BELASTINGEN EN SOCIALE ZEKERHEID IN 1994; LOON- EN INKOMSTENBELASTING

tariefpercentage opvolgende totaal opvolgende heffing over toe te passen op inkomens- inkomensschijven het totaal van de belastbare som schijven de schijven

38,25% over de eerste 43.26743.267 16.549 50% over de volgende 43.26586.532 38.181 60% over de resterende -- ---- guldens Toelichting: De indeling van de schijven voor de loon- en inkomstenbelasting wordt in 1994 niet gecorrigeerd voor de geldontwaarding. Dit betekent dat men bij stijging van loon of inkomen eerder in een hoger procentstarief belandt dan bij toepassing van de inflatiecorrectie op de indeling van de schijven het geval zou zijn geweest. De basisaftrek is wel verhoogd (zie Tariefgroepen). Over de eerste inkomensschijf worden belasting en premies volksverzekeringen (AOW, AWW, AAW en AWBZ) gecombineerd geheven. Het tarief in de eerste schijf wordt in 1994 met 0,15 procentpunt verlaagd. Het tarief in deze schijf wordt 38,25 procent (1992: 38,40 procent). Het bestaat uit 7,05 procentpunt belasting (1993: 13,00 procentpunt) en 31,20 procentpunt premies (1993: 25,40 procentpunt). (De forse verschuiving in de opbouw van het tarief in de eerste schijf vloeit voort uit de overheveling van een deel van de AAW- en AWW-premies, die onder de belastingen werden meegeteld, naar de premies.) Voor personen van 65 jaar en ouder geldt er in de eerste schijf in plaats van 38,25 procent een lager tarief van 17,45 procent (1992: 20,5 procent), omdat zij voor een aantal premies volksverzekeringen (AOW en AAW) niet premieplichtig zijn. Dit tarief bestaat uit 7,05 procentpunt belasting en 10,40 procentpunt premie AWBZ en AWW. Voor buitenlanders die niet onder de volksverzekeringen vallen en die hun inkomen voor minder dan 90 procent vanuit Nederland verkrijgen, geldt in de eerste schijf een belastingtarief van 25 procent. De aanslaggrens voor de inkomstenbelasting wordt in 1994 76.400 gulden (1993: 74.000 gulden). De grens voor teruggaaf op verzoek van teveel ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen wordt in twee stappen verlaagd: per 1 januari 1994 van 331 gulden (221 gulden voor bejaarden) naar 150 gulden en per 1 januari 1995 naar 25 gulden (eveneens voor bejaarden). De vaste aftrek voor beroeps/verwervingskosten wordt per 1 januari 1994 verhoogd van 5 naar 8 procent van het inkomen uit tegenwoordige arbeid. Dit zogenoemde arbeidskostenforfait kent in 1994 een minimum van 231 gulden (1993: 224 gulden) en een maximum van 2.086 gulden (1993: 1.578 gulden). Het vaste aftrekbedrag voor niet-actieven wordt 569 gulden (1993: 554 gulden). Het maximum van de fiscale aftrek van lijfrentepremies wordt 5.496 gulden (1993: 5.351 gulden) per persoon en voor gehuwden 10.992 gulden (1993: 10.702 gulden). De extra aftrek (tweede tranche) bedraagt maximaal 54.954 gulden (1993: 53.509 gulden); de eventuele derde tranche 10.991 gulden (1993: 10.702 gulden). Het oude maximum van de lijfrentepremie-aftrek bedraagt 19.190 gulden (1993: 18.685 gulden). In dit overzicht zijn niet opgenomen de speciale aftrek-regelingen voor buitengewone lasten en voor zelfstandige ondernemers en hun meewerkende partners, alsmede de werknemersspaar- en winstdelingsregelingen. De bedragen die hiervoor in 1994 gelden zijn eveneens gewijzigd.