'Ik ben geestelijk veel rijker dan zo'n meneer Lubbers'

Michaël Hooft (34) woont op een bakfiets en dat niet alleen, hij zweert erbij. “Je staat veel dichter bij de natuur. Als ik inslaap zie ik de sterren, als ik wakker word hoor ik de vogeltjes. En ruik eens wat een heerlijke dennegeur.” Zijn vaste plek in het stadspark van Zwolle is onder twee grote sparren, met uitzicht op een meertje.

Deel 1 van een serie.

Op de avond dat ik Michaël Hooft spreek is het meertje dichtgevroren en wordt er geschaatst, onder de speciale belichting van felle lampen. “Wat de gemeente niet allemaal voor me doet! Geweldig, nu kan ik lezen in bed”, zegt hij ironisch.

Hij is een spontane jongen met fladderende hippiekleren, half lange haren en een forse sik: “Ik lijk op Catweazle (hoofdpersoon uit een kinderserie van begin jaren zeventig), vind je niet?” De bakfiets is iets van de laatste jaren. Daarvoor huisde hij soms in kraakpanden, maar vier muren benauwen hem, en soms in een tent. Een bakfiets is een stuk comfortabeler: hij kan nu meer spullen meenemen, ligt een halve meter van de grond en heeft geen last van optrekkend vocht. Als het dreigt te gaan regenen of sneeuwen, spant hij een zeil over zich heen, maar altijd zo dat zijn uitzicht niet wordt belemmerd. Mocht er politie langskomen dan kan hij bovendien beweren dat hij niet kampeert, maar slechts parkeert. “Ach, meestal zijn ze trouwens niet zo lastig, ze denken: hij is misschien wel gek, maar niet gevaarlijk.”

Met blokfluiten op straat verdient hij genoeg voor eten en af en toe wat tweedehands kleren. Heeft een mens meer nodig? “Ik ben geestelijk veel rijker dan zo'n meneer Lubbers die 200 gulden per dag verdient. Die heeft niet eens de vrijheid om een dag in bed te blijven als hij dat wil. Dan kan hij wel zeggen dat hij zelf gekozen heeft voor dat werk, dat huis, die auto, dat vrouwtje en al die andere dingen waar hij aan vastzit, maar dat slaat nergens op. Dan kun je jezelf ook wel met een ketting aan een hek vastketenen en uitroepen dat je vrij bent.” Op vertrouwelijke toon: “Weet je, ik heb het af en toe verdomd moeilijk met deze maatschappij.”

Op z'n achttiende leek hij een geordend leven tegemoet te gaan. Hij bewoonde samen met zijn broer een etage in Den Haag en had een vaste baan als geldloper, annex medewerker van de postkamer bij de Nederlandse Kredietbank. “Mijn moeder zag me in gedachten al op de stoel van de directeur.” Maar steeds vaker sliep hij niet thuis en spijbelde hij van z'n werk, bijvoorbeeld om lekker te gaan kamperen in de Ardennen. “Volgens mij komt dat door de padvinderij. Mijn moeder was er kokkin en nam me op m'n derde al mee. Later werd ik hopman en trok ik er met groepen jongens op uit. M'n halve jeugd heb ik kamperend doorgebracht; dat raak je niet meer kwijt.”

Hij nam ontslag bij de bank, had soms voor korte tijd een baantje en trok meestal liftend en kamperend door Nederland en omstreken. Nooit ver weg, want vliegtuigen gaan hem te snel en hij houdt niet van auto's want die stinken. Bovendien: hij houdt van Nederland. Van het klimaat, de kou, de bossen en zelfs van de mensen. Al zijn ze niet altijd goed voor hem, hij wil in hun goedheid blijven geloven. Daar is hij tenslotte christen voor. Maar soms gebeuren er dingen, daar kan hij gewoon niet bij. Zo zat hij een keer te fluiten in Helmond: komt er een jongetje van vijf naar hem toe met een vijfje. “Zal ik die in de doos gooien, vraagt het jochie pesterig en begint meteen te schelden van 'stomme lul, denk je echt dat je iets krijgt, dan ben je wel goed stom'. Z'n vader staat er nota bene bij. Een kleuter nog, en dan al zo vrekkig en hatelijk, dat is toch vreselijk treurig? Ik ben denk ik gevoeliger dan de meeste mensen in deze maatschappij. De mensen bezitten teveel en hechten er teveel aan. Wat krijg je dan: ze worden bang voor elkaar en ze gaan zich verzèkeren tegen elkaar.” Walgend: “Verzekeringen! Dat is een instituut, nou ja, bijna nog erger dan de kerk.” Simpele en arme mensen zijn vaak de liefste mensen, daarvan is hij overtuigd. “Daarom wil ik niet veel méér bezitten dan mijn fluiten en mijn bakfiets. Om niet zo te worden als de rest.”

Meisjes, dat is een moeilijk punt. Misschien dat die bakfiets daar ook iets mee te maken heeft, denkt hij wel eens. “Het trekt niet echt aan hè, een zwerver.” Er zijn vrouwen genoeg met wie hij reuze vriendschappelijk omgaat, bijvoorbeeld via het kraakpand waarin hij tegenwoordig als onbezoldigd ober werkt in een niet-kapitalistisch restaurant. Maar zodra hij verliefd wordt, haken ze af. Misschien denken ze wel dat hij niet meer in een huis kan wonen, maar dat klopt toch niet. Tien jaar geleden gaf hij zijn zwerversbestaan al eens op voor een vrouw en vooral voor haar twee kinderen. Vier jaar woonde hij samen en met haar kreeg hij nog een ander zoontje; totdat zij opeens de relatie beëindigde om redenen die hem nog steeds niet duidelijk zijn. Kort daarna kocht hij zijn eerste bakfiets. “Mijn zoontje heeft van de zomer nog eens een nachtje bij me geslapen in een park in Den Haag. Die vond het een geweldig avontuur”, vertelt hij glunderend. “Het mooiste zou zijn als ik nog eens een meisje vond die ook van zwerven houdt.”

Als hij blokfluit speelt in Zwolle, of andere plaatsen waar hij tijdens zijn omzwervingen belandt, zijn er altijd wel mensen die hem hun levensverhaal willen vertellen. Heel persoonlijk vaak, alsof hij de wijsheid in pacht zou hebben. Met hen praat hij over zijn respect voor de natuur en over de goedheid in alle mensen. Eigenlijk heel christelijk maar zonder de bijbel er meteen bij te halen, want dan denken ze dat hij ze wil bekeren. Regelmatig krijgt hij van voorbijgangers te horen hoe jaloers ze op hem zijn, omdat hij zo vrij is als een vogeltje en meer van die lulkoek. “Sorry hoor, maar daar kan ik me zo aan ergeren. 'Hoe doe je dat nou', willen ze weten. Ik zeg altijd: Open je raam en gooi je televisie op straat - dat is al een mooi begin.” Een andere categorie belangstellenden die hij liever ontloopt zijn de zorgzame types. Die denken dat er iets met hem mis is, omdat hij in een bakfiets woont. Expres temerig: “Dan zeggen ze: 'Je kunt wel bij mij overnachten hoor; moet je een koppie koffie?' Op dat soort vragen ga ik nooit in. Natuurlijk heb ik soms problemen in mijn wereld, maar zij toch evengoed?”

Oudere mensen reageren vaak het positiefst, hoe gek dat ook mag klinken. “Die zien mij als een rondtrekkende ambachtsman, zoals ze dat kennen uit hun jeugd.” Zo ziet hij zichzelf ook graag. Hij is nu van plan wonen en werken iets grootser op te zetten. Zodra die stugge ambtenaren hem nu eindelijk eens tegemoet komen met een vergunning, dan gaat hij in de verkoop van zelfgemaakte sieraden. De volgende stap is een ezelwagen. Enthousiast: “Je weet wel, zoals Pipo, dat lijkt me het einde. M'n ezel noem ik Nononono. Misschien komt Mamaloeloe er dan ook wel bij.”