Tropisch hout goed voor handel met groen randje

Sinds juni 1993 is in Nederland het Convenant Tropisch Hout van kracht. Het convenant vloeit voort uit het Regeringsstandpunt Tropisch Regenwoud (1991) en bepaalt dat vanaf december 1995 alleen nog maar 'duurzaam geproduceerd' tropisch hardhout geïmporteerd mag worden.

Een houthandelaar klaagde bij zijn branchevereniging, de Vereniging van Nederlandse Houtondernemingen (VVNH), dat hij op verjaardagen steeds vaker werd aangesproken op zijn handel in tropisch hardhout. Sommige verjaardagsgasten vonden dat net zo laakbaar als de bonthandel. Hoe vervelend het voor de man in kwestie ook was, helemaal ongelegen kwam het voor de VVNH niet. “De milieubeweging heeft een grote rol gespeeld in het versnellen van processen”, zegt VVNH-voorzitter K.W.Kuperus. “Acties en protesten hebben ons geholpen de beleidsontwikkeling bij onze leden geaccepteerd te krijgen. In dat opzicht was de milieubeweging onze coalitiepartner, zij het wel een lastige.” Inmiddels staat de gehele achterban van de VVNH achter het Convenant Tropisch Hout. Het convenant, dat moet bijdragen aan de instandhouding van het tropisch regenwoud, wordt breed gedragen. Bij het overleg zijn werkgevers, werknemers, de overheid en milieu- en natuurbeschermingsorganisaties betrokken. Alle bij het convenant betrokken bedrijven zijn goed voor een marktaandeel van 95 procent.

Volgens de VVNH heeft de houtbranche een aantal jaren nodig gehad om het besef door te laten dringen dat ook aan een produkt als hout milieubezwaren konden kleven. “De eerste milieukwestie in de houthandel was begin jaren tachtig het gas formaldehyde in spaanplaat. Toen is er voor het eerst een relatie met buitenwereld gelegd. Men heeft beseft dat er meer is dan alleen het aanvoeren en distribueren van hout.” Hoewel de houtbranche niet echt bekend stond als voorvechter van het tropisch regenwoud, was het de VVNH die het initiatief nam om tot een convenant te komen. “In 1990 werden we geconfronteerd met de redelijk eenzijdige Nederlandse beslissing om in 1995 de invoer en het gebruik van tropisch hout te beperken tot duurzaam geproduceerd hout. Het was een politieke beslissing van het parlement, genomen op veeleer emotionele dan rationele argumenten. We hebben toen gekozen voor een actieve deelname aan de uitvoering van dat besluit om zo toch nog invloed uit te kunnen oefenen.”

Nog steeds speelt druk van de milieubeweging een rol bij de omslag in het denken van de branche. Het meest recente voorbeeld daarvan is de Gamma-bouwmarktketen, marktleider in de doe-het-zelf-branche, die onlangs onder druk van Milieudefensie en Novib aankondigde over te gaan tot het versneld afbouwen van de verkoop van niet-duurzaam geproduceerd tropisch hardhout. Het is een beslissing die niet zonder consequenties zal zijn, want het is nog maar de vraag of de Gamma-bouwmarkten voldoende 'duurzaam' hout kunnen vinden om aan de vraag te kunnen voldoen. Het probleem daarbij, waarmee ook de convenant-partijen worstelen, is dat bruikbare criteria voor het begrip 'duurzaam geproduceerd' (laat staan een keurmerk) nog lang niet voorhanden zijn.

Tegenover dit risico staat voor Gamma wel imago-winst. Want in de huidige markt is het voordelig voor een bedrijf om zich als milieubewust te profileren. Voor ondernemen met een groen randje leent het tropisch regenwoud zich bijzonder goed. In Engeland komt de DHZ-keten B&Q daar heel openlijk voor uit. In een uiteenzetting van het tropisch hardhout-beleid (alleen hout uit 'well managed sources') schrijft B&Q simpelweg: “De commerciële mogelijkheden zijn substantieel”. Maar ook in Nederland is tropisch hout een verkoopargument om uiteenlopende produkten aan de man te brengen. Ohra verkoopt de Teakwood Rendementpolis, waarbij deelnemers met goedkeuring van het Wereld Natuurfonds hun geld beleggen in teakwoodplantages in Costa Rica. Natuurbeheer-belangen en financieel rendement gaan hierbij hand in hand, hoewel sommigen hun twijfels uiten over de genoemde rendementscijfers. Bij Wajang (margarine), Libris (boeken), Kreymborg (kleding) en Shell kunnen consumenten een eigen boom in het tropisch regenwoud kopen of met zegeltjes bijeen sparen. De bomen blijven behouden en met de opbrengst worden verder ontwikkelingsprojecten voor de lokale bevolking gefinancierd.

Pag.16: Nog geen criteria voor 'duurzame' houtproduktie

Met een dergelijke 'groene' manier van klantenbinding slaan bedrijven munt uit de algemene bezorgdheid om het tropisch regenwoud. Maar een echt substantiële bijdrage leveren deze initiatieven niet, gezien het verwaarloosbare aantal bomen waar het om gaat. Daarvoor is een meer structurele benadering, zoals het convenant, vereist. Met het convenant loopt Nederland vooruit op de afspraken die in internationaal verband zijn gemaakt. Binnen de International Tropical Timber Organisation (ITTO) geldt het jaar 2000 als tijdstip waarop duurzaam bosbeheer algemeen ingevoerd moet zijn. De voorhoederol die Nederland speelt, heeft tot forse kritiek geleid. In het buitenland fronst men de wenkbrauwen, maar ook in Nederland zijn er de nodige twijfels, bijvoorbeeld bij de houtbranche. “Het convenant dwingt ons een heleboel dingen te doen in versneld tempo”, zegt VVNH-voorzitter Kuperus. “Misschien zullen we het convenant moeten aanpassen door gebrek aan medewerking van de producentenlanden vanwege de eenzijdigheid. Je kunt je ook afvragen of de termijn voor het veranderen van processen niet veel te kort is, onrealistisch kort.”

Bij de overheid bekijkt men het van de rooskleurige kant: Nederland doet nu ervaringen op, waar men later in ITTO-verband alleen maar profijt van kan hebben. Maar met name de producentenlanden zijn weinig gevoelig voor die argumenten. Met de buitenlandse kritiek op het Nederlandse regeringsbesluit worden vooral de houthandelaren met hun vele contacten in de producentenlanden geconfronteerd. “De kritiek op de eenzijdigheid van het besluit van Nederland is terecht”, zegt Kuperus. “Je kunt nooit iets uitvoeren zonder medewerking van de producentenlanden. Je kunt als gidsland van alles bedenken en beslissen, maar als je niet de medewerking hebt in de producentenlanden zelf, dan gebeurt er niets. Door wat Nederland gedaan heeft met de eenzijdige instelling van 1995 en de beperking tot tropisch hout zien we bij producentenlanden weerstand ontstaan om tot afspraken te komen. In Indonesië heeft men ons op het allerhoogste niveau van alle kanten de oren gewassen. Op een heel vriendelijke manier, maar men heeft ons wel heel duidelijk verteld waar het op stond: 'We willen wel, we zijn ook bezig, maar de eenzijdige benadering van 1995 accepteren we niet'.” Het laatste jaar is er toch wel iets veranderd in de afwijzende opstelling van Maleisië en Indonesië. Na oorspronkelijk verzet tegen de 'neo-kolonialistische ideeen' van Nederland wordt nu met Maleisië in een gemeenschappelijke werkgroep over certificering gepraat. Met Indonesië is onlangs de afspraak gemaakt om op 'technisch niveau' te gaan praten over duurzaam bosbeheer.

Vrijwel de hele houtbranche is partij bij het convenant. Als het goed is zal er na 1995 dan ook nog maar mondjesmaat 'niet duurzaam' hout geïmporteerd worden. Maar wat er dan wel geïmporteerd kan worden, is nog volkomen duister. Iedereen gaat ervan uit dat de prijzen vanwege het dalende aanbod fors zullen stijgen. De VVNH verwacht dat de markt een dergelijke prijstijging wel kan absorberen. Nu wordt er jaarlijks zo'n 1,5 miljoen meter hout uit de tropen geïmporteerd. Er zijn geen cijfers bekend over het aanbod van duurzaam geproduceerd hout tegen de tijd dat het convenant van kracht wordt. In een ITTO-studie werd in een voetnoot een cijfer genoemd van 0,12 procent duurzaam beheerd bos, maar iedere bij het convenant betrokken partij haast zich om dat cijfer te relativeren. Want de duurzaamheidscriteria waarop dat cijfer gebaseerd is, zijn niet duidelijk. Toch geeft het cijfer wel een indicatie dat er een groot tekort dreigt te ontstaan. “Maar, zegt Arnold van Krefeld van het WNF (een van de convenant-partijen), het is te makkelijk om te zeggen: in 1995 is er onvoldoende hout. Er wordt al jaren gepraat over criteria en definities. De grote stap wordt niet genomen, behalve nu in Nederland. Het is de kwestie van de kip en het ei: er is geen aanbod van duurzaam hout omdat er geen vraag naar is, en er is geen vraag omdat het niet aangeboden kan worden. Je moet ergens beginnen en daarom is het initiatief van Nederland heel belangrijk. Vanaf 1995 is er nu een vraag naar duurzaam tropisch hout gecreëerd. Tussen nu en 1995 kun je met het aanbod een heel eind komen.”

Voorlopig vraagt de worsteling om te komen tot een bruikbare definitie van 'duurzame produktie' de meeste aandacht. Twee partijen bij het convenant, het Wereld Natuurfonds en IUCN-Ledencontact, hadden hun deelname aan het overleg gekoppeld aan de duurzaamheidsdefinitie. Zij stelden een ultimatum: de twee organisaties zouden uit het convenant stappen als de definitie niet voor 31 december naar tevredenheid geregeld was. Op 16 december, de laatste vergadering van de convenantstuurgroep van dit jaar, presenteerde een deskundigencommissie onder leiding van de Wageningse emeritus hoogleraar C.W.Stortenbeker een rapport dat uitsluitsel had moeten geven over de duurzaamheidscriteria. Maar de werkelijkheid bleek toch weerbarstiger dan verwacht. Stortenbeker: “Bij het verlenen van de opdracht was men overoptimistisch. Het is nogal complex, om het zachtjes te zeggen. Het is een waar moeras van vragen en problemen, die voor een deel op het politieke vlak liggen. De commissie is dus nog niet klaar.” Nu hoopt de commissie-Stortenbeker (die overigens door de vele buitenlandse verplichtingen van de leden nog nooit voltallig bijeen is geweest) in januari te komen met een voorlopige lijst van criteria. De verwachting bij de convenantpartijen is dat er in 1995 wel een bruikbare set criteria beschikbaar is. Voor een keurmerk, dat een oordeel geeft over het hele proces van boom tot winkel is 1995 waarschijnlijk te vroeg. Volgens een artikel in de Jakarta Post zou minister van landbouw Bukman overigens gezegd hebben dat over eco-labeling van agrarische produkten voor 2000 niet te praten valt.

Nu al lopen certificeringsbureaus de deur bij het ministerie van Vrom plat om hun diensten aan te bieden. Want de criteria moeten onafhankelijk gecontroleerd worden, zodat er uiteindelijk ook een betrouwbaar keurmerk verleend kan worden. De Zwitserse controle- en inspectie-organisatie Société Generale de Surveillance SA, een van de grootste bedrijven op dit gebied, heeft inmiddels een bosbouwkundig bureau overgenomen om zich op deze nieuwe veelbelovende markt te kunnen richten.

Het werk van de commissie-Stortenbeker wordt in het buitenland aandachtig gevolgd, want er is grote behoefte aan een eenduidig systeem. Er zijn vele dubieuze claims en daarnaast is men begonnen met uiteenlopende certificatieprogramma's die de verwarring voor de consument alleen maar vergroten. Vanuit de milieubeweging wordt vooral gekeken naar de set criteria voor duurzame produktie van tropisch hout die zijn opgesteld door de Forest Stewardship Council (FSC). Bij de FSC (opgericht onder andere door het Wereld Natuur Fonds) staat het belang van de lokale gemeenschap centraal. Aan de hand van deze criteria zijn al certificeringsprocedures gestart door een organisatie als Smartwood. Sinds dit jaar heeft de Ecological Trading Company een Nederlandse dochter (Ecologische Handelsmaatschappij) die hout importeert, dat volgens de criteria van de FSC is geproduceerd. Tot december 1995 is de EHM een van de weinigen die duurzaam geproduceerd hardhout op de Nederlandse markt aanbiedt. De EHM is wat Max Havelaar voor koffie en cacao is: door de directe handelscontacten met kleinschalige producenten wordt er voor het hout een 'eerlijke' en dus hogere prijs betaald. Chris van der Goot van de EHM: “Het gaat erom het natuurlijk bos zo te beheren, dat het een waarde krijgt voor de lokale bevolking. Alleen zo blijft het bos in stand. De output maakt dat bos waard is om bewaard te blijven. Doe je dat niet, zet je er een hek omheen en ga je het als reservaat beschermen, dan zal het op een bepaald moment toch door economische druk voor een ander doel gebruikt gaan worden.” In Engeland heeft moedermaatschappij ETC de contacten gelegd tussen B&Q en 'verantwoorde' producenten. B&Q verzorgt nu de eigen inkoop. “Ons ideologische doel is daarmee bereikt, zegt Van der Goot, maar tegelijk hebben we onszelf in dit geval overbodig gemaakt. Dat is een probleem”. Een voorlopige rem op de ontwikkeling van de onderneming is dat er nog geen grote hoeveelheden geleverd kunnen worden. Van der Goot: “Wij zijn bezig met een aantal kleine producenten. We willen zoveel mogelijk projecten hebben om het risico te spreiden. Dat betekent tegelijk dat we ook veel soorten hout krijgen. En dat is een probleem voor de industrie. De ene soort vraagt een andere instelling van de machines dan de andere soort. Het heeft allemaal consequenties voor de verwerking. De industrie is sterk geautomatiseerd en juist gericht op grote hoeveelheden en een snelle doorloop. Maar we zijn nu in een testfase, waarbij een aantal afnemers het hout probeert op hun produktielijnen.”

Met zoveel onzekerheden aan de aanbodkant zijn maatregelen aan de vraagkant nodig. Na Japan kent Nederland het hoogste verbruik van tropisch hout per hoofd van de bevolking. Het lijkt daarom minstens zo effectief om aan consumptiebeperking te doen. Een van de afspraken van het convenant is dan ook dat er het nodige aan voorlichting gedaan zal worden. Er zijn al gesprekken geweest tussen het ministerie van Vrom en een aantal branche- en koepelorganisaties uit de bouwwereld. Maar desondanks zal men niet kunnen ontkomen aan de noodzaak te zoeken naar alternatieven voor tropisch hout.

Een van de mogelijke alternatieven wordt gepropageerd door de Stichting Robinia. In plaats van tropisch hardhout of op milieubelastende wijze verduurzaamd naaldhout (met creosootolie, wolmannzouten, beitsen en verven) is er volgens de stichting 'Europees kwaliteitshout' dat een goed alternatief biedt. Vooral de robinia pseudoacacia is een hardhoutsoort met grote duurzaamheid, die zich kan meten met merbau en meranti. In Oost-Europa is de robinia al vanaf de jaren vijftig als produktieboom in gebruik. In Hongarije bestaat zelfs een vijfde deel van het totale areaal produktiebos uit robinia. Waar steeds meer Nederlandse boeren hun land een bosbestemming geven, lijkt de snel groeiende robinia een aantrekkelijke optie. Maar ook tamme kastanje, inlandse en Amerikaanse eik, zoete kers, en noot leveren zeer bruikbaar produktiehout, volgens de stichting. “Robinia is een zeer bruikbaar alternatief, maar geen wondermiddel”, zegt ir. W.J.Sanders van de stichting Robinia. “Dat heeft te maken met het beschikbare areaal. Er is 300.000 hectare in Hongarije en nog eens 300.000 in de rest van Europa. Dat is niet voldoende om de grote behoefte aan kwaliteitshout te dekken. Daarom is het noodzakelijk daarnaast tevens verstandiger en bewuster om te gaan met hout.”