Beter gekleed dan een ijsbeer

Tentoonstelling "Tegen kou... kleding van de poolbewoners'. T/m 17 april. Rijksmuseum voor Volkenkunde, Steenstraat 1, Leiden. Di t/m vr 10-17u. Inl 071-211824. Cat ƒ 25,-.

Wat is het toch oneerlijk verdeeld in de wereld. Eenden kunnen vrolijk rondsnateren in een wak vol ijswater, terwijl mensen kilo's kleren moeten meesjouwen om warm te blijven. Hoe jaloers mensen daarom op dieren kunnen zijn, toont de tentoonstelling "Tegen kou... kleding van de poolbewoners' in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden.

Vier zalen heeft het museum gewijd aan de iets meer dan 300 duizend mensen die ten noorden van de poolcirkel wonen. En in het bijzonder aan hun kleding, die in meer dan één opzicht is gepikt van de dieren uit hun omgeving. IJsbeerbroeken, zeehondeschoenen, walrussemutsen en eendejasen - koelbloedig afgestroopt en aangetrokken. De poolbewoners, van wie de Inuit (Eskimo's, zoals een indianenstam hen schimpend noemde: "rauwvleeseters') de bekendste zijn, wisten in hun ijzige omgeving te overleven door de uitrusting van dieren over te nemen.

Dat overnemen gebeurde heel letterlijk. Voor schoeisel werden rendierpoten gebruikt, waarvan vrouwen het leer soepel kauwden. De vacht van ijsbeerdijen diende als broek, de romp van een zeehond verschafte het bont voor de jas en als de jagers geen houten muts met de snorharen van een walrus droegen, zetten ze een complete berenkop op. Zelfs jassen met een staart liggen in de Leidse vitrines. De beestevellen zijn als een tweede huid voor de jagers.

Beter zelfs. Terwijl een ijsbeer het met zijn enkele vacht moet doen, trekken de poolbewoners een onderhemd aan met de bontharen naar binnen gekeerd en daaroverheen een jas met het bont naar buiten. Bontharen zijn hol en de lucht die daarin zit, isoleert. Tegelijkertijd voeren de haren het transpiratievocht naar buiten. De doelmatigheid van deze kledij is deze eeuw nog overtuigend aangetoond door poolvorsers Scott en Amundsen. De eerste droeg "gewone' warme kleding, wollen onderlaag en bont aan de buitenkant. Hij bevroor in 1912, op zoek naar de Noordpool. Amundsen maakte verschillende poolreizen in kleding zoals de poolbewoners die droegen: bontharen naar buiten èn naar binnen. (Dat hij later in het Arctisch gebied neerstortte met een vliegtuig, daar kon zijn bontjas niks aan doen.)

Een ander voorbeeld van slechte poolkleding in Leiden zijn de wollen sokken, muts en trui van wat ongetwijfeld een verkleumde zeeman moet zijn geweest. Zo praktisch, zo aangepast aan de natuurlijke omgeving als de kleding van de poolbewoners was, zo onverstandig was de uitdossing van de Europese walvisvaarders die de ijszeeën bevoeren. Wol houdt immers alle vocht vast, wordt klam en bevriest op het lichaam. Ook de gelooide leren schoenen kunnen niet veel bescherming hebben geboden. Het leer bevroor en werd hard als glas. Tijdens de overwintering van Willem Barentz en zijn bemanning op Nova Zembla zijn heel wat voeten afgevroren.

Wat zien de stugge schoenen van baardrob er dan behaaglijk uit. Of de poenige jas die wel dertig eidereenden met de dood hebben moeten bekopen. Zelfs de kleine onderbroekjes - leren band, bont kruis - die eind vorige eeuw in Oost-Groenland werd gedragen, suggereren meer warmte dan die verstijfde ijsmuts. Het onderbroekje (natit) is een van de weinige tekenen van mode in de collectie. De natit was binnenshuis vaak het enige kledingstuk dat mannen en vrouwen droegen. Buiten droegen vrouwen er een korte leren broek overheen, die net niet tot aan het begin van hun hoge laarzen reikte. Gevolg van deze kledingrage was dat de dijen van deze vrouwen blijvend verkleurden door bevriezing en zonlicht.

Zoals zoveel uit de verzameling van het Volkenkundig Museum, dateert het grootste deel van de kleding uit de negentiende eeuw. Een doorzichtige parka van darm die als regenjas diende of een Siberisch jakje van beschilderde vissehuid wordt vandaag de dag niet meer gemaakt. En al blijven bont en leer ook nu nog de belangrijkste grondstoffen voor de kledingindustrie, in de loop van deze eeuw dringt katoen door in het poolgebied. Naast een vest van Inuk furs - "van een volwassen en niet-bedreigde diersoort' en made in Greenland - hangen nu sweatshirts en T-shirts. De huisvlijt van de poolvrouwen heeft plaats gemaakt voor de postordercatalogus. De houten zonnebril van honderd jaar geleden is vervangen door een honkbalpetje van het Baffin Business Development Centre. En juist nu, nu de poolbewoners in goedverwarmde huizen wonen en ze dus beter dan ooit zouden kunnen rondwandelen in alleen een onderbroekje, dragen ze eigenlijk meer kleren dan ooit.

Tegen kou is niet louter een expositie van kleren in vitrines die je niet mag aanraken. De tentoonstelling is gericht op kinderen en dat is te merken aan het hoge jonge-gezinnengehalte in de zalen. Er valt dus niet overdreven veel te lezen, maar des te meer te horen, te zien en aan te raken. Hoogtepunt van tastbaarheid is een houten "ijsvlakte' waar, met veel geluiden en beweging, het dagelijks leven op de Noordpool voor kinderen is uitgebeeld. Er zwemmen levende vissen en kinderen kunnen onder het "ijs' kruipen en plots oog in oog komen te staan met een ijsbeer.

Een beetje wrang is wel dat de tentoonstelling opent met een diaserie waar heel veel lieve dieren in voorkomen: een gapend sneeuwkonijn, zoenende zeeleeuwen en een koket poolvosje, die je even verderop als haute couture in de vitrines weer tegenkomt.