Graven, jonkers en een adolescente bisschop

Voorstelling: Fulco de minstreel, door Jeugdtheater Hofplein. Tekst en regie: Louis Lemaire. Muziek: Ton Scherpenzeel. Decor: Albert Diederik. Spelers: Kiki Heessels, Jan de Jong, Jeroen Spitzenberger, Michiel van de Burgt, e.a. Gezien: 27/12 in Hofplein-theater, Rotterdam. Aldaar t/m 6/2, 14.00 en 19.00u.

Zouden er, sinds Rutger Hauer bijna een kwart eeuw geleden zijn Floris-pak aan de wilgen hing en ook de roep om Ivanhoe allang is verstomd, nog kinderen zijn die riddertje en jonkvrouw spelen - om nog te zwijgen van minstreel of lijfeigene? Ik betwijfel het.

De vraag doet zich voor nu artistiek leider Louis Lemaire voor de kerstproduktie van zijn Jeugdtheater Hofplein een muzikale bewerking heeft gemaakt van het jongensboek Fulco de minstreel van C. Joh. Kieviet, geschreven in 1892, maar gesitueerd in de veertiende eeuw. In plaats van de schilderachtige Rotterdamse armoede die vorig jaar met flair tot leven werd gebracht in Kruimeltje, wordt het beeld nu dus beheerst door graven en gezanten, poorters en ridders, toernooien, slagvelden, maliënkolders, zwaarden en een woud vol Witte Wieven. En ondanks de bekwame versimpeling van het verhaal moeten er heel wat intriges tussen de Heren van Vianen en IJsselstein worden afgewerkt voordat het allemaal goed afloopt.

Mij lijkt het een vrij onzinnige onderneming om zo'n in de negentiende eeuw geromantiseerd ridderverhaal nog eens na te vertellen, te meer daar Lemaire vooral rollen moet schrijven voor de veertig jeugdige leerlingen van zijn Jeugdtheaterschool. De bisschop van Utrecht is derhalve niet meer dan een adolescent en ook menige jonker heeft de baard nog niet of nauwelijks in de keel. En het schrijven van aanstekelijke liedjes is, zo bleek eerder al, niet zijn fort: op de schrale synthesizer-klanken van Ton Scherpenzeel slepen ze zich vol stoplappen voort zonder het publiek in hun greep te krijgen: “Je te verliezen al zo snel/ ons geluk is niet zo lang/ ik wil je bij mij/ ik ben bang/ Gijsbrecht, ik blijf van je houden...”

Tijdens de voorstelling die ik zag, leek het drama grotendeels aan het kinderpubliek voorbij te gaan. Het schuifelde, babbelde en leefde pas op als er weer eens iets bewoog - het deed er niet toe wat. Ik kon het me voorstellen: er was af en toe wel sprake van oorlog, maar ik vrees dat de toekijkertjes in die paar rookpluimen en steekpartijen niet veel herkenden van wat, via de televisie, in hun ogen een oorlog is.