Verloren zoon

Hij is mager geworden, mijn kogelstoter. Gevangen in een kamertje van drie bij drie met een kartonnen po, de deur op slot en zijn Junglebook. Over een kind dat bij de wolven wordt neergelegd, een kind dat niet thuishoort in de jungle en uiteindelijk zijn plaats vindt bij de mensen. Het einde heeft hem nooit geïnteresseerd.

Het is oudjaar en precies twee maanden geleden dat ik hem zag. Hij was er altijd in die nacht met die angstige stilte vlak voor twaalf uur. En als dan de gekleurde oorlog begon, kuste ik Tom met tranen in mijn ogen die hij niet kon zien.

Maar vanmiddag ging de telefoon en de verpleger zei dat we beter niet op bezoek konden komen. Tom had een forse terugval en was erg gespannen. Daar zat ik met mijn mandarijnen, snoep, prik en acht nieuwe onderbroeken, maar vooral met die verrekte rand van die put die ik net weer beet had en niet meer van plan was los te laten.

Een forse terugval en erg gespannen. Als moeder denk je dan: Afblijven jullie, alleen op mijn schoot wordt hij rustig, alleen mijn ogen kijkt hij aan en mijn arm om zijn grote jongenslijf brengt hem weer waar hij was. Maar ik moet nu beter weten.

Ik weet niet wat ik het moeilijkste vind: oudjaar zonder hem of mét hem. Het vorig jaar was hij thuis. Wekenlang belde hij iedere avond op over het te besteden geld aan vuurwerk en hoewel we al lang een bedrag hadden afgesproken, probeerde hij er steeds weer een tientje bij te krijgen.

Op 31 december halen we hem 's morgens op uit de inrichting. De meeste kinderen zijn na de jaarlijkse kerstviering mee naar huis gegaan; Tom heeft een eigen regeling en komt niet alle feestdagen thuis. Sommige kinderen gaan zelfs nooit naar huis.

Zoals altijd komt hij ons op de grote weg tegemoet gelopen. Rode wangen, opgewonden blik in zijn ogen: 'Hoeveel geven we aan vuurwerk uit?' Hij kan haast niet wachten om zijn slag te slaan.

Het huisje waar hij woont is leeg. De kerstboom is aan en overal staan en hangen zelfgemaakte kerststukjes. De kok brengt twee stokbroden, een ijstaart, kip en frites. Toms weekendtas staat klaar. Vier paar sokken, drie lange broeken en twee paar schoenen voor twee nachtjes thuis. Ik stop er gauw nog twee onderbroeken en een trui in.

Daar gaan we met ons brok dynamiet richting vuurwerkwinkel. Er staat een lange rij jongens en vaders voor de toonbank. Tom ziet geen rij en zegt tegen de eerste de beste jongen: “Doet u mij maar honderd van de hardste knallen.” De jongen haalt zijn schouders op, kijkt mij lijp aan en wacht op zijn beurt. Ik wijs Tom op de verkoper en zeg hem op zijn beurt te wachten. Zijn haren staan letterlijk overeind van de spanning en als hij eindelijk mag steekt hij zijn bankbiljet op. “De hardste knallen die u heeft en niet van die kinderachtige kleine-jongensknallen.” De rij achter ons gniffelt in mijn rug. De verkoper graait in een vak en overhandigt Tom twintig pakken vuurwerk. Terwijl ik nog twee lonten koop en wacht op het wisselgeld, staat hij buiten al aan de verpakking te knagen. In de auto wordt de buit liefdevol op schoot gelegd en betast. Ik hou me goed, maar voel me alsof ik op het topje van de Etna zit.

Als we thuis zijn, installeert Tom zich op de grond, midden in de kamer. Alle twintig pakken worden netjes op een rij gelegd, bevoeld, bekeken en weer teruggelegd. Hij koestert de springstof als ware het een teddybeer en weigert zijn twee gebakken eieren te komen eten. Wij hinkstapspringen door de kamer en het duurt nog elf uur voordat er iets de lucht in kan.

Het bekijken, rangschikken en voelen wordt al gauw prutsen en eruit halen. Het ritueel van voorgaande jaren herhaalt zich. De lucifers en de aansteker liggen in de groentebak onder een zak aardappels. Met ogen in mijn achterhoofd bak ik een ei voor onszelf. Terwijl ik het omdraai, klinkt er buiten een oorverdovende knal. Heb ik toch dat ene pakje lucifers over het hoofd gezien? Ik dump de rest van het vuurwerk in een hoek van de gang. Het ei brandt aan. Pas als ik de hoek van de gang tot zijn territorium verklaar mits hij de boel kan laten liggen, wil Tom de twee gebakken eieren. Tussen ei één en ei twee controleert hij zijn aankoop even, loopt achteruit de keuken in, stoot zich, roept teringtyfus en eet zijn tweede ei op.

Nog tien uur en ik ben al moe.

Net als pijn vergeet je gauw die ellenlange, moeizame middagen. Maar ik weet het, ik weet het weer precies. Ons zaterdagmiddagprogramma. Na de gebakken eieren, wit brood met die speciale Ardennerworst (“die andere smaakt hoekig”), gaan we naar de atletiekbaan. In tassen dragen we de kogels van vijf en zes kilo, de discus en het meetlint. Ik loop voorop met de speer. Mensen in de straat kijken mij na. Een veteraan of een zot oud wijf dat Indiaantje speelt. Het deert me niet, ik ben onderhand wel meer gewend. Tom kogelt, wij meten de afstanden op, Tom discust, wij pikken met onze fonduevorken in de plek waar de discus terechtkomt. Paul is ondanks zijn niet grote aanleg voor discuswerpen wel zeer bedreven geraakt in deze tak van sport en werpt niet onverdienstelijk na iedere worp de schijf weer terug. Het is ijskoud. Ik krijg mijn vork haast niet meer in de grond. Een mus hipt over de lege tribunebanken.

Nog acht uur.

Het is stil op straat. Hier en daar hoor je al een knal, tot grote verontwaardiging van Tom. “Jullie zijn belachelijk antieke ouders. Grote jongens knallen 's middags al.” We proberen hem af te leiden en maken een tochtje door de omgeving. Heuveltje op heuveltje af, langs de bosrand, door een dorp. Rijden maakt hem rustig, net als vroeger in de kinderwagen. Als het maar hobbelt, schommelt en beweegt. Zo rijden we ruim een uur rond. Als we onderweg een motor met zijspan zien, zegt hij: “Kijk, een rolstoel met een brommer eraan vast.” Voor het eerst die middag moet ik lachen.

Het wordt al donker. Voor alle ramen hangt een ster van licht, mensen zitten om tafels met scheve kleedjes, kijken televisie en drinken iets.

Restaurants zijn donker en dicht.

Nog bijna zes uur.

In ons huis hangt nog de geur van gebakken eieren. Tom gaat in een bad met schuim en ik zit op de deksel van de wc. Dit zijn onze knusse uren en we praten over 'de zin van het leven', zoals hij dat noemt. Voor hem is dat voornamelijk kogelstoten. Soms praat hij ook over dingen die hij heeft meegemaakt. Onbegrijpelijke mensen, plaagkinderen en de kwaliteit van de Wiener schnitzel in de inrichting.

Mijn zoon van achttien in bad. Een prachtig lijf en mooi zwart haar. Ik heb het moeilijk op die deksel. Zonder schaamte stapt hij het bad uit en terwijl hij zich afdroogt ga ik naar beneden. Het beslag van de oliebollen moet gemaakt. Boven klinkt de enige grammofoonplaat die hij altijd draait, iets te hard. Paul en ik nemen een glas wijn.

Nog vijfeneenhalf uur.

We gaan naar de shoarmatent. “Alles goed?” vraagt de man bij het vlees en wij zeggen zoals iedere zaterdag om de week: “Alles goed.” De mensen hier vinden Tom lief en wij hen dus ook. Terwijl wij de shoarma bestellen, gaat Tom handjedrukken met de jongens. Een om-de-weeks ritueel waar de hele bediening aan meedoet. “Jongen sterk”, zegt de shoarmabakker.

We eten onze shoarma. Met een omweg rijden we naar huis. Het is tien over acht als we de parkeerplaats oprijden.

Niets op de televisie kan zijn aandacht vasthouden. De hoek van de gang biedt het mooiste programma en het is nog veel te vroeg voor oliebollen. Het deeg staat bol onder de vochtige droogdoek. “Niet weer in bad”, zeg ik, als ik hem de kraan op de badkamer hoor opendraaien. “Een jahtzeetje, Tom?”

Hij kiest eieren voor zijn geld en we doen een jahtzeetje, kamerbreed. Het zit hem niet mee. Hij dreigt net de dobbelstenen erbij neer te gooien, wanneer hij gelukkig achter elkaar een grote straat en een jahtzee gooit. We kunnen weer even vooruit. Tom wint vandaag. Hij krijgt een prijs in de vorm van een gummisnoepSmurf in giftig blauw.

Paul steekt kaarsen aan en Tom dreigt weer in bad te gaan.

Tom wil Medisch Centrum West zien op de video. Dat kan nu niet, er zijn andere dingen op de televisie. Hij loopt naar de gang en gaat als een boeddha tussen zijn vuurwerk zitten.

Een schaal vol oliebollen. Servetten, prik en wijn. Ik maak het gezellig. Het ruikt even naar heel vroeger. Tom eet tien oliebollen. “Een grote jongen kan er minstens twintig op.” Een kwartier later liggen ze in de wc. Nog anderhalf uur. Tom gaapt en zegt dat hij een oliebol wil. Prik mag wel.

Nog tien minuten.

Hij zit nu als een Vopo voor zijn buit en laadt die in een emmer.

Om twaalf uur kus ik Paul. We zeggen niets tegen elkaar, maar houden elkaar even heel stevig vast met ogen in ons achterhoofd. Daarna kus ik Tom met tranen in mijn ogen die hij niet kan zien.

Als de boten op de Waal toeteren en de klokken luiden, rent Tom naar buiten, de oorlog in en ik wéét zeker dat mijn zoon als eerste zal sneuvelen. Toch komt hij ieder jaar weer thuis.

Dit jaar niet.