Werk boven inkomen?

Volgens het Centraal Planbureau bereikt het aantal werkloosheidsuitkeringen in 1994 een naoorlogse recordhoogte van 715.000. Bijna de helft van die werklozen zit al een jaar of langer zonder werk. Omvangrijke en langdurige werkloosheid is deels het directe gevolg van hoge loonkosten. Vaak is het voor werkgevers thans niet lonend om weinig gekwalificeerde werknemers in dienst te nemen. Ze zijn te duur, met name door de hoge sociale lasten. Voor mensen met een uitkering is het financieel overigens nauwelijks interessant om aangeboden ongeschoold werk aan te pakken, omdat zij er daardoor nauwelijks op vooruit gaan. Netto zijn de laagste uitkeringen immers vrijwel even hoog als het netto minimumloon.

Het zittende kabinet maakt een uitgebluste indruk. Wat kan het nieuwe kabinet tegen de werkloosheid doen? Wie aan werk de hoogste prioriteit geeft, zal fors moeten bezuinigen op de sociale uitkeringen. Zo kunnen de sociale lasten - en daarmee de loonkosten - omlaag. Werkgevers bieden dan meer banen aan. Bezuinigingen in de sociale zekerheid zijn mogelijk door beperking van het aantal uitkeringsontvangers, of door verlaging van de uitkeringen. Op middellange termijn zijn uitsluitend substantiële ombuigingen te bereiken door het niveau van de uitkeringen bij dat van de lonen te laten achterblijven. Zo'n relatieve verlaging van de uitkeringen doet niet alleen het banenaanbod groeien. Deze ingreep prikkelt werklozen bovendien om aangeboden werk eerder te aanvaarden.

Stel dat het nieuwe kabinet een serieuze aanval op de werkloosheid wil doen. De meest voor de hand liggende maatregel is dan de uitkeringen de komende vier jaar niet te verhogen. De afstand tussen uitkeringen en CAO-lonen neemt door deze 'ontkoppeling' met ruim tien procent toe. Dit maakt voor uitkeringsontvangers het aanvaarden van werk duidelijk aantrekkelijker. Met uitkeringen uit hoofde van sociale verzekeringen en sociale voorzieningen is jaarlijks ruim honderd miljard gulden gemoeid. Bevriezing van de uitkeringen gedurende vier jaar levert ten opzichte van ongewijzigd beleid in 1998 ruim elf miljard gulden aan ombuigingen op. Dit gehele bedrag is beschikbaar voor lastenverlichting.

Het is mogelijk iedereen een in guldens gelijke lastenverlichting te geven, door de basisaftrek te verhogen, in combinatie met een overeenkomstige inkorting van de eerste tariefschijf. De basisaftrek - dat is het eerste stuk van het inkomen waarover geen inkomstenbelasting en premies voor de volksverzekeringen verschuldigd zijn - kan bij ontkoppeling tussen 1995 en 1998 met 2400 gulden extra omhoog, zonder dat er een gat in de schatkist valt. Het netto inkomen van individuen die meer verdienen dan acht mille, neemt hierdoor met 920 gulden toe. Voor samenwonenden bedraagt het voordeel het dubbele. Voor een echtpaar op het sociaal minimum komt dit overeen met een koopkrachtstijging van 8,5 procent. De forse verhoging van de basisaftrek repareert tweederde deel van het koopkrachtverlies ten gevolge van de ontkoppeling. Dit proces van gelijktijdige (relatieve) verlaging van uitkeringen èn belastingverlaging doet de hoeveelheid via collectieve kassen rondgepompte guldens aanzienlijk verminderen en wordt wel aangeduid met de licht verwarrende term 'balansverkorting'.

Een verhoging van de basisaftrek komt in gelijke mate ten goede aan werkenden en niet-werkenden. Het is denkbaar de voor lastenverlichting beschikbare middelen ten dele of zelfs uitsluitend te richten op werkenden. Dit maakt de overgang naar een baan voor uitkeringsontvangers financieel extra aantrekkelijk. Met dit oogmerk heeft het derde kabinet-Lubbers de afgelopen jaren de vaste fiscale kostenaftrek voor werknemers al opgetrokken van achthonderd tot meer dan tweeduizend gulden. Verdergaande verhoging van het 'arbeidskostenforfait' valt nauwelijks te motiveren, omdat het een benadering moet blijven van de (gemiddeld) werkelijk gemaakte kosten van werknemers.

Invoering van een werknemersaftrek, naast de al bestaande zelfstandigenaftrek, verdient daarom sterk de voorkeur. Deze werknemersaftrek kan worden verleend in de vorm van een belastingaftrek (tax credit) die voor elke werknemer evenveel waard is. Tussen 1995 en 1998 kan het belastingvoordeel door aanvaarding van een baan dank zij de werknemersaftrek oplopen tot ongeveer 2500 gulden. De kosten van deze faciliteit vallen weer weg tegen de opbrengst van de ontkoppeling. Deeltijdwerkers profiteren in verhouding het meeste van de maatregel.

De werkgelegenheidseffecten van belastingmaatregelen kunnen worden nagebootst met MIMIC, een recent model van het Planbureau. Een verhoging van de basisaftrek met 2400 gulden doet de werkloosheid op lange termijn met ruwweg 65.000 personen dalen. Na invoering van een belastingaftrek voor werknemers van 2500 gulden zou de werkloosheid met 200.000 personen dalen. Deze cijfers illustreren een van de pijnlijke afwegingen waarvoor het nieuwe kabinet staat. Bevriezing van de uitkeringen - gecombineerd met invoering van een werknemersaftrek die oploopt tot 2500 gulden - levert op termijn tweehonderdduizend extra banen op. Anderzijds verliezen uitkeringsontvangers meer dan tien procent van hun koopkracht. Houdt het volgende kabinet daarentegen vast aan de koppeling van hun uitkering, dan laat het tweehonderdduizend werkzoekenden in de kou staan.

De marges zijn niet smal, maar politici moeten durven kiezen.