Laatste nacht in een stamcafé

Tja, waar doet Charles Verweij aan denken? Laten we zeggen: een aristocraat in verval. Een zwierig geklede en gekapte zestiger, met een juweel van een krulsnor, wiens ondergang bespoedigd dreigt te worden door de lokroep van het uitgaansleven. Zijn neus is baksteenrood, zijn pak glimt van slijtage.

Zoals hij daar zit voor het zaaltje van de Amsterdamse politierechter, krijg je onwillekeurig ontzag voor hem. Er broeit iets achter die pseudo-voorname façade, een woede, misschien wel een grote woede. Tegenover hem, op een meter of vijf, zit zijn tegenstander, en het is adembenemend om te zien hoe Verweij erin slaagt niet naar hem te kijken. Het moet een formidabele krachtsinspanning zijn. Geen stiekem geloer vanuit de ooghoeken, nee, hij bóórt zijn blik onwrikbaar in de muur naast de zaaldeur.

Als de bode hen oproept, beent Verweij als eerste naar binnen. Hij is weliswaar de verdachte, maar hij komt hier alleen maar om zijn recht te halen - en snel een beetje. Ze hebben hem lang genoeg getreiterd. In wat voor land leven we hier eigenlijk?

De officier van justitie, mr. L. Plas, beschuldigt Verweij van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, subsidiair een poging tot zware mishandeling, van Cor Menting, een studentikoos uitziende man van midden twintig.

Verweij kijkt de officier verbluft aan, alsof hij verwacht had dat die bij de eerste aanblik van deze goudeerlijke verdachte de tenlastelegging moedeloos zou vernietigen.

“Ik ben aangevallen”, zegt hij. “Ze houden een glas onder mijn neus en dat komt dan in zijn hals terecht.”

“U zegt dus: zó is het niet gebeurd”, zegt de politierechter, mr. B. van Dijk.

“Nee.”

De rechter leest voor uit de getuigenis van Menting. Het gebeurde op een juninacht in 1991. Volgens Menting zat hij in een Amsterdams café rustig met drie vrienden aan een tafeltje, toen hij opeens een stekende pijn in zijn hals voelde. Hij keek op en zag dat Verweij, een bierglas in de hand, dreigend op hem neerkeek. Menting voelde in zijn hals en merkte dat hij zwaar bloedde.

“Nu uw verhaal”, zegt de rechter tegen Verweij. Een bijna overbodige aansporing.

“In die bewuste juninacht”, galmt Verweij, “zit ik zoals ik nu zit met mijn rug naar de muur. Verderop zitten vier mannen, onder wie dat heer. Ik ledig een kopje koffie, met een vleugje Tia Maria, want het was een bitterkoude nacht en de inwendige mens kon enige versterking wel gebruiken. Ik zat daar vredig wat te sluimeren, toen ik opeens een gloeiendhete kop koffie over me heenkreeg. Mijn regenjas en colbert zaten ònder. Ik vraag nog, ietwat perplex: "Moet dat nou?' Vervolgens krijg ik een bierglas onder de neus gehouden. Mij wordt toegevoegd, met excuses voor het woordgebruik, mevrouw de griffier: "Wat doe jij hier, oude lul?”'

Hij pauzeert even zodat zijn gehoor de gelegenheid krijgt deze onbeschoftheid te verwerken. “Ja, wat doe je dan?” vervolgt hij. “Ik heb dat glas omhoog gebracht.” Hij knikt naar Menting - uiteraard zonder naar hem te kijken. “Meneer was zeer zeker in kennelijke staat.”

“Meneer Menting had een slagaderlijke bloeding”, zegt de rechter koel. “Hij moest naar het ziekenhuis.” Daar bleek de verwonding mee te vallen.

“Ik heb het verder niet gevolgd, edelachtbare. Er ontstond paniek in het café en er werd geroepen: "Charles, ga weg.' Ik heb daarop het pand verlaten.”

“Er is een getuige die gezien heeft dat u Menting met een bierglas in het gezicht sloeg.”

“Ik heb gezegd: ik nam het glas over.”

“Bent u daarna nog in dat café geweest?” vraagt de officier.

“Nee. Ik ben er veertig jaar lang gekomen, maar ik heb tegen Karel, de eigenaar, gezegd: "Ik wil deze man niet meer zien'.”

“Maar die eigenaar zegt dat hij ù niet meer wil zien”, zegt de rechter. “U wordt te snel agressief. Hij heeft u altijd al liever zien gaan dan komen.”

Het is alsof iemand Verweij een dolk door het hart stoot. Hij valt stil, voor het eerst. Veertig jaren stamcafé-bezoek blijken op een leugen te berusten. De leugen van een kroegbaas die hem alleen maar gedoogd heeft.

“Karel moet beïnvloed zijn door die meneer daar”, protesteert hij zwakjes. Hij kijkt Menting nu eindelijk even aan, het is een tegenstander wiens prestige hij kennelijk onderschat heeft. “Karel zou dit nooit tegen mij zeggen. Hij was er die avond trouwens niet.”

De rechter wijst hem erop dat hij, nu een gepensioneerd ingenieur, al eerder met justitie in aanraking is gekomen: in 1976, wegens een vermogensdelict.

Verweij negeert de mededeling en vraagt scherp: “Edelachtbare, vraagt u eens waar die meneer met zijn vrinden die nacht vandaan kwam.”

“Menting heeft verklaard dat hij op een bruiloft gedronken had.”

“Maar kort tevoren hadden we nog een video-apparaat bij iemand binnengebracht”, zegt Menting. “Dat doe je niet als je straalbezopen bent.”

De officier eist een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken plus een schadevergoeding van 1500 gulden aan Menting.

Verweij reageert verbijsterd. “Ik krijg in het café een dronken tor over me heen. Hij beledigt me tot in mijn ziel. Hij bedreigt me met een glas dat ik omhoog sla. Ik had zelf niets gedronken.”

“Als u op zo'n manier een bierglas wegslaat”, zegt de rechter, “dan is het risico groot dat er iets gebeurt. Ik veroordeel u, conform de eis, voor een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.”

“Ik zal het nooit betalen”, briest Verweij. “Nooit!”

“U kunt vandaag nog tot vier uur beroep aantekenen. De bode wijst u wel de weg.”

“Dank u. Dan ga ik nu meteen met de bode mee.”

Verweij staat geëmotioneerd op. De tranen staan hem in de ogen. Terwijl hij naar de deur loopt, roept hij nog: “Hij heeft me bedreigd! Een dronken vent die me aanvalt...”

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.