Biddend in zijn houten huisje onder de kweepeer

Twee jaar heeft Jozef van den Berg in zijn toneelkist in de fietsenstalling van het gemeentehuis in Neerijnen gewoond. Vorige maand moest hij vertrekken. Tweede deel van een serie vraaggesprekken met mensen uit het nieuws van 1993.

NEERIJNEN, 29 DEC. De voormalige toneel- en poppenspeler Jozef van den Berg is verhuisd. Hij woont niet meer in het fietsenhok van Neerijnen. Hij verblijft nu in de vijftig meter verder gelegen tuin van een familie die zo vriendelijk was het terrein voor onbepaalde tijd ter beschikking te stellen. Onder een kweepeer, soppend in het kwelwater van de Waal, staat een houten huisje waarin Van den Berg (44) slaapt, bidt en zijn gasten ontvangt. Ervoor blaast een houtkachel rook uit een lange schoorsteen en recht ertegenover bevindt zich een hok dat als keukentje is ingericht. Een tamme duif, door Van den Berg gehouden als hommage aan zijn vier jaar geleden overleden broer die “met duiven kon lezen en schrijven”, pikt vredig in het graan.

Op 1 november moest Van den Berg het fietsenhok naast het gemeentehuis hebben verlaten. Het gemeentebestuur van Neerijnen kon niet toestaan dat iemand al twee jaar een gedeelte van de ambtelijke parkeerplaats in beslag nam terwijl elders in de Betuwse gemeente bewoners zonder verblijfsvergunning werden weggestuurd en autochtonen bouwvergunningen werden geweigerd. “Het gaf binnen de gemeente een toenemende wrevel dat hij daar stond”, verklaart burgemeester A.W.H.M. Jansen. “Maar op particuliere grond mag hij blijven zolang de eigenaar dat leuk vindt.”

Tussen zijn iconen, boeken en kaarsen vertelt de grieks-orthodoxe bekeerling dat hij aanvankelijk moeite had met het ultimatum. “Door de geestelijke weg die ik zelf ga, kon ik niet zien dat ik zou moeten verdwijnen. God en de Moeder Gods hadden mij niets laten weten. Totdat ik mij het aanbod herinnerde dat Harm en Ank Hazelhof mij in september hadden gedaan en dat ik als het ware als een kleine notitie in mijn zak had opgeborgen.” In de vroege ochtend van 2 november pakte hij zijn toneelkist, begaf zich naar de andere zijde van de hervormde kerk en vestigde zich in de tuin van de familie Hazelhof. Daar kreeg hij bij de bouw van een nieuw onderdak hulp van een toevallig passerende timmerman die hem nog kende van zijn toneelvoorstellingen. “Een mooie, wonderlijke ervaring”, aldus de kluizenaar.

Kalm somt Van den Berg de beslissende data in zijn geestelijke strijd op. Op 1 juli 1989 stierf de zieke broer voor wie hij zijn laatste toneelstuk "Genoeg gewacht' had geschreven. Ruim twee maanden later, op 14 september 1989, bekeerde hij zich in Antwerpen tot het grieks-orthodoxe geloof. Op 2 juni 1991 verliet hij zijn vrouw en kinderen in Herwijnen. En op 1 augustus 1991 aanvaardde hij de opdracht van de Moeder Gods om zich in het fietsenhok te vestigen. Van den Berg bezoekt zijn gezin op verjaardagen. Deze week kwam zijn 83-jarige moeder een kijkje nemen. Ze lijkt Van den Bergs ommekeer te hebben geaccepteerd maar hoopt toch dat het allemaal snel voorbij zal zijn.

De belangstelling van het publiek blijft groot. “Het hele dorp is ermee verbonden geraakt”, zegt de voormalige poppenspeler. Dagelijks krijgt hij een stapeltje post uit Nederland en België. Ook de media laten zich niet onbetuigd. Vrijwel alle Nederlandse en twee Belgische kranten kwamen hem opzoeken, hij verscheen drie keer op het Jeugdjournaal en ook de Oostenrijkse televisie heeft aandacht aan hem geschonken. “Ik doe het niet voor de publiciteit. Maar wie komt, probeer ik gastvrij te ontvangen. Ik probeer alle mensen te antwoorden.”

De nood onder zijn bezoekers is groot, stelt Van den Berg vast, een nood die voortkomt uit een verstoorde relatie met God. “Velen zijn op zoek. Er zijn zoveel geestelijke dwalingen in de wereld dat mensen de werkelijke weg niet meer zien. Dat komt ervan als mensen met hun gezicht naar de zon staan te praten over het licht. Dan kun je tot in eeuwigheid theorieën blijven ontwikkelen zonder de enig werkelijke weg, die van het orthodoxe geloof, te volgen. Zolang wij blijven ronddolen in steegjes zonder het ziekenhuis te betreden waar de mensen ons opwachten, worden wij niet beter.”

Van den Bergs geloof is ongebroken, lijkt zelfs feller geworden. In het zachte licht van de kaarsen wijst hij de rooms-katholieke kerk terecht die in de elfde eeuw afweek van de orthodoxie en de Heilige Geest desavoueerde door te postuleren dat deze niet alleen uit de Vader voortkwam maar uit de Vader èn de Zoon, daarbij de Zoon ook tot een Vader makend. Van den Berg: “Er was maar één Ark van het Verbond. Er is maar één koning en dat is de Christus van het orthodoxe christelijke geloof. Alle andere godsdiensten zijn dwalingen. Ik geloof niet in de oecumene die niet is gebouwd op het ware geloof. Alle leugens tezamen maken nog geen waarheid. Ooit was er maar één kerk en nu zijn er vierhonderd kerken. Hoe kan dat? Is God een vriend van allen of is Hij een allemansvriend? Neemt Hij het niet zo nauw of neemt Hij het juist ontzettend nauw? We moeten terugkeren tot het ware, eerste geloof.”

Ten afscheid pakt Jozef van den Berg een bijbel en bladert tot hij een passage bij Johannes heeft gevonden. Terwijl zijn vingers over de regels glijden, leest hij: “In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen.” Hij slaat het boek dicht en zegt: “Duisternis bestaat niet. Duisternis is de afwezigheid van licht.”