"Turkije worstelt met nationale identiteit'

Tientallen intellectuelen met een verschillende politieke, religieuze en culturele achtergrond hebben zich aaneengesloten om de vrijheid van meningsuiting in Turkije te verdedigen. In een oproep wijzen zij erop dat omwille van de terreur in het Koerdische zuidoosten elke discussie over de Koerdische kwestie van staatswege in de kiem wordt gesmoord.

ANKARA, 28 DEC. Een samenleving die wordt beroofd van het recht op informatie, waarin het verboden is vrij te spreken, te debatteren en compromissen te vinden, is volgens een groep kritische Turkse intellectuelen niet in staat om ideeën te ontwikkelen die als oplossing voor haar problemen kunnen fungeren. “En juist met betrekking tot de Koerdische kwestie, waarop nog steeds vele taboes rusten, is een gebrek aan ideeën fataal.” Zij menen dat hiermee in Turkije het gevaar van een totalitair regime om de hoek loert.

Een van de ondertekenaars van de oproep om het zwijgen te verbreken is de sociologe Nüulfer Göle. Volgens haar zijn het juist de Westers opgeleide en georiënteerde politici van de gevestigde politieke partijen, met premier Tansu Çiller als het meest uitgesproken voorbeeld, die de discussie met hun autoritaire optreden blokkeren. De vertegenwoordigers van de kleinere partijen houden juist veel minder vast aan de door de Turkse hervormer Atatürk ingevoerde nationale ideologie van één staat, één volk, één taal: “een staatsideologie die na zeventig jaar broodnodig aan een herziening toe is”.

Wie blokkeert volgens u de politieke discussie met betrekking tot de Koerdische roep om meer vrijheden, die nu in de vorm van een guerrilla-oorlog door de Koerdische Arbeiders Partij (PKK) worden afgedwongen?

“We hebben problemen met onze nationale identiteit. De progressieve intellectuelen in Turkije zijn vandaag de verdedigers van de nationale ideologie, zoals die bij het ontstaan van de republiek Turkije in de jaren twintig is geformuleerd. Het was toen modern om te denken in termen van één staat, één volk, één taal. Het was een noodzaak om de verschillende naties die na het ineenstorten van het Ottomaanse Rijk het nieuwe Turkije moesten gaan vormen, aan de hand van een centraal gezag en via assimilatie te laten participeren. Maar we leven inmiddels in een ander tijdperk. Mensen stellen hun collectieve geschiedenis ter discussie, ze willen hun eigen taal spreken en ze beroepen zich op hun verschillen. Assimilatie is daarmee in tegenspraak. Dat betekent dat we dus op een andere manier naar de relaties tussen de verschillende naties moeten kijken en dat we op een andere manier moeten omgaan met de etnische achtergond van mensen. In Turkije zijn we evenwel niet in staat gebleken om met de tijd en de politieke ontwikkelingen mee te gaan. We zitten vastgeroest in onze nationale ideologie. Wat we dan ook nodig hebben is een politieke elite die de moed en de politieke wil heeft om hervormingen te initiëren.”

Maar de drie gevestigde politieke partijen hebben inmiddels allemaal nieuwe leiders die elkaar vinden in de omschrijving dat ze jong, dynamisch en modern zijn.

“Maar hun ideeën en politieke lijn zijn nog steeds verweven met die nationale ideologie. Tansu Çiller van de conservatieve Partij van het Juiste Pad, Murat Karayalcin van de Sociaal-Democratische Volks Partij en Mesut Yilmaz van de conservatief-liberale Moederlandpartij zijn de jongere gezichten van het kemalisme, de leer van Atatürk. Met president Turgut Özal, die in april plotseling overleed, hebben we gezien dat het ook anders kan. Hij was een reformist wat betreft de Koerdische kwestie. Ook vooraanstaande industriëlen in Istanbul hebben aangedrongen op een aanpak die uitgaat van bestrijding van de terreur en tegelijkertijd sociale en politieke hervormingen met betrekking tot de positie van de Koerden. We kunnen dan ook niet zeggen dat de discussie volledig ontbreekt in Turkije, maar helaas wordt die niet gevoerd in het centrum van het politieke systeem, maar in de periferie.

“Als bijvoorbeeld mevrouw Çiller, een vertegenwoordiger van de gevestigde orde, refereert aan het Baskische model in Spanje dan wordt die poging tot een verbreding van de discussie onmiddellijk teruggebracht tot het enge stramien dat elk debat uiteindelijk tot separatisme, tot een afscheiding van de Koerden leidt. Je wordt dus als vijand van Turkije afgeschilderd als je probeert een politiek debat te initiëren.”

Wat Turkije nodig heeft is een verandering van perspectief om de problemen op te lossen?

“Er circuleren op het moment twee scenario's. Het ene is dat van de tweeledige aanpak, het andere gaat ervan uit dat eerst de terreur moet worden bestreden waarna er politieke en sociale hervormingen kunnen worden doorgevoerd. Maar die hervormingen worden steeds weer vooruitgeschoven omdat er maar geen einde komt aan die terreur. Zo associëren we het Koerdische probleem met terreur en de Koerdische eisen met separatisme. Maar niemand weet wat de Koerden ècht willen omdat er geen politiek debat over deze zaak wordt gevoerd.”

De Koerden hebben zelfs geen eigen politieke leiders.

“We moeten intermediairs creëren, zoals we dat onder de moslims kennen. De islam wordt in Turkije niet als een gevaar voor de staat aangemerkt, omdat we niet zoiets als een terroristische islamitische beweging kennen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld in Algerije heb je hier een scala aan oriëntaties op de islam, zowel politiek als cultureel. Er verschijnen honderden tijdschriften, er zijn heel wat leiders en er is in de afgelopen tijd zelfs een intellectuele voorhoede ontstaan. Maar deze diversiteit vind je niet in Turkije met betrekking tot de Koerdische zaak, omdat de Koerden niet de culturele en politieke vrijheden bezitten om zich uit te drukken.”

Maar waarom krijgt het idee van een politiek debat dan geen voet aan de grond in de gevestigde politiek?

“Wat verwacht je als een man als president Süleyman Demirel er voortdurend op hamert dat er geen Koerdisch probleem is maar een terroristisch probleem? Je ziet dat de politici in Turkije vastzitten in de ontkenning van de werkelijkheid. Özal daarentegen was een reformist die de touwtjes van de staat in handen had. Hij opende de discussie, werd vervolgens onmiddellijk uitgemaakt voor separatist, maar vervolgde voorzichtig zijn weg. Zijn eerste idee was dat de problemen in Zuidoost-Turkije van economische aard waren, maar aan het einde van zijn politieke carrière onderkende hij dat er meer ingrijpende hervormingen nodig waren om de problemen in de Koerdische regio het hoofd te bieden.”

Dat betekent dus dat mensen met politieke aspiraties en hervormingsgezinde ideeën momenteel geen onderdak kunnen vinden bij de gevestigde politieke partijen en daarom worden gedwongen hun eigen partij of beweging van de grond te tillen?

“Dat klopt, ook al heeft Turkije met zijn nieuwe jonge leiders en zeker met een vrouwelijke premier als Çiller een liberaler gezicht gekregen. Het Westen denkt dat hoe moderner en hoe meer Westers georiënteerd een politieke leider in Turkije is, des te liberaler zijn opvattingen zijn. Maar het tegendeel is waar: in Turkije zijn de mensen die minder zijn georiënteerd op het Westen juist democratischer in hun ideeën. Özal bijvoorbeeld was geboren en getogen in een Anatolische stad, stamde niet uit een gezin dat deel uitmaakte van de heersende elite, zag er beslist niet Westers uit en had bovendien een islamitische achtergrond. Hij was minder Westers georiënteerd dan bijvoorbeeld Tansu Çiller, maar hij heeft desalniettemin zeer interessante veranderingen in Turkije teweeggebracht. Hij heeft Turkije toegang verschaft tot de wereld.

“Mensen als Çiller daarentegen hebben geen organische relatie met hun eigen samenleving, maar met het Westen. En de afstand die ze bezitten tot hun eigen volk kenmerkt ook hun band met de islam. In dit deel van de wereld kun je je geen vertegenwoordiger van je volk noemen als je jezelf hebt gemoderniseerd zonder daar de waarden van de islam bij te betrekken.

“De Westers georiënteerde elite in Turkije is meer seculier dan democratisch. Het vreemde is dat men in het Westen maar niet begrijpt dat secularisme per definitie autoritair is. Kijk maar naar het voorbeeld van Algerije. De Westerse elite daar riep om een militaire interventie om de islamitische opmars te smoren. Maar democratie is een experiment. Natuurlijk kun je aanvoeren dat als de moslims aan de macht waren gekomen in Algerije ze de democratie zouden hebben ondermijnd. Maar het is beangstigend dat Westerse waarnemers andere normen hanteren met respect tot de islam, dan met betrekking tot bijvoorbeeld de Koerdische kwestie. Een autoritaire opstelling met betrekking tot deze problematiek wordt niet getolereerd, terwijl secularisme belangrijker wordt geacht dan de democratie.”