In stuk van Astrid Roemer lopen emoties alleen op papier hoog op

Voorstelling: Dans, dans dan! van Astrid Roemer door De Nieuw Amsterdam. Regie en decorontwerp: Felix de Rooy. Dramaturgie: Alida Neslo. Kostuumontwerp: Joanne Becker. Spel: Gerda Havertong, Bo Bojoh, Lorette van Heteren, Otto Sterman, Mike Libanon e.a. Gezien: 28/12 Theater aan het Spui, Den Haag. T/m 2/1 aldaar. Van 5 t/m 23/1 in het DNAtheater, Amsterdam; elders van 26 t/m 28/1.

De Surinaamse schrijfster Astrid Roemer, sinds 1975 woonachtig in Den Haag, voert al jaren een verbeten strijd tegen het rondwarende spook discriminatie. Niet alleen in de inhoud, ook in de vorm van haar werk draagt zij een feministische levensvisie uit. Een heldere plot, eenduidigheid en chronologie wijst ze als mannelijke bedenksels van de hand. Vrouwelijk, dus beter, is in haar ogen een stijl vol associatief aaneengeregen beelden en flarden van herinneringen.

Ook haar nieuwe stuk Dans, dans dan!, uitgevoerd door zeven grotendeels uit Suriname afkomstige spelers van De Nieuw Amsterdam, bestaat uit zo'n mengeling van poëzie en dogmatiek. Klaaglijk gezang klinkt door de ruimte en uit de duisternis rijzen twee plechtstatige gestalten op, gekleed in sneeuwwitte gewaden. Al even blank is de doodskist die op een smetteloos wit vloerkleed staat. Wit, kortom, is hier de kleur van de dood. Terwijl de witte gestalten traag naar de lijkkist schrijden als priesters naar het altaar, scanderen zij op bezwerende toon: 'Heel het universum is ritme/ (..) de goden spreken vuur/ (..) dans, dans het Al.'

Astrid Roemer heeft een zwak voor woorden als aarde, water, lucht en vuur. Keer op keer roepen haar personages de elementen aan en dat geeft het stuk een mystieke lading. Geboorte en dood, liefde en haat, schuld en onschuld, trouw en ontrouw - al die thema's stelt de schrijfster met religieuze ernst aan de orde in dit drama dat zich in een niet nader gedefinieerd 'warm land' afspeelt. Een jonge vrouw ligt daar opgebaard in een mortuarium. Rond de kist komen de moeder, de zuster, de echtgenoot en de vader van de overledene bijeen. Ze hebben elkaar in geen jaren meer gezien en nu, oog in oog met de dood, lopen de emoties hoog op. Althans, zo staat het op papier. Roemer schrijft de spelers voor dat zij agressie en tederheid, nervositeit en verachting moeten tonen, en bovenal pijn, veel pijn.

Ingrediënten te over voor een aangrijpende voorstelling, zou je zeggen, en toch oogt het spel net zo steriel als het smetvrije decor. De acteurs hebben duidelijk moeite met hun bombastische teksten en sommigen lijken amper te begrijpen wat ze zeggen. De rol van de devote moeder (Bo Bojoh) beperkt zich tot machteloos geprevel, Mike Libanon als de echtgenoot heeft weinig meer te bieden dan de schoonheid van een glamourboy en de guitige vader (Otto Sterman) met zijn Jordanese accent solliciteert op hinderlijke wijze naar open doekjes. Lorette van Heteren als de dochter drukt de meest uiteenlopende emoties op steeds eendere wijze uit: door middel van zenuwachtig getrek aan haar sigaret en een hysterisch overslaande stem.

Gelukkig is daar ook nog Gerda Havertong. Zij speelt de indringster en op zich is haar rol niet interessanter dan die van de anderen. Deze Dame met haar gevoileerde zwarte hoed was eens de minnares van de vrouw die nu ligt opgebaard. Van andere vrouwen hield de Dame ook, maar wat bij de vader als een ondeugd wordt gepresenteerd, krijgt hier een gouden randje: hààr hartstocht is mooi en zuiver. De corpulente Havertong vertolkt dit prototype van de waarlijk bevrijde vrouw met bewonderenswaardige elegantie. Aan het eind van de voorstelling legt zij haar naaldhakken, handschoenen, hoed en mantel behoedzaam bij haar geliefde in de kist. Het is de eerste keer dat een gevoelige snaar ook echt wordt geraakt.