DE VIOOLSPELENDE KOE

De stier Herman is bekend geworden als de bezitter van een menselijk gen, of althans iets dat daarop leek. Als onderzoeker denk ik met gemengde gevoelens aan Herman terug. Technisch een goede prestatie, maar de publieke discussie die Herman teweeg bracht, verliep minder goed. In de Tweede Kamer werd zelfs een motie ingediend die een verbod beoogde op het inbrengen van soortsvreemd genetisch materiaal in de kiembaan van dieren. Niet alleen bij runderen, maar ook bij muizen, ratten of vliegen.

Aan de behandeling van deze motie ging nogal wat consternatie in wetenschappelijke kring vooraf. Hoewel onderzoekers meestal niet op de voet volgen wat zich in de Tweede Kamer afspeelt, was uit de pers duidelijk geworden dat de Kamer zich over een belangrijk onderdeel van het hedendaagse medisch-biologisch onderzoek zou buigen, zonder voorafgaand advies in te winnen bij de betrokken onderzoekers of andere deskundigen. Dit leidde tot een sterke opleving van de politieke belangstelling in wetenschappelijke kring. Wetenschappelijke instanties als de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, de Gezondheidsraad en het Gebiedsbestuur Medische Wetenschappen van NWO stuurden verontruste brieven naar de Kamer, ondersteund door persoonlijke brieven van onderzoekers, onder wie ikzelf. Er werd getelefoneerd met kamerleden en staatssecretarissen. Dankzij deze protesten - of ondanks de protesten, wie zal het weten - is de motie verworpen. Daarmee was de kwestie voorlopig afgedaan.

Opgelost is er echter nog niets. Sommige organisaties die tot doel hebben om dieren te beschermen, blijven Herman verketteren en de baas van Herman, de firma Genpharm en zijn directeur prof. Herman (jawel) de Boer, mijden nu de publiciteit, die zij eerst met enig enthousiasme hadden gezocht. Vandaar dat ik nog even nakaart.

Waarom doen onderzoekers zulke proeven, wat kan er gebeuren bij soortsgrensoverschrijdende overdracht van genetische informatie (sorry, zo heet het) en hoe zouden politici daarover zinnige besluiten kunnen nemen?

Eerst de biologie, opdat althans de feiten duidelijk zijn:

De overdracht van genetische informatie van het ene organisme naar de kiembaan van het andere, ofwel het maken van zogenaamde transgene dieren, beoogt de werking van genen in samenspel met andere genen in gespecialiseerde weefsels te leren kennen. Bij deze proeven gaat het vaak om menselijke genen en wordt meestal de muis als proefdier gebruikt.

Zulke proeven zijn van wezenlijk belang gebleken om inzicht te krijgen in de werking van gestoorde genen in kankercellen, en om op te helderen hoe ons immuumsysteem werkt. Bovendien bestaan er grote verwachtingen van deze proeven voor de ontrafeling van menselijke ziekten met een belangrijke erfelijke component, zoals alle aangeboren stofwisselingsziekten, maar ook reuma en psychische afwijkingen. De informatie die met deze proeven wordt verkregen, is langs andere weg niet of nauwelijks te krijgen. Het gaat hier dus om een onmisbare techniek in het huidige medisch-biologische onderzoek. Daarnaast mag men verwachten dat sommige menselijke eiwitten, die voor medische doeleinden nodig zijn, met transgene dieren op den duur makkelijker en veiliger te maken zijn dan uit menselijk materiaal, zoals bloed.

De bezwaren die tegen transgene dieren zijn aangevoerd zijn tweeërlei: in de eerste plaats vreest men dat dieren zullen ontstaan die minder goed functioneren dan de normale muis of koe. Dit zijn bezwaren die gelden voor ieder dierexperiment, en die volledig vallen onder de geldende regels voor dierexperimenten - die in Nederland niet kinderachtig zijn.

Het tweede bezwaar is vager: het zou niet juist zijn om dieren te scheppen die in de natuur niet bestaan. Dit bezwaar spreekt niet veel mensen aan die enige biologische kennis bezitten: diersoorten zijn in de loop van de evolutie uit elkaar ontstaan en het toeval heeft daarbij een grote rol gespeeld. 99,9 procent van de dieren die ooit op aarde hebben geleefd, is inmiddels weer verdwenen. Met klassieke kruisingen heeft de mens dieren aangepast aan z'n eigen behoeften. De legkip en de melkkoe zouden in de natuur nooit ontstaan zijn en zouden het in het vrije veld ook niet lang houden. Ik zwijg dan nog maar over de abnormale honderassen, die bewust zijn gekweekt voor menselijk vermaak, en waar van alles mee mis is.

Ook de soortgrensoverschrijdende DNA-overdracht is iets dat in de natuur voorkomt en dat echt niet door de mens is bedacht. Er zijn virussen die genetische informatie over kunnen brengen tussen ver uiteenliggende soorten. Bij bacteriën is dit schering en inslag, maar ook bij hogere organismen zijn daar nu voorbeelden van gevonden. De natuur is inventief en de soortsbarrière is niet zonder gaten.

Het heilig ontzag voor soortsgrensoverschrijdende DNA-overdracht is meer een religieus dan een biologisch argument: wie gelooft dat God de dieren geschapen heeft zoals wij ze nu in de natuur zien (de legkip, de melkkoe en het pekineesje even buiten beschouwing gelaten) zou kunnen denken dat hier een fundamentele barrière overschreden wordt. Wie zijn Darwin kent en ook met de recente moleculair-genetische literatuur vertrouwd is, dient beter te weten.

Het bezwaar tegen transgene dieren concentreert zich nu op dieren met menselijke genen. De onderliggende vrees lijkt te zijn dat het mogelijk is om dieren te maken met menselijke trekken: een koe die viool speelt à la Chagall, een muis die kamerlid wordt. Hoe reëel is deze vrees? Naar mijn mening en die van mijn vakgenoten, voor zover ik die daarover heb gesproken, is deze angst volstrekt irreëel. Dat verklaart ook waarom aan dit punt in dikke rapporten over gentechnologie nauwelijks of geen aandacht wordt besteed. Dat is echt niet omdat het genetici aan voorstellingsvermogen ontbreekt. De hele discussie over recombinant-DNA proeven en over proeven met embryo's heeft laten zien dat (moleculair)-genetici goed weten waar ze mee bezig zijn en ook over de maatschappelijke consequenties daarvan nadenken.

Er zijn echter goede redenen om aan te nemen dat men met enkele menselijke genen een dier niet kan vermenselijken: naar huidige schattingen hebben zoogdieren zoals mens of muis tenminste 100.000 genen. Die genen lijken op elkaar. Van ieder afzonderlijk muis-gen kunnen we meestal makkelijk het bijbehorende menselijke gen vinden en omgekeerd. Het verschil tussen mens en muis wordt bepaald door die subtiele verschillen tussen 100.000 individuele genen en de wijze waarop die genen samenwerken. Toevoegen van één menselijk gen aan 100.000 muizegenen maakt van een muis niet een muis met een menselijk trekje. Wat wij als menselijk beschouwen, onze vorm en geestelijke inhoud, wordt door het samenspel van de 100.000 menselijke genen bepaald en dat samenspel kan niet worden overgebracht naar een proefdier.

Maar hoe staat het dan met het hellend vlak, zal de lezer willen weten. Vandaag één gen, morgen twee, over tien jaar tien, over twintig jaar 50.000. Waar ligt de grens? Dat er grenzen zijn bij dergelijke proeven is onomstreden en ligt ook vast in wetten en afspraken. Die grenzen zijn ethisch en technisch. De technische beperkingen liggen in het onvermogen van genen van zeer verschillende organismen om nog effectief samen te werken in het zeer ingewikkelde proces waarbij uit één enkele bevruchte eicel een volwassen organisme wordt gevormd. Ook als verwante dieren zoals paard en ezel nog nageslacht kunnen krijgen, is dat nageslacht vaak al onvruchtbaar. Bij verder uiteenliggende dieren wordt geen nageslacht meer gevormd. Wie alle noten van een symfonie van Bruckner en alle noten van een symfonie van Sjostakovitch door elkaar klutst, houdt geen symfonie over aan het eind.

Ethisch zijn er ook duidelijke grenzen: het is bijvoorbeeld niet geoorloofd om mengembryo's te maken van menselijke en muize-embryo's. We denken dat zulke embryo's niet tot wasdom komen, maar de proef is niet gedaan omdat iedereen het er over eens is dat het niet acceptabel is om mensachtige wezens te creëren.

Er is dus consensus in medisch-biologische kring over de uitersten: er zijn geen technische of ethische bezwaren aan te voeren tegen de overdracht van één menselijk gen naar een muis, wel tegen overdracht van de helft van alle menselijke genetische informatie naar eem muis-embryo. Waar men tussen die uitersten een streep wil trekken, zal afhangen van de aard van het experiment. Zoals bij alle onderzoek aan mensen of met menselijk materiaal kan men geen regels maken die in alle gevallen opgaan.

Terug naar de politiek en naar de motie over stier Herman. Uiteraard heeft de politiek het laatste woord in deze kwesties, ook over Herman. De Kamer is echter gevuld met generalisten met een helikopterblik, waarvan niet verwacht mag worden dat zij op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen in de gentechnologie. Wat echter wel mag worden verwacht, is dat die generalisten te rade gaan bij deskundigen, om te horen wat de consequenties van een voorgesteld besluit zouden kunnen zijn. Ik vind dat in dit geval die dialoog onvoldoende heeft plaats gevonden, en dat dit niet aan de deskundigen lag.

De moleculair-genetici in Nederland hebben zich in de afgelopen twintig jaar ingespannen om verslag te doen van de stand van de wetenschap. Ondanks het feit dat Nederland klein is en elk advies door een klein aantal topdeskundigen moet worden voorbereid, zijn die mensen niet te beroerd gebleken om de adviescommissies te bemannen en toelichting te geven bij hun werk.

Ik vind dat onderzoekers van politici mogen vragen dat zij geraadpleegd worden bij complexe kwesties met een belangrijke wetenschappelijke component. Generalisten dienen zich voldoende te verdiepen in de achtergrond van zulke kwesties om tot een redelijke afweging van belangen te komen. Dit geldt voor biologische vraagstukken evenzeer als voor technologische problemen. Het is ondenkbaar dat een kamerlid een amendement zou willen indienen op voorstellen voor een waterkering in de Schelde, zonder zich eerst met ingenieurs te verstaan of een alternatieve kering wel keert. En hetzelfde geldt voor de medische biologie, wil men daar tot redelijke oplossingen komen.

Maar, zal de lezer mij tegenwerpen, de motie is toch verworpen? Dat is juist, maar dat is m.i. gebeurd na onvoldoende technische voorbereidingen en na een vrij grillig en chaotisch debat. Wie de geschiedenis overziet, krijgt de indruk dat het ook anders had kunnen aflopen. Daarmee was catastrofale schade toegebracht aan het medisch-biologisch onderzoek in Nederland. De bestudering van transgene dieren die één of enkele menselijke genen bevatten, is een essentieel hulpmiddel in dat onderzoek. Wie dergelijke proeven verbiedt, zaagt één poot onder de onderzoekstoel weg en de schade die daarmee wordt aangericht gaat uit boven het moeten ontberen van een onderzoektechniek. Niet alleen zou het onderzoek op volstrekt onnodige wijze ernstig worden belemmerd, maar men loopt ook het risico om de beste jonge onderzoekers te verliezen aan het buitenland, waar dit soort restricties niet gelden.

De kranten staan bol over de groeiende afstand tussen kiezer en gekozene. Men zou in Den Haag niet weten wat er bij de kiezer leeft. Het welzijn van proefdieren is iets dat leeft bij de kiezer en ik kan mij voorstellen dat het in de Kamer extra aandacht krijgt. Het is nu eenmaal makkelijker om medische experimenten aan te pakken dan amateurvissers of amateurjagers, of het gebruik van proefdieren voor het testen van nieuwe schoonheidszalven. Kiezers worden echter ook wel eens ziek en wensen dan een goede medische behandeling. Dat blijft alleen mogelijk, wanneer het medisch-biologisch onderzoek in Nederland geen onnodige belemmeringen in de weg worden gelegd.