Pezewevers

DE SPELLING van het Nederlands is van tijd tot tijd goed voor vinnige discussies tussen geleerde taalkundigen, hobbyisten die stokpaardjes berijden en schrijvers en lezers die in het geweer komen tegen de zoveelste aanslag op wat hun vertrouwd en dierbaar is. Politieke verwikkelingen, zoals de taalstrijd in België, leiden bovendien tot extra complicaties, terwijl voorschriften, regels en zelfs wetten doorgaans de verwarring nog vergroten.

Joost van den Vondel kruiste in 1654 de degens met de grammaticus Petrus Leupenius over "de nieuwe Nederduitsche misspellinge". Leupenius had voorgesteld dubbele klinkers te gebruiken in woorden als vader en vrede. Vondel: "voor Vader, Vaader; voor Vrede, Vreede; voor Koning, Kooning, en diergelycke walgende verdubbelingen van klinckletteren meer; (...) welcke verdubbelinge ick, gelyck oock eertyts (...) wylen de hooghgeleerden Heere Vossius zelf, oordeele een gansch ongerijmde en overtollige misspellinge te wezen..."

Dat was Vondel in 1654. Ruim drie eeuwen later staan we voor een volgende ronde in de discussie over de spelling. In januari vergadert het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie voor het eerst onder voorzitterschap van minister d'Ancona (WVC). De andere leden van dit comité zijn minister Ritzen (onderwijs en wetenschappen) en de ministers Weckx (cultuur) en Van den Bossche (onderwijs en ambtenarenzaken) van de Vlaamse deelregering. Op tafel ligt dan een voorstel over een aanpassing van de spelling, het zoveelste, we zijn de tel kwijt.

MAAR EEN AANPASSING waaraan? Wisten we het maar - het voorbereidende advies is niet openbaar. Uit de nauwkeurig geformuleerde opdracht waarmee de Nederlands-Vlaamse voorbereidingscommissie in 1991 aan het werk is getogen, valt overigens op te maken dat het Comité van Ministers zich zal buigen over de spelling van de bastaardwoorden, de tussen-n en de tussen-s (bessesap, perenjam, geluidshinder, geluidhinder) en over enkele diacritische tekens (trema, apostrof en liggend streepje). Daarna nemen de ministers een besluit aan de hand van het ingebrachte advies. Zij kunnen hier immers nog veranderingen in aanbrengen.

De ministers, met het potlood in de hand, die gaan schrappen en aanvullen, gaan rommelen en dealen, daarbij tactisch begeleid door de deskundigen aan tafel, het is een tafereel dat zich helaas in de beslotenheid afspeelt.

Maar hoe gaat het dan verder? De ervaring met eerdere pogingen om de spelling te hervormen heeft geleerd dat zo'n voorstel snel schipbreuk lijdt als de zaak te vroeg in de groep wordt gegooid, als schrijvers, dichters, essayisten en journalisten zich ermee gaan bemoeien. Het pandemonium zou compleet zijn. Rudy Kousbroek heeft al eens voorgesteld dat spellingverbeteraars maar het beste in zonnige klinieken kunnen worden opgeborgen.

De aanpak is dit keer omzichtig, het lijkt de bedoeling om de zo bekende en kennelijk gevreesde discussie maar liever zo lang mogelijk uit te stellen. Het oorspronkelijke advies wordt pas bekendgemaakt nadat de ministers hun besluit hebben genomen. Als de ministers er samen uitkomen, gaat hun principe-besluit naar de Interparlementaire commissie van de Taalunie, waarin leden zitting hebben van de Nederlandse Eerste en Tweede Kamer en van de Vlaamse Raad. Dat gezelschap kan vervolgens besluiten de zaak in het openbaar te behandelen in de onderscheiden parlementen. De Taalunie heeft immers geen supranationale bevoegdheden. In het geval van een parlementaire behandeling zijn de complicaties niet te overzien. Als dat traject van wetgeving wordt gevolgd, kunnen in de verschillende parlementen amendementen worden ingediend. Het laat zich raden dat het dan heel moeilijk zal worden die wijzigingsvoorstellen in Vlaanderen en Nederland op elkaar af te stemmen. Een andere mogelijkheid is dat de veranderingen in Nederland worden doorgevoerd bij Algemene maatregel van Bestuur in het kader van de bestaande Spellingwet van 1947, en in Vlaanderen bij decreet. De Kamer kan natuurlijk nog over zo'n AmvB discussiëren, maar het is bijna ondoenlijk om er dan nog aan te sleutelen. In Vlaanderen zou men hetzelfde kunnen doen, en dan is niemand een steek opgeschoten.

Over deze materie is tot nu toe slechts in beperkte kring gedelibereerd, en het kan er op uitdraaien dat het resultaat uiteindelijk als een onontkoombaar dictaat aan iedereen wordt opgelegd.

IS DAT ERG? Een futiliteit als bessesap of bessenjam is leuk voor pezewevers, fundamenteel anders ligt dat met de spelling van de bastaardwoorden. In 1947 is daar bij de vorige spellinghervorming een potje van gemaakt, zie het Groene Boekje (akkoord en accorderen, spektakel en spectaculair). Daarom heeft de voorbereidende commissie geprobeerd niet opnieuw dergelijke fouten te maken. De zaak van c of k wordt nu "beregeld'. Maar wat die nieuwe regels nu precies behelzen, we weten het niet, we mogen het nog niet weten. Wordt de letter c in tal van woorden ingewisseld voor de letter k? In Vlaanderen is de neiging om naar de k over te stappen zeker groter dan in Nederland. De keuze voor de k en tegen de c lijkt voor sommige taalijveraars wel een bewijs van goed of fout.

Beter zou het zijn om de malligheden en inconsequenties in het Groene Boekje alsnog ongedaan te maken en aan te sluiten bij de spelling in de andere taal.

De historicus Johan Huizinga schreef in 1934 over de voorkeur voor purismen: “Een overmatig purisme is een zonde tegen de cultuur. Houd het Nederlands zo, dat het goed Nederlands is en tevens zo internationaal mogelijk.”

Het is geen bewijs van eigen kracht om te strijden tegen het vreemde door dat willens en wetens te verbasteren en de oorsprong ervan te verdoezelen. En het is ronduit een teken van zwakte dergelijke vervormingen bij decreet op te leggen. Taal is meer dan spelling, en taalstrijd - met alle begrip voor onze Vlaamse broeders - is meer dat het verminken van woorden met een Franse oorsprong. Er zijn waarachtig andere mogelijkheden om het grote goed van de Nederlandse taal in ere te houden.

IN DE OPDRACHT aan de commissie die de spellinghervorming heeft voorbereid, hebben de ministers overigens uitdrukkelijk bepaald dat er rekening gehouden moest worden met het aanwezige draagvlak voor de voorgestelde veranderingen, en met de kosten die gepaard gaan met een verandering van de spelling. Dat biedt dan nog enige hoop dat er uiteindelijk heel weinig zal worden veranderd. Want waarom zou er met de spelling gerommeld worden? Nog één keer, ten overvloede en ad nauseam: we mogen de hele geschreven cultuurschat niet in één klap degraderen tot rare, moeilijk leesbare, en onmiskenbaar gedateerde geschriften die van de ene op de andere dag ver van ons en onze nazaten afstaan.