Opgepast, opa vertelt

Over Multatuli 31. Huis aan de Drie Grachten, 68 blz.ƒ15.

Speciaal voor Ons, nieuwsblad voor Carmiggeltvrienden. Nr.34, 36 blz. Schoolstraat 6, 4306 CH Nieuwerkerk.

Achterbergkroniek 23. De Prom, 51 blz.ƒ17,90.

Mededelingen Frederik van Eeden-genootschap XXXVII, 36 blz. Pascalstraat 6 hs, 1098 PB Amsterdam

Louis Paul Boon heeft met De kantieke schoolmeester, een halfjaarlijkse kloeke uitgave in boekvorm, het allermooiste van onze aan één auteur gewijde literaire tijdschriften. De overige, bij elkaar zo'n veertien, zien er uiterst eenvoudig uit. De jongste, de ruzieachtige WHF-Verzamelkrant (3 jaargangen, negen afleveringen), is geregeld in het nieuws door publikatie van biografisch materiaal waar W.F.Hermans bezwaar tegen heeft of in werkelijkheid niet de auteur van is, dan wel door onenigheid binnen de redactie. De meest recente ruzie leidde, geheel in Propria Cures-traditie, tot het uiteenvallen van de redactie en de publikatie van drie verschillende edities van het blad.

Zoiets zal binnen de Achterbergkroniek niet gauw gebeuren. Hoewel, juist tussen de per definitie zeer betrokken en ingevoerde leden van schrijversgenootschappen ontstaan gemakkelijk erge meningsverschillen, die meestal niet de pers halen. Stof te over voor een boeiend themanummer van een algemeen literair blad over dergelijke secundaire literaire twisten.

De Vestdijkkroniek, de Jan Cremer Krant, de Dutch Dickensian, Over Multatuli, de Lettre de Zuylen et du Pontet van het Genootschap Belle van Zuylen, een mededelingenblad van de Vereniging 'Het Bilderdijk-museum', een Jacobus van Looy Kroniek, het Leopold-Cahier, de Gezellekroniek, het nieuwsblad voor Carmiggeltvrienden Speciaal voor Ons, het Mededelingenblad van de Stichting Jacob Campo Weyerman, en de Mededelingen van het Frederik van Eeden-genootschap. Een lijst die opvalt door de namen die ontbreken: Ter Braak en Du Perron, Bloem, Bordewijk en Slauerhoff, Van Deyssel, Couperus, Carry van Bruggen, Conrad Busken Huet, Roland Holst, Jan Hanlo, Anna Blaman - genootschappen zijn net als alle verenigingsvormen tegenwoordig een beetje uit de mode.

Over Multatuli beklaagt zich in het 31ste nummer over de betreurenswaardige beslissing van het Literair Produktie- en Vertalingenfonds om de aan één auteur gewijde tijdschriften na 1995 geen subsidie meer te geven. Onderwerp en publiek zijn te smal, oordeelde men en dacht in stilte waarschijnlijk dat de echte gedrevenen het blad over hun lievelingsauteur tóch wel zullen laten verschijnen.

Ischa Meyer opent Over Multatuli met 'Multatuli ofwel ik heb ook een beetje geleden', de openingsspeech bij de laatste jaarvergadering, over de verhouding tussen Multatuli en zijn zoon Edu - “Het symptoom van De Verongelijkte Ouder is van alle tijden”. Een prachtig voorbeeld van de even nuttige als verschrikkelijke minutieusheid die in dit soort tijdschriften ook wordt aangetroffen is het artikel van Olf Praamstra over de exacte hoogte van Douwes Dekkers kastekort in Menado 1855-1862. Maar daar staat een fraai 'Tuiltje van vijf verzen' aan Multatuli tegenover, verzameld en ingeleid door Nop Maas; een artikel over de astma van 'de meest levende van onze dode schrijvers', en een vraaggesprek van Maas en Praamstra met de nieuwe voorzitter van het Multatuli-genootschap, J.J.Oversteegen - “Het grootste probleem is het kweken van erudiete jonge mensen”.

ew,1l Het nieuwsblad voor Carmiggeltvrienden Speciaal voor Ons heeft, net als een van de drie versies van de WFH-verzamelkrant, een ingeplakte echte foto, wat het gevoel van kneuterigheid nog eens flink vergroot. Het aantal Carmiggeltvrienden ligt rond de zeventig (sommigen zijn tevens lid van het Bomansgenootschap), en er wordt gestreefd naar de honderd. Martin Ros hield een toespraak bij de 80ste geboortedag van de schrijver. “Hoe heerlijk was het van Carmiggelt met luide, lieve lof te vernemen, dat ik precies degene was om een klein boekje samen te stellen uit en over Carmiggelt voor de boekverkopersprijs van 1965. Het was de eerste grandioze opdracht van mijn leven, het was het allermooiste opkontje dat ik ooit heb gehad.” Aardig is ook de opgedolven Kronkel uit 1979 waarin Carmiggelt polemiseert met Johan Anthierens die hem verweten had niet vurig genoeg te zijn, zelf vakbondsbestuurder Wim Kok typerend als 'zelfgenoegzaam' en decadent. Carmiggelt: “Vergeef me, maar de simpele werkelijkheid is meestal verwoestend voor het al te vurig proza van een vulkaan. Daarom schrijf ik het niet. Ik vind het ook te ouderwets. Toen ik - opgepast, opa vertelt - vóór de oorlog als verslaggever van het socialistisch dagblad Het Volk de fascistenvergaderingen af moest lopen heb ik het vurig proza over volgevreten en volgezopen vakbonzen zó vaak op het podium horen schreeuwen, dat ik nóóit begin aan het bedrog over 'loom gelunchte stierenekken met Courvoisier-adem'.”

Een paar woorden van de eerste bladzijde uit de Achterbergkroniek: poetica, deiktische waarde, ontpersoonlijking of depersonalisatie, elliptisch - hier geen gezellig oppervlakkig gekeuvel. Redacteur Fabian R.W.Stolk schreef een artikel van acht pagina's over het gedicht 'Sneeuw' uit Hoonte, waarna hij zich verantwoordt in vijfentwintig noten en bijna dertig literatuurverwijzingen. Deze wetenschappelijke aanpak kenmerkt ook R. Marres' artikel over Achterbergs Oedipuscomplex (waarin hij niet gelooft). Andries Middeldorp sprak op een symposium over Leusden en Achterberg ('Achterberg wordt gelezen in brede lagen van de bevolking; hij is waarschijnlijk ook de meest geciteerde dichter van onze tijd'); en verder is er een verbazingwekkend boeiend gesprek van Willem Visser met mevrouw Ter Kuile over een vakantie in Frankrijk met het echtpaar Achterberg, meer dan veertig jaar geleden. De Achterbergkroniek is ernstig, en érg gefundeerd, maar wel zeer de moeite waard.

Nop Maas is niet alleen redacteur van Over Multatuli, hij is ook bestuurslid van het Frederik van Eeden-genootschap. Het aantal leden van deze 'fanclub' - plusminus honderd, en dat zijn niet louter literair geïnteresseerden - loopt gestaag terug, terwijl de schrijver de laatste jaren door romanverfilming en biografie toch redelijk in de belangstelling staat. Zijn boeken worden nog heel behoorlijk verkocht. Onlangs werd door het genootschap samen met de Frederik van Eeden Stichting voor psychiatrisch onderzoek een steunfonds in het leven geroepen dat het onderzoek naar Van Eeden als psychiater en romanschrijver moet stimuleren. Maar het tijdschrift, de Mededelingen, ziet er shabby uit. Nummer 37 bestaat voor een fors deel uit een bijdrage van biograaf Jan Fontijn over de twintig jaar durende relatie tussen Van Eeden en de Duitse Ella Schumacher. “Ella had zoals de andere vrouwen in Van Eedens leven verschillende functies voor hem: zij was behalve geliefde ook Van Eedens Muze, zijn literaire agente en niet te vergeten troosteres voor de tobbende schrijver.” Fontijn stelt dat Van Eeden in 1913 door zijn niet helemaal bedwongen passie voor haar gewonnen werd voor de psychoanalytische theorieën van Freud. Na een driedaags samenzijn in de natuur: “Met Freud was hij het nu eens dat de liefde tussen man en vrouw de hoofdzaak in het leven was en hoe belangrijk het onbewuste was om door te dringen in het 'eigen wezen'. Hij zag nu ook in 'dat de physieke, sexueele dingen in dat liefdesproces een belangrijker rol speelen en een andere beteekenis hebben dan tot nu toe meest gedacht wordt'.”