Route spaargeld voert banken naar verzekeringen

ROTTERDAM, 28 DEC. Sinds Amev en de Verenigde Spaarbank in 1990 met hun onderlinge fusie tot Fortis het startschot gaven, verovert de combinatie van bank en verzekeraar stormenderhand de Nederlandse financiële sector. Sindsdien gingen NMB Postbank en Nationale-Nederlanden samen en werd Interpolis dichterbij Rabo gehaald. Verzekeraars kochten banken - Delta Lloyd en Cantrade - of zetten ze zelf op - Stad Rotterdam en gelijknamige bank. Met de overname van Staal Bankiers door verzekeraar AVCB vorige week, en de fusie die SNS-Bank en NOG verzekeringen gisteren aankondigden, zijn weer twee stappen gezet in de opmars van het bankverzekeren op de Nederlandse markt.

Allfinanz, bancassurance, bankverzekeren of Rabo-topman Wijffels benaming 'fico' (voor financieel conglomeraat), alle zijn termen voor de beoogde combinatie van bancaire dienstverlening en verzekeren die sinds de verandering in de Structuurwet in Nederland mogelijk is.

ING-topman A. Jacobs stelde onlangs dat het merendeel van de Europese banken en verzekeraars het concept inmiddels als ideaalbeeld koestert. De verzekeraars zweren in ieder geval bij de voordelen. Zij krijgen er door een fusie of overname een afzetkanaal bij in de vorm van het kantorennet van de bank. Bovendien heeft het verzekeringsbedrijf een eenvoudiger toegang tot de kapitaalmarkt, zodat het bedrijfsleven voor de financiering niet alleen kan worden bediend met beleggingen en langlopende onderhandse leningen, maar ook met het verstrekken van kortlopend vreemd vermogen. En de verzekeraar kan de snel groeiende markt van beleggings- en spaarprodukten in eigen huis via de bank afhandelen. Een offensief concept dus, dat de toegenomen rol van de verzekeraar in de financiële dienstverlening weerspiegelt en consolideert.

Bij banken ligt dat anders. Hun overweging lijkt met name defensief. Een woordvoerder van SNS-Bank wees er vanmorgen op dat het publiek steeds meer geld opzij zet via verzekeringsprodukten, al dan niet in de vorm van een koopsompolis, of een spaarhypotheek. Extra pensioenvoorzieningen zijn bij een vergrijzende bevolking een logische ontwikkeling, en het huizenbezit van de Nederlander stijgt fors. Deze contractuele besparingen steken de vrije besparingen (de 'ouderwetse' spaarrekeningen en deposito's bij de banken) naar de kroon. Vorig jaar evenaarden de technische reserves van de levensverzekeraars met rond 200 miljard gulden, voor het eerst de vrije besparingen van het publiek bij de banken. Laatstgenoemden missen daarbij een beslissend concurrentievoordeel: verzekeraars zijn in staat om hun cliënten fiscaal vriendelijke produkten aan te bieden, banken veel minder.

Dat zadelt de bancaire sector op met een groeiend funding-probleem: de lucratieve spaartegoeden en deposito's waar de bank voorheen blind op kon varen, worden door de calculerende burger weggezet in de richting van de verzekeringsbranche. Het aanbieden van spaar- en beleggingsfondsen door de bancaire sector kan de cliëntele nog in eigen huis houden, maar de vergoeding die de bank daarop moet betalen is fors. De noodgedwongen combinatie met een verzekeraar helpt daar weinig aan, maar houdt de uitstroom wel binnen het gevormde financiële conglomeraat.

De concentratie onder verzekeraars en banken heeft de afgelopen jaren zo snel om zich heen gegrepen, dat de overblijvers om markttechnische problemen gedwongen worden om ook het Allfinanz-concept na te streven. Als het gros van de financiële instellingen het hele palet aan financiële diensten aan een loket of onder een noemer bij de tussenpersoon aanbiedt, kan de concurrentie niet achterblijven. Ook de rest van de bancaire- en verzekeringsmarkt bekeert zich noodgedwongen tot het financiële conglomeraat.

Welgeteld zijn er nu nog maar twee grote partijen over die zich niet openlijk tot het Allfinanz-concept hebben gewend: ABN Amro en de verzekeraar Aegon. Maar ook die ontwikkelen het concept, zij het op eigen kracht: ABN Amro biedt zelf verzekeringsprodukten aan, en verzekeraar Aegon bedient zich sinds kort van een eigen bankje.