor een verdergaande "meritocratisering' van de samenleving in brede kring gehoor vindt, is in onderwijsland van toenemende allergie voor linksig jargon nog maar weinig te merken. Wie door vaktijdschriften bladert of een onderwijsdebat volgt in de Tweede Kamer, waant zich vaak genoeg nog middenin de jaren zeventig, toen de gedachtenvorming over het "merit good' onderwijs nog geheel werd beheerst door het welzijn van de individuele scholier of student, en de emancipatoire waarde van maatschappijkritiek.

Volwassenen worden door de overheid weer streng toegesproken, maar voor de schoolkinderen van twaalf tot vijftien jaar komt de staat met een "basisvorming', het stiefkindje van de ooit revolutionair bedoelde middenschool. En een begrip als "zelfontplooiing' mag in de bezorgde debatten over modern burgerschap naar de schroothoop van de geschiedenis zijn verwezen, onderwijskundigen introduceren vrolijk de opvolgersterm "zelfconcept-verheldering', een van de nieuwe taken waar de moderne schooldecaan in de basisvorming zijn pupillen op moet tracteren: ""Wat wil ik? Wat is geschikt voor mij?'' En dan is er natuurlijk het nieuwe vak "verzorging', ingevoerd terwijl de gelijknamige staatsvorm als een tweede Titanic onder de golven aan het verdwijnen is. ""Noem tien punten die van belang zijn bij de aankoop van een spijkerbroek'', is een opdracht die in het kader van dit nieuwe vak aan de orde kan komen.

Zo'n unzeitgemäss panorama van onderwijsland doemt op uit het overzichtsboekje De Basisvorming, geschreven door de journaliste José van Vonderen. Op de informatieve waarde van het boek - bedoeld voor leraren, ouders, vakbondsbestuurders en ambtenaren - is weinig af te dingen. Het geeft een glashelder beeld van het ontstaan van de basisvorming, vanaf de discussies over de middenschool diep in de jaren zeventig, tot de voorzichtige manier waarop scholen nu de nieuwe onderwijsvorm invoeren. Maar hoe feitelijk het boekje ook is, ronduit vervreemdend werkt de opeenstapeling van zoveel zorgeloos onderwijsjargon, tandeloos vergeleken met de geslepen-messentaal die het maatschappelijk debat in de jaren negentig kenmerkt. Alsof een tuinkabouter het moet opnemen tegen Arnold Schwarzenegger. Het is proza dat beelden oproept van zomerse parken vol langharige jongeren. De optimistische jaren zeventig, toen de samenleving nog maakbaar was. Ook Van Vonderen haalt mooie herinneringen op aan de ""brede ontplooiing'' die de middenschool wilde bieden, als remedie voor het ""eenzijdig'' op cognitieve prestaties georiënteerde onderwijssysteem. Ze schetst brede scholengemeenschappen met heterogene brugklassen, vol leerlingen uit diverse sociale milieus die ook eens wat aan techniek doen, bewust spijkerbroeken leren kopen en bij de decaan hun zelfconcept verhelderen.

Maar een kritische plaatsbepaling ontbreekt. Van Vonderen gaat maar mondjesmaat in op de inhoudelijke bezwaren tegen de onderwijskundige idealen waaruit de basisvorming is voortgekomen. In het hoofdstuk "kritiek en kanttekeningen' beschrijft ze wel dat de meeste scholen en leraren ""nog niet rijp'' zijn voor de basisvorming - diepergaande bezwaren worden elders in het boek afgedaan als ""negatieve beelden die in omloop zijn''. Ongefundeerde vooroordelen en koudwatervrees van met statusverlies bedreigde ouders, begrijpt de lezer tussen de regels door. Dat is jammer, want juist in het huidige maatschappelijk debat vraagt een vernieuwing als de basisvorming om meer dan alleen maar een pragmatische verdediging. Zijn de vele doelstellingen van de basisvorming (verhoging van het kennispeil, modernisering van het onderwijs, sociale emancipatie door middel van onderwijs) bijvoorbeeld niet onderling tegenstrijdig? Is een verhoging van het kennispeil van de jeugd over de hele linie te combineren met het terugdringen van de ongelijkheid? Markeert de basisvorming inderdaad - zoals sommige sociologen menen - een verschuiving op school van abstract-theoretische naar concreet-praktische kennis? En wat betekent dat dan?

Dit soort vragen blijft onbeantwoord. Wie dit boekje uitheeft, komt eigenlijk niet verder dan de vaststelling dat de basisvorming op zich een heel goed idee is, dat vooralsnog stuit op een realiteit die er nog niet ""rijp'' voor is. Dat kan betekenen dat de realiteit nog wel zal volgen, maar het zou ook kunnen dat de basisvorming in de praktijk een "dubbele leugen' wordt: een verwaterde versie van de middenschool-ideologie waar scholen zo vrij mee kunnen omspringen dat er ook nog eens niets wezenlijk verandert. En zegt die spanning tussen droom en daad niet óók iets over het idee? Van Vonderen - en met haar grote delen van de onderwijsgemeente - doet in alle onschuld alsof we nog in de jaren zeventig leven. Maar wie de eigentijdse lezer niet alleen wil informeren over de basisvorming maar hem ook duidelijk wil maken dat die een goed idee is, zal wat meer spierkracht moeten gebruiken.