BELASTINGEN EN SOCIALE ZEKERHEID IN 1994; UITKERINGEN AOW /AWW

bruto vakantiegeld per bruto per maand maand

AOW Gehuwden, partner ouder dan 65 jaar 972,46 59,19 Gehuwden, partner jonger dan 65 jaar en maximale toeslag1944,92 118,37 Alleenstaanden1401,03 82,85 Ongehuwden met kind tot 18 jaar1749,38 106,54 Toelichting: Per 1 januari worden de uitkeringen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW) verhoogd. De wijziging heeft tot gevolg dat bij voorbeeld een echtpaar waarvan beide partners 65 jaar of ouder zijn en dat alleen een AOW-uitkering heeft per maand netto ruim 10 gulden meer ontvangt. Alleenstaanden krijgen er netto per maand bijna 8 gulden bij. Het AOW-pensioen voor gehuwden is netto gelijk aan 50 procent van het netto minimumloon als beide partners 65 jaar of ouder zijn. Het netto pensioen van een gehuwde met een partner jonger dan 65 jaar en van een ongehuwde is gelijk aan 70 procent van het netto minimumloon. Eénouder-gezinnen ontvangen een pensioen dat netto gelijk is aan 90 procent van het netto minimumloon. Het gaat hier om ouderen die ongehuwd zijn en een kind hebben dat jonger is dan 18 jaar voor wie zij kinderbijslag ontvangen. Per 1 februari 1994 (niet: januari) wordt het uitkeringsrecht van gehuwden met een partner jonger dan 65 jaar gewijzigd. Hierbij gaat het om het volgende: een gehuwde met een partner jonger dan 65 jaar die vóór 1 februari 1994 recht krijgt op een AOW-uitkering ontvangt een pensioen van 70 procent van het minimumloon (conform de uitkering voor alleenstaanden) en een toeslag van maximaal 30 procent van het minimumloon. Per 1 februari wordt de verhouding tussen basisuitkering en toeslag gewijzigd. Een gehuwde met een partner jonger dan 65 jaar die op of na 1 februari recht krijgt op een AOW-uitkering ontvangt een pensioen van 50 procent van het minimumloon (de uitkering voor een gehuwde) en een toeslag van maximaal hetzelfde bedrag (bruto 972,46 gulden). Voor degenen die vóór 1 februari al een AOW-uitkering ontvangen verandert er niets. De gehuwde gepensioneerde met een partner jonger dan 65 jaar kan een toeslag op het ouderdomspensioen ontvangen, die afhankelijk is van het inkomen van die jongere partner. Van dit inkomen wordt een deel buiten beschouwing gelaten. Deze vrijlating bedraagt 15 procent van het bruto minimumloon met inbegrip van de overhevelingstoeslag (361,84 gulden) en een derde deel van het meerdere aan bruto inkomsten. Wat daarna overblijft, wordt in mindering gebracht op de toeslag. Ingeval recht bestaat op een maximale toeslag van 30 procent van het minimumloon (bruto 543,89 gulden) bestaat bij een bruto inkomen (met inbegrip van de overhevelingstoeslag) van de jongere partner van meer dan 1177,66 gulden geen recht meer op een toeslag. Wanneer de maximale toeslag 50 procent van het minimumloon (bruto 972,46 gulden) bedraagt, bestaat bij een bruto inkomen (overhevelingstoeslag inbegrepen) van 1820,53 gulden of meer geen recht meer op een toeslag.AWW Weduwen met kind tot 18 jaar 2419,72 158,25 Weduwen zonder kind tot 18 jaar 1767,02 110,76 Wezen tot 10 jaar 565,45 35,44 Wezen van 10 tot 16 jaar 848,17 53,16 Wezen van 16 tot 27 jaar1130,89 70,89 Toelichting: Weduwen (weduwnaars) jonger dan 65 jaar betalen alle premies volksverzekeringen zelf, in tegenstelling tot bejaarden die geen premies AOW, AWW en AAW betalen. De bruto weduwenpensioenen liggen daarom hoger dan de bruto ouderdomspensioenen. Het pensioen voor een weduwe (weduwnaar) met een kind tot 18 jaar is netto gelijk aan het minimumloon. Voor een weduwe zonder kind tot 18 jaar is het pensioen of de uitkering netto gelijk aan 70 procent van het minimumloon.

VOOR-OORTSE BEDRAGEN Behalve de pensioenbedragen zoals die zijn vermeldt in het bovenstaande tabellen worden ook fictieve pensioenbedragen vastgesteld zoals ze zouden hebben gegolden als het belastingstelsel drie jaar geleden niet was veranderd. De reële pensioenbedragen worden daartoe verminderd met een fictieve overhevelingstoeslag. Deze zogenoemde 'vóór-Oortse AOW/AWW-bedragen' zijn in tweeërlei opzicht van belang. In de eerste plaats kunnen deze bedragen worden gehanteerd bij de berekening van de pensioenaanspraken. Zo wordt voorkomen dat de verhoging van de AOW/AWW-uitkering op grond van de Oort-maatregelen zou leiden tot een kleiner aanvullend pensioen. In de tweede plaats kunnen deze 'vóór-Oortse bedragen' worden gebruikt bij de vaststelling van het franchisebedrag, waarover geen premies voor aanvullende pensioenen worden geheven.