Deel archief opgedoken achter boekenkast; Nieuwe aanwinst laat Beets' privé-leven zien

LEIDEN, 29 DEC. Toen Aleida van F, de vrouw van Nicolaas Beets, in 1856 op het punt stond te bevallen van haar zoon Theodorus Petyrus, ging ze op bezoek bij de bekende dominee-dichter Jonathan Hasebroek. Ze zat lange tijd met hem op zijn studeerkamer en hij las haar een lied voor uit Liederen Sions. Het lied had een voorspellend karakter. Het heette 'Naar de andere zijde' en ging over de dood. “Zij hoorde het aan met een zichtbaar toegeven in het voorgevoel van haren naderende dood (8 mei),” zal Hasebroek later schrijven. En: “Het is het laatste, dat ik haar heb voorgelezen.” Aleida stierf negen dagen na de geboorte van haar zoon. Het jongetje zou niet ouder worden dan één jaar.

De brief van Hasebroek is sinds kort in het bezit van De Maatschappij voor Nederlandse Letterkunde. Samen met een groot aantal andere Beetsiana werd hij deze maand voor 10.000 gulden van twee verre nazaten van de schrijver gekocht. Zij wisten tot voor kort niet dat de stukken bestonden. Toen hun oudtante Dia Beets, de 82-jarige betachterkleindochter van Nicolaas, dit voorjaar naar een verzorgingstehuis moest, hadden zij haar woning ontruimd en daarbij kwamen onverwacht achter een boekenkast een aantal mappen alsmede verschillende folianten te voorschijn.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw, de tijd waaruit de meeste brieven en boeken stammen, was Beets (1814-1903) vooral bekend als de schrijver van de Camera Obscura, onder het pseudoniem Hildebrand. Maar hij was inmiddels ook afgestudeerd als dominee en hij schreef veel gelegenheidsverzen. In 1950 was hij als dominee in Utrecht benoemd. Zoals uit de nu opgedoken mappen blijkt, kreeg zijn vrouw daar veel brieven en gedichten van bevriende schrijvers. In het mapje 'Alida van Foreest' dat Beets na haar dood samenstelde, bevinden zich, behalve een paar in papier gevouwen haarstrengen ('afgeknipt gedurende de ziekte') en foto's van hun Utrechtse huis, ook teksten van de dichters Kneppelhout (in het Frans) en Da Costa.

Een paar dagen na haar dood schreef Hasebroek voor haar het gedicht:

“Waar is Aleida? 'k Zie de plek / Waar zij als Koninginne praalde / En ieders harte vrolijk straalde / Terwijl zij pronk in 't feestvertrek. / Maar nu! Ik zie met bloedend hart / Haar echtvriend naar dat plekje staren, / En met een trek van rouw en smart.”

Niet bekend

Samen met documenten van een nazaat in Brussel en twee neven uit Nederland is alles nu ondergebracht in de Beets-collectie van de Maatschappij die wordt beheerd door de Leidse Universiteitsbibliotheek. Volgens de plaatsvervangend conservator Westerse handschriften van deze bibliotheek, dr. Christiane Berkvens, vormen de aanwinsten het meest persoonlijk gedeelte van de nalatenschap. Er zijn brieven bij van Beets aan zijn familieleden en tien dagboeken uit het midden van de vorige eeuw. “Het geeft onder meer een goede indruk van het dagelijks leven van Beets en zijn kring.” Ook is er een uitgebreide correspondentie van Dirk Beets, de zoon van Beets, vanuit Indië. Berkvens: “Het interessante is dat deze aanwinst het privéleven van Beets, met name in zijn jonge jaren laat zien. Je ziet dat veel bij families van schrijvers, het persoonlijkste wordt het langst bewaard.”

De folianten die achter de boekenkast zijn opgedoken bevatten commentaren van Beets op de evangeliën. Zij zijn volgens Berkvens vooral interessant voor de studie van de preekkunst, de homiletiek. Beets had de gewoonte de bijbelteksten met vitte vellen te doorschieten waarop hij dan zijn commentaar schreef. “De aantekeningen die we nu hebben laten zien hoe preken in die dagen werden opgebouwd, wat de dominees zeiden, en wat hun culturele invloeden waren.”

Nagedachtenis

“Gij waart nog jong! geen achtendertig jaren

Nog kleurde 't lieflijkst rood

Uw zachte wang... Geduchte dood!

Wat wist U allen snel mijn schoonste roos te ontblaren

't Was Meimaand; alles groen in bosch en weide

en ook in onzen hof;

de bloemen rezen uit het stof,

ook op dat kerkhof, dat Uw stof verbeidde.

Daar bracht ik U sering en goudenregen

Wuifde U het welkom toe;

Hoe treurig was mijn hart te moe!

Toch sterkte God en hield mijn tranen tegen.''

Hildebrand 185