Muizen

De uiterwaard stond blank, het water rees nog steeds. Er staken restanten van wat hogere planten bovenuit. In de verdorde stengels hingen donkere balletjes, een soort kerstversiering. Als je goed keek zag je ze bewegen, dan zag je dat het muizen waren, hier en daar in kluitjes bij elkaar.

Boven deze plek cirkelde een zwerm meeuwen. Ze hadden ze maar voor het opscheppen. Telkens als er één met zo'n donker balletje wegvloog, waren er andere die de achtervolging inzetten. Alsof het om een broodkorst ging.

Buizerds, torenvalken, blauwe reigers profiteerden ook, maar dat kon je nog tot de natuur rekenen: dat gold zelfs voor de kraaien die als stijve heren langs de gestaag stijgende oevers stapten. Maar die meeuwen maakten er een vuilnisbelt van, een goddeloze zwelgpartij. Zo vlak voor kerst.

We waadden naar een eilandje. Voorzichtig aan. Daar zat een cataleptisch in zichzelf verzonken haas. En het wemelde er van de muizen - ze sprongen rond als sterk verkleinde kangoeroes. Zo veel, zo gaaf, zo hulpeloos. Meest bosmuizen.

Ik zag er één via wat afval over het water rennen en in een kraakwilg klimmen. Die had misschien een kans.

Ik zag een ander, die net een eind gezwommen had. Hij kroop in een holte onder een graspol, richtte zich op en begon zijn buikje schoon te likken. Die zou binnen een uur weer moeten zwemmen voor zijn leven. Of de meeuwen.