BELASTINGEN EN SOCIALE ZEKERHEID IN 1994; BIJSTANDSUITKERINGEN

netto per vakantiegeld maand per maand

Echtparen, beide partners ouder dan 21 jaar en geen schoolverlaters1771,54 97,72

Alleenstaande ouders van 21 jaar en ouder en geen schoolverlater1594,39 87,95

Alleenstaanden jonger dan 21 jaar of schoolverlater van 21 tot 27 jaar thuiswonend 465,50 37,47 uitwonend 866,30 37,47

Alleenstaanden van 21 jaar of ouder en geen schoolverlater van 21 tot 27 jaar en geen woningdeler bij 23 jaar of ouder1240,08 68,40 bij 22 jaar1032,72 70,94 bij 21 jaar 902,82 60,52

Alleenstaanden van 21 jaar of ouder en geen schoolverlater van 21 tot 27 jaar en wel woningdeler bij 23 jaar of ouder1053,16 68,40 bij 22 jaar 875,05 70,94 bij 21 jaar 866,30 60,52 Toelichting: Per 1 januari 1994 wijzigen de bijstandsuitkeringen alsmede de uitkeringen voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW) en ex-zelfstandigen (IOAZ). Weliswaar wordt het wettelijk minimumloon per 1 januari niet verhoogd, maar er treden wel veranderingen op in belasting en premies. Als gevolg hiervan gaat bij voorbeeld de bijstandsuitkering voor een echtpaar met 11,23 gulden omhoog naar 1.171,54 gulden per maand. De uitkering voor een alleenstaande van 23 of ouder wordt met 7,86 gulden per maand verhoogd tot 1.240,08 gulden. Het vakantiegeld wordt één maal per jaar, in juni, uitbetaald. In de bijstand gelden twee ongehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren als echtpaar. Ook als zij van het zelfde geslacht zijn. Samenwonende familieleden in de eerste of tweede graad zijn hiervan uitgesloten. Voor echtparen waarvan een partner (of beide partners) jonger dan 21 jaar of schoolverlater van 21 tot 27 jaar is (zijn), gelden lagere bedragen. Dat is ook het geval voor alleenstaande ouders die jonger dan 21 jaar of schoolverlater van 21 tot 27 jaar zijn. Onder woningdelers worden mensen begrepen die samen met anderen een woning delen doch geen gezamenlijke huishouding voeren. Bij gezinnen die met anderen een woning bewonen, vindt een vaste aftrek plaats van 186,92 gulden per maand. Van het geld dat een bijstandsontvanger verdient, wordt 25 procent niet van de uitkering afgetrokken, met dien verstande dat van de inkomsten uit arbeid niet meer mag worden behouden dan 265,73 gulden per maand voor het hoofd van een één-oudergezin en voor een echtpaar, en niet meer dan 186,01 gulden per maand voor een alleenstaande van 23 jaar of ouder. Voor alleenstaanden die jonger zijn dan 23 jaar en voor schoolverlaters van 21 tot 27 jaar gelden andere bedragen. Dit geldt voor maximaal twee jaar. Voor één-oudergezinnen is een aparte regeling van toepassing: de eerste 88,58 gulden van wat de ouder per maand verdient, wordt niet afgetrokken. Op de uitkering van ouders met inwonende kinderen met eigen inkomsten wordt - ongeacht het aantal kinderen - een bedrag van 186,92 gulden per maand in mindering gebracht. Dit gebeurt niet als er uitsluitend kinderen zijn die studiefinanciering hebben of (beneden 21 jaar) een inkomen dat ongeveer zo hoog is als de bijstandsuitkering voor een alleenstaande die bij zijn/haar ouders woont. Dezelfde aftrek geldt voor bijstandsgerechtigden met één onderhuurder. Voor mensen met één kostganger geldt een aftrek van 283,60 gulden per maand. Heeft men meer dan één onderhuurder of kostganger, dan stelt de gemeente per geval vast welk deel van het kostgeld of de onderhuur van de uitkering wordt afgetrokken. Huurders met een huur tussen 324,58 en 913,33 gulden in de maand hebben meestal recht op huursubsidie. Bijstandsontvangers met een eigen huis waarvan de woonkosten tussen 324,58 en 913,33 gulden per maand liggen, kunnen een toeslag krijgen die gelijk is aan de huursubsidie. Bij woonkosten boven 913,33 gulden per maand kan hooguit tijdelijk een toeslag worden gegeven. Niet al het spaargeld behoeft te worden aangesproken, voordat iemand voor een bijstandsuitkering in aanmerking komt. Voor gezinnen geldt dat 18.000 gulden buiten beschouwing wordt gelaten, terwijl voor alleenstaanden een bedrag van 9.000 gulden geldt. Voor mensen jonger dan 65 jaar die een bijstandsuitkering ontvangen en een eigen huis bewonen, geldt een speciale regeling. Bij hen wordt van het vermogen in het huis nog eens 15.000 gulden buiten beschouwing gelaten en van het meerdere de helft. Maximaal wordt voor gezinnen 77.800 gulden buiten beschouwing gelaten en voor alleenstaanden 68.800 gulden. Wie verplicht verzekerd is bij een ziekenfonds moet van zijn/haar uitkering de nominale premie voor de Ziekenfondswet (ZFW) en de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) betalen. Wie niet verplicht is verzekerd, ontvangt bij het uitkering een vergoeding voor de betaling van een particuliere ziekenkostenverzekering, die dezelfde risico's dekt als de verplichte ziekenfondsverzekering. De vergoeding wordt verminderd met het bedrag dat een verplicht verzekerde in dezelfde omstandigheden als nominale premie aan het ziekenfonds moet betalen. De IOAW/IOAZ-uitkeringen zijn netto gelijk aan de bijstandsnormen. Eventuele inkomsten uit of in verband met arbeid van de werkloze of ex-zelfstandige en zijn of haar partner worden in mindering gebracht op de uitkering. In tegenstelling tot de bijstandswet wordt geen rekening gehouden met andere inkomsten en met vermogen. Alleen bij de IOAZ wordt van vermogens boven de 197.500 gulden een inkomen van 5 procent van dat meerdere verondersteld.