'Alles in Algerije draait om het geweld'

Algerijnse intellectuelen leven onder voortdurende dreiging van geweld door islamitische fundamentalisten. Dinsdag nog werd de schrijver en hoogleraar Yousef Sebti vermoord aangetroffen in Algiers. Ook vrienden van de in Duitsland wonende Zaddek Kebir, in Nederland voor het Vertelfestival, werden gedood. “Er is de angst, zelfs voor vrienden.”

Wie Zaddek Kebir maandagavond zag optreden in het Vertelfestival in de Balie te Amsterdam werd zeker niet gehinderd door zijn heftig politiek engagement. Hij is een geboren verteller, dat was wel duidelijk, en zijn verhalen uit 1001-nacht werden zo nu en dan verlucht met een prettig ironische verwijzing naar hedendaagse verhoudingen. De moraal was dat van het sprookje. Sheherazade vertelt haar verhalen nacht na nacht aan sultan Sherijar die uit angst voor mogelijke ontrouw van zijn vrouwen iedere nacht een nieuwe vrouw neemt, en haar telkens in de ochtend laat ombrengen. De vertellingen houden hem van zijn wrede praktijk af: voortaan luistert hij slechts.

Welnu, met het luisteren is voor Kebir de band tussen het vertellen en de politiek in Algerije gelegd. “Wie luistert is niet gewelddadig, wie luistert is in wezen een democraat: je verdiept je in het wel en wee van een ander, probeert hem te begrijpen. Heel anders dan in Algerije, waar men mensen vermoordt omdat ze God niet gehoorzamen.”

Zijn vertelkunst is dus politiek. In de jaren tachtig heeft Kebir (geboren in 1945), naast enkele films over sociale problemen, voor de televisie zestig afleveringen lang sprookjes voor kinderen verteld. Hij moest er mee ophouden omdat hij tegen de kinderen teveel over de liefde sprak. “Dat was preutsheid natuurlijk. Maar politiek gezien kon het ook niet, want liefde ruikt naar vrijheid.”

Dat was nog onder het oude FLN-bewind. In 1988, nog voor de sociale spanningen in de volksopstand van dat jaar losbarstten, week hij uit naar Duitsland, waar hij in Oost-Berlijn theaterwetenschap had gestudeerd. Sindsdien bezoekt hij Algerije twee, drie keer per jaar. “Ik heb zo nu en dan de kleuren en geuren van het land nodig, maar ik ga ook voor mijn vrienden. Ik moet ze steun geven. Ze leven dagelijks onder de dreiging van het geweld. Het is er altijd, gaat nooit weg. Alles draait om het geweld.”

“In Europa zeggen ze dat het de islam is die de gewelddadigheid oproept. Ze vergeten dan dat Europa vijftig jaar geleden zelf nog een ongekende uitbarsting van dierlijk geweld beleefde, en nu weer in ex-Joegoslavië. Als het geweld in Algerije met de islam van doen heeft, dan zou dat van Noord-Ierland met het christendom te maken moeten hebben. Het zou kunnen, maar ik geloof het niet. Het zijn de sociale problemen waar het om gaat. Bijna dertig jaar is Algerije door het FLN geregeerd, met geweld. In '88 heeft de oude partij een nieuwe gebaard, het FIS, dat net als het FLN dertig jaar daarvoor alle ontevredenheid vergaarde en nu ook met geweld wil heersen. Wie niet voor het FIS is, is tegen, en moet dus geëlimineerd worden. Degenen die het pluralisme willen, die zich tegen het geweld keren - de schrijvers, de journalisten - zijn de slachtoffers. Dat waren ze onder het FLN ook al.”

“In Algerije is het geweld er altijd geweest, maar het is altijd gezien als iets dat de Algerijnen overkwam. Over het eigen geweld had na de onafhankelijkheid nagedacht moeten worden, maar dat gebeurde niet. Terreur tegen eigen mensen werd in de bevrijdingsoorlog 'revolutionair' genoemd, en daarmee goedgepraat. Men hoeft dus nu niet verbaasd te staan dat een twintigjarige zo maar een intellectueel vermoordt. De islamisten zeggen gewoon tegen hem dat zijn daad revolutionair is. En de vader van die jongen heeft hem nooit uitgelegd dat geweld geweld uitlokt, en dat het je breekt als je het zelf gebruikt.

“Ik had als kind in de bevrijdingsoorlog ook gemakkelijk kunnen doden als ik de opdracht daartoe had gekregen. Het zou ook te rechtvaardigen zijn geweest. De fout was dat het later als heldendom werd afgeschilderd, terwijl het een tragedie is.”

De verkiezingen die het FIS aan de macht zouden hebben gebracht in 1992 waren volgens Kebir geen echte verkiezingen want een van de partijen kondigde vantevoren aan dat ze na de overwinning de grondwet zou afschaffen omdat die niet uit de koran voortkomt. “Hun programma is islamiseren, een heilige oorlog tegen de moslims die geen goede moslim zijn. De gigantische problemen van het land zullen vervolgens niet opgelost worden, en de enige uitweg zal oorlog met Marokko en Tunesië zijn. Zo ging het in Iran, en overal. Ik vraag me af wat bijvoorbeeld de Vlamingen en Walen zullen doen als in België de welvaart ineens zou teruglopen. Het is moeilijk te geloven dat ze elkaar dan zullen gaan afmaken, maar ik heb ook nooit kunnen denken dat Algerijnen elkaar zouden kunnen ombrengen. Het rechts-extremisme in Duitsland had ik ook niet voor mogelijk gehouden.”

Kebir vertelt van zijn vrienden die nu dood zijn. De schrijver Tahar Djaud, die hij kort tevoren nog in Tunesië had ontmoet werd voor zijn huis door zijn hoofd geschoten. Professor Boucebsi, de psychiater die zijn hele leven tegen het FLN geweest was en nu natuurlijk ook tegen het FIS, de man die zich inspande voor verpauperde kinderen, die werd voor zijn ziekenhuis het hart opengesneden. En Laadi Flici, huisarts in de kashba, schoot men in zijn praktijk neer, hakte zijn hoofd af en zette het op de tafel. “Ik weet zeker dat het patiënten van hem waren die het gedaan hebben, mensen voor wie hij veel heeft gedaan. Jongens die niet beseften dat ze een mens vermoordden. Ze voerden een bevel uit. Het FIS is alles voor ze. Verder hebben ze niks, geen enkele toekomst. Geen werk, geen huis, geen seks.”

In Frankrijk is onder meer door de socioloog Bourdieu het Comité International de Soutien aux Intellectuels Algériens (CISIA) opgericht. Kebir was bij de oprichting van de Duitse pendant van het comité betrokken, en heeft via enkele Nederlandse journalisten kunnen bewerkstelligen dat de PEN een oproep om solidariteit met de Algerijnse intellectuelen onder haar leden zal verspreiden. De Vereniging van Letterkundigen zal de oproep in haar blad publiceren.

“Zo'n solidariteitsbetuiging is geen machteloos gebaar. De intellectuelen in Algerije hebben het echt nodig, en zullen zich gesteund voelen. Ze vragen erom. Ik hoop dat er enkelen hier uitgenodigd kunnen worden, zoals in Duitsland binnenkort gebeurt, om te praten over geweld. Er moet verteld worden wat geweld is. Wat het is om voortdurend bedreigd te worden alleen omdat ze tegen het gebruik van geweld zijn.

“Er is de angst, zelfs voor vrienden. Niemand kun je meer vertrouwen. De deur wordt niet meer opengedaan, voor niemand. De telefoon gaat keer op keer en ze horen alleen stilte. Degenen die dat niet uithielden zijn al gevlucht. Dat waren geen lafaards: ze konden het eenvoudig niet meer. En degenen die blijven: wat moeten ze doen? Alsnog emigreren? Sterven?”