Het Westen en Zjirinovski

RUSLAND VERKEERT in politieke en economische ontreddering en het Westen vraagt zich af of meer hulp zou hebben geholpen om de onttakeling tijdig te keren. De uitslag van de parlementsverkiezingen kwam in veel Westerse hoofdsteden als een volslagen verrassing. Maar het is niet zo'n wonder dat de gelijktijdige ondermijning van nationale trots en verschrompeling van de levensstandaard een voedingsbodem vormt voor avonturiers zoals Vladimir Zjirinovski en zijn ultra-nationalistische bende of voor een politieke wederopstanding van de communisten.

Het begin van hervorming van de commando-economie heeft voor grote delen van de bevolking verlies van zekerheden gebracht, terwijl een kleine groep, veelal verbonden met de oude partij-, managers- of veiligheidsstructuur, schaamteloos heeft geprofiteerd. In de plaats van de gesocialiseerde economie is het wilde kapitalisme gekomen zonder wettelijke kaders. Nu onderdelen en grondstoffen niet langer centraal worden toegewezen door bureaucraten, worden ze met smeergeld gekocht en verdwijnen de produkten langs eigen lijnen naar afnemers. Wat arbeiders in de Sovjet-tijd heimelijk van staatsbezit achterover drukten en verhandelden achter hun fabriek of kolchoz, gebeurt nu in alle openheid. Dat is het "zwarte kapitalisme' van corruptie en mafia-praktijken.

HET WESTEN heeft vanaf midden 1991, toen president Gorbatsjov de top van de zeven machtigste industrielanden in Londen met lege handen verliet, geleidelijk steun toegezegd aan de hervormingen in wat toen nog de Sovjet-Unie heette. Het Sovjet-rijk viel uit elkaar, de afzonderlijke republieken zetten zich aan de hervormingen en het Westen beloofde meer steun. Vooral aan Rusland, maar ook aan de andere republieken.

De Westerse en multilaterale steun is achtergebleven bij de voorgespiegelde miljarden. Dat komt deels doordat Westerse ondernemingen afwachten hoe Rusland zich ontwikkelt voordat ze tot investeringen overgaan en doordat levensvatbare projecten ontbreken. Het belangrijkste is dat de Russische hervormingen zijn ontspoord en dat vanaf begin 1992, toen Jegor Gajdar met zijn schoktherapie kwam, wel sprake is geweest van een schok maar niet van een therapie.

De privatisering heeft geleid tot een hybride ondernemingsvorm waarbij de arbeiders een meerderheid van de aandelen overnemen en de oude communistische managers aan de leiding blijven. Het is is een verkapte collectivisatie met zelfstandigheid zonder financiële verantwoordelijkheid voor de "post-staatseigendomsbedrijven'. Grootschalige privatisering van de landbouw is nog niet van de grond gekomen. De ernstigste tekortkomingen doen zich voor op macro-economisch terrein: de aanhoudende monetaire financiering van het begrotingstekort ondermijnt de roebel. De kredietverlening van de centrale bank aan de staatsconglomeraten gaat onverminderd door. Saneringen worden hierdoor uitgesteld. Dat oogt goed omdat werkgelegenheid en sociale voorzieningen behouden blijven, maar het blokkeert hervormingen.

DE WERELDBANK en het Internationale Monetaire Fonds, de twee belangrijkste instellingen voor de financiering van economische aanpassingen en wederopbouw, zijn daarom met recht terughoudend geweest met de toekenning van leningen aan Rusland. De hervormingsgezinde trojka in de Russische regering - premier Gajdar, minister van financiën Fjodorov en minister van privatisering Tsjoebais - hebben daar begrip voor. Zij vechten tegen de behoudzucht van de oude structuren, tegen de herbenoeming van Grigori Gerasjenko als president van de centrale bank. Maar ze leggen niet de schuld voor de desastreuze verkiezingsuitslag bij het IMF of de Wereldbank.

De Amerikaanse vice-president Al Gore heeft dat inmiddels wel gedaan. Op bezoek in Moskou verweet hij het IMF met zoveel woorden verantwoordelijk te zijn voor de sociale misère in Rusland. Ook gezaghebbende Amerikaanse economen vinden dat het Westen "meer' moet doen om de democratie en het hervormingsproces in Rusland te redden. De vraag is evenwel wat dat zou moeten zijn: meer steun terwijl de harde valuta wegstroomt naar het buitenland en zelfs geen begin wordt gemaakt met stabilisering van de munt of met begrotingsdiscipline, is water naar de zee dragen. Daar komt bij dat de landen van de Groep van zeven zelf - de Verenigde Staten voorop, maar inmiddels ook Duitsland - geen extra geld beschikbaar hebben voor meer hulp aan Rusland. Ook in andere Westerse landen bestaat geen politieke bereidheid om ten koste van binnenlandse uitgaven vele miljarden vrij te maken voor ondersteuning van Rusland.

EN DAN NOG: een groter bedrag aan extra steun is onvoldoende om de schokken van de hervormingen op te vangen. Rusland en de overige republieken van de ex-Sovjet-Unie staan voor de grootste sociaal-economische omschakelingsoperatie die ooit in zo'n korte tijd heeft plaatsgehad. Het voorbeeld van de ex-DDR waar Duitsland jaarlijks vijf procent van zijn bruto nationale produkt aan overmaakt, is wat dat betreft ontnuchterend. Zelfs met een dergelijke financiële injectie is de omschakeling pijnlijk en is de politieke nostalgie naar vroeger groot.

Rusland zal grotendeels op zichzelf zijn aangewezen en op eigen kracht het brede scala van hervormingen moeten doorzetten. Dat heeft enorme politieke risico's waarvoor het Westen terecht beducht is. Gerichte financiële en technische hulp kan bijdragen om die risico's te beperken, mits de voorwaarden daarvoor in Rusland bestaan. Het is een gevaarlijke koers, die ook aan Westerse kant bereidheid tot aanpassing aan een nieuwe internationale orde vraagt, maar het gevaar is gelegen in de omvang van de ontwrichting, niet in de omvang van de steun.