Olieprijs daalt naar laagste niveau sinds '88

ROTTERDAM, 29 DEC. Oliemarktdeskundigen verwachten dat de olieprijs over een langere periode laag zal blijven nu Noorwegen gisteren heeft bekendgemaakt niet te willen meewerken aan een vermindering van de produktie.

Als gevolg daarvan daalden de noteringen voor Noordzee-olie (Brent) en de toonaangevende Amerikaanse oliesoort West Texas Intermediate (WTI) tot het laagste niveau sinds 1988. Op de termijnmarkt in New York daalde de prijs voor WTI gisteravond tot 12,95 dollar per vat. Vanochtend opende de notering voor Brent in Londen op 13,25 dollar per vat, 40 dollarcent lager dan het slot van vrijdag, de laatste notering. Een jaar geleden moest nog 20 dollar per vat worden betaald.

De Omaanse olieminister Al-Shanfari kreeg gisteren bij zijn bezoek aan Oslo van de Noorse energieminister Stoltenberg nul op zijn rekest om een bijdrage van Noorwegen aan een beperking van de olieproduktie. Vandaag probeert Al-Shanfari in Londen hetzelfde bij de Britse regering, maar ook daar worden zijn kansen niet hoog ingeschat omdat zowel de Britten als de Noren vorig jaar hun olie- en gasproduktie op de Noordzee hebben opgevoerd.

Oman houdt vast aan een beperking van zijn olieproduktie met 5 procent, beginnend op 1 januari. De grote olielanden willen daaraan alleen meewerken als de niet-OPEC landen een aanmerkelijke bijdrage leveren. “Alles hangt af van wat Saoedi-Arabië doet”, zei een olie-expert van Cargill-consultants in Genève vanochtend. Hij ziet voorlopig geen enkele aanwijzing dat er een produktiebeperking van betekenis komt en verwacht dat de olieprijs voorlopig niet hoger dan 12 tot 15 dollar per vat wordt. De voorraden en de aanvoer op de oliemarkt zijn momenteel 1 à 1,5 miljoen vaten per dag hoger dan de vraag.

Voor de olieproducerende landen betekent de aanhoudend lage prijs een enorme strop. De twaalf lidstaten van het OPEC-kartel krijgen slechts 11 tot 12 dollar per vat, terwijl ze een richtprijs van 21 dollar hanteren. Volgens een Rotterdamse marktdeskundige leidt dat verschil er nu al toe dat sommige olielanden, zoals Nigeria, hun staatsaandeel in de financiering van joint ventures niet meer kunnen betalen. Ook worden investeringsprojecten in raffinage en petrochemie uitgesteld of ze gaan helemaal niet meer door.

Voor de olieconsumerende industrielanden en de ontwikkelingslanden die afhankelijk zijn van olie-import is de lage prijs een flink voordeel. Nu de pogingen van de olielanden om door een produktiebeperking de olieprijs op de voeren hebben gefaald, blijft de energieprijs laag. Dat heeft een gunstig effect op de produktiekosten in de industrie. Vooral de chemische industrie, die in een crisis zit, zal profiteren. Deze bedrijfstak verbruikt veel aardgas als grondstof en als brandstof, en de prijs van deze energiedrager is aan de olieprijs gekoppeld.

Daar staat tegenover dat het staatsaandeel in de inkomsten op de olie- en aardgaswinning en de belastingen die oliemaatschappijen moeten betalen sterk dalen. In West-Europa heeft dat vooral een negatief effect op de overheidsbudgetten van Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Nederland. In 1993 ging het Nederlandse staatsaandeel op de gaswinning per dollar daling van de olieprijs met 600 miljoen gulden omlaag.