Ouderloze kinderen op zoek naar het verloren ei van geborgenheid

Voorstelling: Heb je mijn kleine jongen niet gezien? door De Citadel, vanaf 8 jaar. Tekst: Suzanne van Lohuizen. Regie: Eva Pieper. Spel: Bram Bart en Peter Schneider. Gezien: 11/12, De Studio Groningen. Informatie: 050 - 718232. ß8Voorstelling: Het laatste kind door Artemis, vanaf 8 jaar. Tekst: Pauline Mol. Regie: Matthijs Rümke. Spel: Brenda Bertin, Marcel Faber e.a. Gezien: 19/12, Prekerspoort Den Bosch. Informatie: 073 - 123223.

Vlak na elkaar gingen er stukken in première van twee van onze belangrijkste jeugdtheaterauteurs. Beiden schrijven over de verhouding tussen ouders en kinderen of het onbreken daarvan. Heb je mijn kleine jongen niet gezien? van Suzanne van Lohuizen is een absurdistische tekst die op verschillende niveaus begrepen kan worden. De auteur kreeg er vorig jaar de Vlaams-Nederlandse Toneelschrijfprijs voor. Twee lullige heren met te zware brilmonturen en zeer handgebreide slipovers geven vorm aan ouderlijke machtsspelletjes door elkaar zonder ophouden dwars te zitten met onsmakelijkheden als smakken, slurpen en winden laten. Tussen hun kinderachtig welles-nietesgedoe duikt plotseling de vraag op waar hun kleine jongen eigenlijk uithangt: 'gisteren hadden we hem nog...' De waanzinnige discussie over waar het kind - dat we nooit te zien krijgen - gebleven kan zijn, raakt aan allerlei facetten van het ouderschap: trots, bezitterigheid, irritatie, faalangst, verwachting en teleurstelling. In de komische enscènering ligt het accent op het bizarre en de slapstick. De acteurs grijpen de geboden kansen om er een dolle boel van te maken met beide handen aan en weten, op een bijna kale vloer en zonder enige belichting, de aandacht moeiteloos een uur lang vast te houden. Maar wie goed kijkt en luistert, kan het niet ontgaan dat ouders een nogal merkwaardig soort zijn.

Ook bij Het laatste kind van Pauline Mol valt wel te lachen, want er gebeuren vreemde dingen, maar de lach houdt daar een ondertoon van treurigheid. Vier kinderen - ze doen even denken aan de Tillermans uit de jeugdboeken van Cynthia Voigt - trekken samen ouderloos rond. De reden waarom ze er alleen voorstaan blijft vaag, maar ze zijn alle vier verlaten en gekwetst. Ze missen geborgenheid, mooi gesymboliseerd met een ei. Een kind krijgt dat ei bij zijn geboorte en wie het kwijt raakt, moet grote daden verrichten om zich een nieuw ei te verwerven. Onderweg ontmoet het viertal een meisje dat haar ei duidelijk nog wel heeft. Het is een rare, want ze zegt geen woord en houdt iedereen op een afstand met bewegingen van haar lijf en hoofd. Haar stilte en onaanraakbaarheid roepen agressie op en ontlokken aan de anderen een verbeten strijd om het bezit van het ei.

Aangrijpend is de hardnekkige vindingrijkheid waarmee ieder voor zichzelf opkomt. Het oudste meisje heeft het gezelschap stevig onder de duim, regelt en zorgt. De meest argeloze is haar kleine broer die zich dan ook veilig weet in zijn zusters zorg. Er is een slungelige jongen met stoere plannen, een grote mond en een klein hart en een woedend klein meisje, dat zichzelf als het 'zieligst en allenigst' aanprijst. Met elkaar zijn ze verwikkeld in snelle, harde dialogen en maken ze front tegenover de ongrijpbare ei-bezitster. Met de motoriek van een geestelijk gehandicapte is deze indrukwekkend aanwezig. Vooral met het schuchtere gebaar waarmee ze haar schat aan de anderen en het publiek toont, doorbreekt ze haar 'niet-zijn'. De kinderen die de andere spelers neerzetten zijn volstrekt geloofwaardig, misschien mede omdat de vasthoudende zoektocht naar het ei van geborgenheid niet iets is dat uitsluitend hoort bij de kindertijd.