Het sigaartje

Ik denk aan Marrie en Ien; twee vrouwen die elkaar al kenden uit de tijd dat ze nog bij dezelfde zaak werkten. Vanaf de allereerste ontmoeting hadden ze het samen uitstekend kunnen vinden en heel wat afgelachen.

Hun karakters waren tegengesteld. Terwijl Marrie zich aan het leven tegoed deed, leefde Ien als een asceet. Eén ondeugd had ze. Ze was gewend na het avondeten een sigaartje op te steken. Nooit meer dan één want, hoe lekker ook, je moest er geen gewoonte van maken. Haar hele leven hield Ien zich aan die regel. Zelfs in de tijd dat ze hogerop klom en een riant salaris genoot, bleef het bij één saffie per dag.

Marrie werd echtgenote en moeder, Ien bleef haar brood búiten de deur verdienen. Maar de vrouwen hielden contact. Iedere dinsdag liet Marrie haar gezin aan de zorgen van haar man over om bij haar vriendin te gaan eten. Dan bracht ze voor één week sigaartjes mee. Precies zeven stuks. Meer mocht niet van Ien, want overdaad schaadt.

Op een keer was het kistje voortijdig leeg geweest. Hoopvol had Marrie gevraagd of Ien misschien twee sigaartjes op één dag had gerookt. Natuurlijk niet. Ze had uitgedeeld. Toen Marrie, bij de daaropvolgende eetpartij een paar extra rokertjes had meegebracht, waren die resoluut geweigerd. “Op is op”, had Ien gezegd. “Dan rook ik maar een paar dagen niet. Dat kan nooit kwaad. Want overdaad...”

Marrie werd grootmoeder en weduwe. Ien ging met pensioen. Toen ze een tumor in haar hoofd kreeg, kwam Marrie voor haar koken. De tumor tastte het geheugen aan. Ien zei dominee tegen de dokter. Ze vergat de dag van de week en of ze al gegeten had. Alleen voor de stoelgang kwam ze nog uit haar stoel overeind.

Marrie bereidde alle heerlijke hapjes die Ien zichzelf nooit had toegestaan. En iedere keer als het sigaartje op was, gooide ze onopgemerkt de asbak leeg en zei handenwrijvend tegen Ien: “Meid wat dacht je van een lekker sigaartje na het eten?”

“Hè ja”, zei Ien en rookte de zoveelste havanna van die avond.